Kerkverbandelijke voor-vragen (1)

1974-10-11
  • Jaargang 18
  • nummer 37
Het is misschien goed, de tijd tussen de twee vergaderingen van het najaars-convent van onze kerken te gebruiken voor enige discussie.
Op schriftelijke wijze nog wat napraten dus en wie weet, voeren we zo tegelijk nog een vóórbespreking voor de vergadering van eind november.
Ik voor mij zou mezelf nog wel wat willen verduidelijken ten aanzien van de opmerking die ik aan het eind van de septembervergadering maakte, dat namelijk onze besprekingen over kerkverbandelijke zaken nu wel zeer breed geweest zijn. maar toch misschien de juiste diepte nog niet hebben bereikt. Zijn we eigenlijk wel ooit goed ingegaan op de bezwaren van de tegenstemmers in Spakenburg? In Utrecht kwamen deze bezwaren nog eens bondig ter tafel: geen bevoogding! (Oegstgeest), nooit meer een juridische structuur! (Schiedam), het Nieuwe Testament kent geen instantie tussen Christus en de plaatselijke gemeente (Doorn).
Om nu met de laatste stelling van de kerk van Doorn te beginnen, - het is voor kerken, die zich in alles willen richten naar het Woord des Heren een argument, dat in ieder geval óverkomt. Je kunt daar wel tegenover stellen en er is ook tegenover gesteld, dat dit van Doorn een biblicisme is, maar zo erg veel is daarmee nog niet gezegd. Rondom het begrip biblicisme is nog niet zo bijster veel klaarheid.
Een betere weg bewandelde vorige week ds Smit in ons blad, die probeerde het bijbelgebruik in kerkordelijke zaken te nuanceren en te saneren. Hij bracht een fijne, bruikbare onderscheiding aan, geloof ik.
Toch blijft er iets kei-hards in het argument van Doorn zitten, dat alleen maar met nog iets harders kapot te krijgen is. De stelling is namehjk niet waar. Wel degelijk is er in het Nieuwe Testament sprake van een 'instantie' 'tussen' Christus en de plaatselijke kerk. Zoals u ziet. zet ik hierbij twee woorden tussen hoge komma's, te weten 'instantie' en 'tussen', omdat ze mij beide niet bevallen in dit verband. Maar wat Doorn m.i. bij het beoordelen van de nieuwtestamentische situatie over het hoofd ziet, is de plaats van de apostel en diens ambtelijke gezag. De apostel, Paulus bijvoorbeeld, is weliswaar geen onpersoonlijke instantie en staat ook niet precies tussen Christus en de (plaatselijke) gemeente in, maar hij schrijft toch aan de Corinthiërs: " ... ik heb u verbonden aan één man, om u als een reine maagd vóór Christus te stellen" (2 Cor. 11 : 2). De apostel vergelijkt zichzelf hier met de in het jodendom zo bekende figuur van de schadgan, de bruidswerver, de huwelijksmakelaar. Die staat inderdaad niet tussen de echtelieden, maar, als de vriend van de bruidegom; meer terzijde. Maar op deze plaats ter zijde gaat Paulus dan toch de band van de plaatselijke gemeente met Christus ter harte en spant hij zich daarvoor in.
Als ik de brieven van Paulus lees, krijg ik de indruk - om me niet sterker uit te drukken - dat de apostel een soort kerkverband in persoon is geweest. Groeten en attestaties van kerken aan kerken liepen over hem, bemoediging en vermaning aan plaatselijke kerken kwamen van hem. "Ik heb u op Creta achtergelaten", schrijft hij aan Titus (1 : 5), "met de bedoeling, dat gij in orde zoudt brengen hetgeen nog verbetering behoefde, en dat gij, zoals ik u opdroeg, in alle steden als oudsten zoudt aanstellen mannen, die onberispelijk zijn ... " - waaruit blijkt, dat hij zich bemoeide met de inrichting van het plaatselijke, gemeentelijke leven. Hij was eigenlijk de enige die in de positie verkeerde, dat hij zoiets als een geheel van de kerken kon overzien en die dan ook vanuit dat totaal kon argumenteren tegenover een kerk (die van Corinthe), die op een bepaald punt (waarop ik nog zal terugkomen) uit de pas liep: "Maar, indien het er iemand om te doen is, gelijk te hebben, wij hebben zulk een gewoonte niet, en evenmin de gemeente Gods" (1 Cor. 11: 16). Paulus is een soort dirigent geweest, aan wie het te danken was, dat die grote verscheidenheid van christelijke gemeentes en gemeentetjes in de nieuwtestamentische tijd (het laagkerkelijke Corinthe en het hoogkerkelijke Efeze, om eens een verschil te noemen) toch een harmonisch geluid voortbracht.

En toen Paulus en de anderen wegvielen? Wel, zegt iemand, (die al even zit te popelen om wat te zeggen), toen blééf dat apostolisch gezag in het duurzame woord, dat ze nalieten. En dat apostolische woord, dat in de brieven van het Nieuwe Testament tot ons komt, ervaren we ook helemaal niet als een instantie tussen Christus en de gemeente, want in het woord van de apostel spreekt Christus tot de gemeente. het is zijn eigen woord tot ons en dus, wat u tot nu toe naar voren gebracht heeft, bevestigt ons alleen maar in onze overtuiging, dat het N.T. geen instantie kent tussen Christus en de plaatselijke kerk.
Toch is deze redenering m.i. opnieuw niet waar. Het apostolisch woord moet namelijk bediend en toegepast worden, wil het z'n rol vervullen. Binnengemeentelijk geeft iedereen dat toe. We zijn er niet met het enkel lézen van de apostolische brieven. Ze moeten ook uitgelegd en toegepast worden.
Daarvoor hebben we in de gemeente het ambt van dienaar des Woords. Welnu, dat uitleggen en toepassen, dat bedienen van het apostolische woord moet ook tussengemeentelijk gebeuren en wie doet dat? Wie is daarvoor de aangewezene? De gemeente zelf?
Moet de gemeente als enige het apostolische woord aan zichzelf bedienen? Is dat niet wat idealistisch?
Wanneer het in een christelijke gemeente van vandaag toegaat als destijds in Galatië, waar men zich liet afbrengen van de genade van Christus om een ander evangelie te volgen, volstaat het dan dat de gemeente aan zichzelf de brief aan de Galatiërs bedient? Moet er dan niet iemand van buiten komen om zo'n gemeente even godzalig uit. te schelden (0, uitzinnige Galatiërs ... !) als destijds de apostel deed? Paulus was buitenstaander en was dat niet een onmisbare zegen in die situatie? We weten toch hoe bevangen we kunnen zijn en als verstokte werkheiligen de brief aan de Galaten gelaten en effen over ons heen kunnen laten gaan? Daarom, nu de apostelen er niet meer zijn, moeten de kerken de mogelijkheid hebben aan elkáár het apostolische woord te bedienen. Ze moeten dat de een de ander kunnen doen, maar ook bij tijden sámen, als gemeenten Gods, wanneer zij het er namelijk over eens zijn dat een zusterkerk op de verkeerde weg is: De kerken gezamenlijk treden dan in het vacuüm dat na de dood van de apostelen ontstaan is. het vacuüm van de Woordbediening-van-buitenaf, die er van het begin af aan geweest is... Of is het Woord Gods bij u begonnen? Of heeft het alleen u bereikt?" (1 Cor. 14: 36).
We weten uit de geschiedenis, dat men ook op andere wijze dit apostolisch vacuüm opgevuld heeft. Inderdaad door het scheppen van tussen-instanties. Het pausdom is er zo een. Het valt trouwens niet te ontkennen, dat de Heer van de kerk zich toch van ook dit behulpsel bediend heeft in een tijd, dat de gemeente haar mondigheid niet aan kon. Ik tenminste kan er moeilijk toe komen het pausdom in z'n geheel als vergissing af te doen. Principieel kan ik dat wel, maar historisch niet. Een van de pausen, Gregorius de Grote, heeft eens gezegd: "vanaf de hoogste plaats (in de kerk) wordt dan goed geregeerd, als degene die leidt, meer heerst over zijn eigen boosheden dan over zijn broeders." Als ik zo'n prachtige uitspraak overweeg, schieten mij van alle kanten gezegdes te binnen van predikanten en ouderlingen op kerkeraden, classes en synodes die dit niveau bij lange niet halen (om het maar zacht te zeggen) en dan ben ik geneigd, het systeem van kerkinrichting een klein beetje te relativeren. Elke opzet heeft het gebed om nederigheid dringend nodig. Daar doe ik de verschillen tussen episcopalen, presbyterialen en independenten niet mee af, ik weet het, maar ik zeg dit om de aandacht 'n beetje weg te halen uit de sfeer van 'getrapte' of 'niet-getrapte' vertegenwoordiging, alsof het dáárom nu zou gaan. Dat is m.i. een keuze, waarvan de vóór- en nadelen in een niet emotionele zakelijkheid afgewogen kunnen worden, al heb ik daarbij mijn protestantse en gereformeerde voorkeur, waar de Heilige Schrift niet bij dicht blijft.
Waar het me nu om gaat is dat er, blijkens het Nieuwe Testament, niet alleen binnengemeentelijke, maar ook tussengemeentelijke woordbediening moet zijn.
En dat daar, hoe dan ook, een vorm voor gevonden moet worden.
Moge dat een vorm zijn, die niet de ontwikkeling naar een onpersoonlijke instantie bevordert!
Deze vorm heeft ook, hoe we het ook wenden of keren, iets juridisch aan zich. Dat is gegeven met het feit, dat woordbediening in zichzelf een juridisch aspect heeft. Ik denk hier aan het verplichtende, niet vrijblijvende van de evangelie-verkondiging; ze is sleutelmachtbediening. Dat is ze ook in de tussengemeentelijke sfeer. Dit betekent, dat in uiterste gevallen gezegd moet kunnen worden: "Als iemand hiermede niet rekent, dan wordt met hem niet gerekend" (1 Cor. 14: 38).
Ik geloof niet, dat we dit bevoogding moeten noemen, tenzij dit woord positief wordt opgevat.
De juridische structuur is, voor zover ik zie, onvermijdelijk voor het samenleven van christelijke kerken. Alleen zal er een vorm voor gevonden moeten worden, die het minst gevaar loopt in vormelijkheid te ontaarden.
Volgende week hopelijk nog iets hierover.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief