Literatuur en beeldende kunst in de christelijke traditie
1974-10-18
In het eerste, inleidende deel van mijn artikel (Opbouw 19 april jl.) heb ik gesteld dat literatuur en beeldende kunst met name in de gereformeerde traditie stiefmoederlijk bedeelde interessesferen zijn geweest.- Jaargang 18
- nummer 38
Daarbij ging het mij vooral om de situatie van vandaag, die ik gevaarlijk vind omdat het protest tegen de degeneratieverschijnselen in de hedendaagse literatuur en kunst niet voldoende christelijk is, vaak op eenzijdige wijze plaats vindt en omdat er nauwelijks positieve tendenzen worden opgespoord, laat staan tegenover gesteld worden. Met begrip voor de verontrusting heb ik toch gemeend, dat een ontvankelijkheid, een naar de wereld toe gerichte openheid verdedigd moest worden in het geloofsvertrouwen dat Christus Heer is van héél de schepping, hetgeen impliceert dat al datgene dat tegen Zijn verordeningen ingaat nooit het laatste woord kan hebben. (Vgl. Hebr. 2 : 8 en 1 Cor. 5 : 12, 13.) Dit fundamentele vertrouwen is geen lakse onverschilligheid of zelfs maar kritiekloze aanvaarding van de tijdgeest - laat ik het hierbij nogmaals onderstrepen - maar is een mogelijkheid om ons te verlossen van verkramptheid en on-christelijke angst. Deze openheid is een eerste vereiste wanneer men in de (ongelovige) naaste wil beluisteren wat hem innerlijk beweegt en wat hem dwars zit, kortom wanneer men de naaste wil nemen zoals hij zich geeft en niet zoals WIJ vinden dat hij zich zou moeten geven!
Ik meen oprecht dat men als christen zowel vreugdevoller als strijdbaarder zou moeten zijn dan alleen maar verontrust, want daarmee wint men geen mensen voor het Evangelie. Onze roeping gaat dieper en reikt ook verder, ook wanneer wij literatuur en beeldende kunst beoordelen.
De vier typeringen van literatuur en kunsttradities (Opbouw 26 april jl.) waren bedoeld als een demonstratie van deze openheid.
Ik heb ze overgenomen omdat zij m.i. zeer treffend de culturele drijfveren in bepaalde perioden van de geschiedenis aangeven.
Daarbij bleek dat de belangstelling voor de literatuur en de kunst steeds groeide, maar dat deze ontwikkeling tevens de autonomie van de kunst met zich mee bracht.
Mijn benadering zou echter te willekeurig blijven wanneer niet ook vanuit de christelijke traditie en vanuit de cultuurgeschiedenis van het christendom een poging werd gewaagd om een aantal kerngedachten betreffende ons onderwerp door te geven. Na een aantal - uiteraard subjectief gekleurde - karakteriseringen van Calvijn, A. Kuyper, Calvin Seerveld en H. R. Rookmaaker tot besluit een bescheiden begin van een schriftuurlijke fundering op grond van een aantal bijbelse richtlijnen.
Calvijn
Calvijn heeft de beeldende kunst en de literatuur niet genegeerd, maar een systematische verhandeling heeft hij er niet over geschreven.
Léon Wencelius heeft in zijn "L'Esthetique de Calvin" (Parijs ] 937) Calvijn's uitspraken over kunst en literatuur gerangschikt, maar het is m.i. voorbarig om van een aesthetica te spreken.
Ten eerste omdat Calvijn's uitspraken over literatuur en kunst verspreid zijn over zijn gehele oevre, de Institutie, de Schriftcommentaren, preken en brieven, maar ook zijn concrete hervormingsbeleid en pastorale adviezen. Verder omdat deze uitspraken niet 1.0ste zien zijn van zijn uitspraken over de muziek, het toneel, de dans. de kleding en de zondagsrust. Tenslotte omdat eerst in de 18e eeuw Baumgarten zijn aesthetica als een op zichzelf staande discipline voor alle kunstvormen opstelt. Maar ook al heeft Calvijn zelf geen aesthetica geschreven, zijn uitspraken zijn belangrijk genoeg om er notitie van te nemen.
Men moet een scherp onderscheid maken tussen de schoonheid in de kunst, de schoonheid in de natuur en de geestelijke, goddelijke schoonheid. Uit het werk van Wencelius, maar ook uit de brochure van S. Anema daarover, zou men geneigd zijn op te maken dat het Calvijn in de literatuur en de kunst om de schoonheid te doen is; hetgeen onjuist is.
Calvijn onderscheidt tussen de uitwendige, zichtbare schoonheid (pulchritudo) en de onstoffelijke, geestelijke schoonheid (decus).
Deze laatste verbindt hij met Gods eer (gloria) en heerlijkheid (splendor), Wanneer de mens persoonlijk in verbinding komt met God, door innerlijke verlichting van de Heilige Geest, dan aanschouwt hij als het ware in verheerlijkte bewondering het goddelijke licht dat in het menselijk hart schijnt, hoewel dat licht strikt genomen onzichtbaar is.
Wat de goddelijke schoonheid precies is kunnen wij slechts vermoeden uit de zwakke afstraling daarvan in de schepping, de oogverblindende straling van de zon, de verscheidenheid en rijkdom van Gods scheppingsplan, maar bij uitstek in Jezus Christus.
Alleen inwendig, geestelijk, door de gave van het geloof kan de mens deelhebben aan deze goddelijke schoonheid. Het aardse kan echter niet tot dit goddelijk niveau worden opgeheven. Calvijn legt zo sterk het accent op Gods genade dat er een onoverbrugbare kloof- gaapt tussen de menselijke strevingen en Gods heerlijkheid. Enkele typeringen kunnen dit verduidelijken.
De schoonheid van de vrouw is volgens Calvijn haar kuisheid, zachtheid, geduld en toewijding.
De mens als "kroon der schepping" overtreft de schoonheid van de schepping, David en Salomo worden schoon genoemd omdat zij voorafschaduwingen zijn van Christus. Christus is niet op aardse, uiterlijke wijze schoon, maar de wereld is schoon door Hem.
De schoonheid van Israël blijkt uit het feit dat God voortdurend bij Zijn volk aanwezig is. De schoonheid van de kerk is niet haar architectuur, maar het feit dat zij uitdrukking is van de eenheid van hen die in Christus geloven.
Uit deze voorbeelden blijkt dat schoonheid in wezen openbaring van goddelijkheid inhoudt: daar waar God is, is schoonheid.
Wanneer de mens aan deze schoonheid deel heeft door de genade van het geloof, ontstaat er een harmonie in de samenstellende delen van de menselijke persoonlijkheid: inwendige vrede, inner lij:ke harmonie. Deze ware schoonheid bestaat uit helderheld, maatgevoel en volmaaktheid.
Zij worden ook in de schepping aangetroffen, met name in Gods ordening daarin.
Wij kunnen dus zeggen dat de mens schoon is, naarmate hij beantwoordt aan Gods scheppingsplan, naarmate hij zich dus steeds weer bekeert tot en heroriënteert op God.
Nu blijkt de kloof waarover ik zojuist sprak pas goed, want volgens Calvijn is de mens door de zondeval zijn oriëntatievermogen en gevoel voor proporties kwijtgeraakt.
Doordat de scheppingsrelatie met God is verbroken ontstaat er een abnormale verhouding, een wanverhouding. Er ontstaat nu een schijnbare schoonheid, die door de mensen die de band met God hebben losgelaten gecultiveerd, veruiterlijkt en verzelfstandigd wordt. IJdelheid tiert hier welig. Satan gebruikt deze veruiterlijkte schoonheid om de mensen door verleiding en afgoderij naar zich toe te trekken.
Daarom gaat het Calvijn ook niet om de schoonheid in een kunstwerk, maar hij vraagt zich af of het een kunstwerk is dat aan de duivel of aan Gods eer is gewijd; het gaat hem niet om de schoonheid zelf, maar alleen in zoverre hij daarin Gods heerlijkheid kan ontdekken, Wanneer de kunst zichzelf een waarde toekent die onafhankelijk van God is, of pretendeert eeuwigheidswaarde te bezitten, verwijdert zij zich van God.
Calvijn spreekt in dit verband van de Griekse kunst die op afgoderen is uitgelopen. Dit geldt dus ook in het algemeen voor de kunst die God niet kent, laat staan zou willen gehoorzamen.
De enige bestaansgrond van de zichtbare, uiterlijke schoonheid mag dan ook slechts de heenwijzing zijn naar de onzichtbare en geestelijke schoonheid.' mag slechts de eeuwige werkelijkheid symboliseren. Maar als de ware schoonheid niet in de aanschouwing bestaat, zelfs niet mág bestaan, maar alleen voorbereiding mag zijn voor de geloofsverbondenheid met God, dan is m.i. de zichtbare schoonheid gedoemd te verdampen. De natuur vindt niet zozeer zijn vervulling in de bovennatuur, maar lost daar bij Calvijn in op. In ieder geval kan men niet lichtvaardig stellen dat Calvijn's aesthetica een verband legt tussen Gods eer en de schoonheid, want dat is alleen mogelijk zonder de historische zondeval.
Het feit dat Calvijn spreekt over een schijn-schoonheid en scherp onderscheidt tussen de zichtbare, uitwendige en onzichtbare geestelijke schoonheid vanwege de zondeval, vindt m.i. zijn oorsprong in Calvijn's afhankelijkheid van Plato op dit punt. Plato stelde dat de schoonheid van de dingen kon bestaan doordat zij deel hadden aan de onvergankelijke, geestelijke idee van de schoonheid.
Deze onstoffelijke schoonheid is goddelijk, eenvormig, zuiver en onvermengd - het zijn haast woordelijk dezelfde kenmerken die wij bij Calvijn aantreffen - en kan alleen in mystieke contemplatie aanschouwd worden. Ook bij Plato treffen wij de gedachte aan dat het verlangen naar de ware schoonheid wordt verlaagd tot een roes van zinnelijk genot, maar dit gevaar wordt door het redelijke verstand, dat de gevoelens stuurt en in toom houdt ondervangen. Anders echter dan bij Plato worden wij bij Calvijn niet door het verstand, maar door het geloof naar de waarachtige schoonheid geleid.
Wij zullen echter zien dat evenals bij Plato de kunst zich slechts bezigheid met de afbeelding van de uiterlijke vormen, bij Calvijn de kunst tot het rijk van de natuur behoort. En omdat de kunst in zichzelf geen heilswaarde toegekend kan worden, behoort zij zich ook strikt tot het natuurlijke en tot datgene wat met de ogen gezien wordt te beperken.
Van een band tussen religie en kunst, zoals in de R.K.
opvatting, waarbij de kunst een opvoedende taak had t.a.v. de heilswaarheden, wil Calvijn niets weten. Hij spreekt zich zelfs nergens uit over het doel van de kunst, maar stelt alleen vast dat zij een natuurlijke gave is van God, gelijkelijk geschonken aan gelovigen en niet-gelovigen. Wij komen hier in ander verband nog op terug.
De muziek
Calvijn onderscheidt tussen de beeldende kunst (schilder- en beeldhouwkunst) die géén taak heeft in de eredienst en de muziek de dat wél heeft. De muziek is volgens Calvijn namelijk wel degelijk in staat om een verbinding tussen God en mens tot stand te brengen. Het initiatief ligt alleen zoals eigenlijk steeds het geval is - bij God, de mens antwoordt. Als Gods stralingskracht de mens bereiktdat is een gunstbewijs - dan wordt de mens vrolijk en gaat hij zingen. De gelovige mens gaat psalmzingen, omdat hij ontvlamd wordt door ware vroomheid en Gods genade beantwoordt met gezangen van dankbaarheid. De mens handelt dan op dezelfde wijze als de engelen.
Reeds voor de psalmen van David geldt dat de oorsprong van de muziek in de Heilige Geest ligt, Die de gelovigen bezielt tot het zingen van psalmen die God en Zijn schepping bejubelen. Het doel van de muziek is God te verheerlijken en de mens te verheffen.
Voor Calvijn heeft het zingen van Psalmen enorme kracht. De gelovigen zouden vervolgingen kunnen weerstaan omdat het lied de religieuze gloed in de martelaar ontsteekt. Het lied bouwt de kerk, verenigt de gelovigen die deel uitmaken van het lichaam van Christus.
Maar ondanks zijn gloedvolle ijver voor de nieuwe psalmberijmingen van Clement Marot en de muziek van Loys Bourgeois, schermt Calvijn de muziek af tegen afgoderij. Wij danken het weliswaar aan Calvijn dat de psalmen niet meer in het latijn, maar in onze volkstaal worden gezongen, omdat z.i. de gemeente eerst gesticht wordt wanneer zij begrijpt wat er wordt gezongen.
Dat geldt trouwens ook voor het gebed. Maar instrumentale begeleiding moest vervallen omdat dit bijkomstige en on-geestelijke schoonheid opleverde. Het orgel moest uit de kerken verdwijnen omdat het gevaar bestond dat de organist zichzelf teveel eer zou gaan toekennen. Het vierstemmig koorgezang was voor Calvijn onbestaanbaar, omdat dit afbreuk zou doen aan het algemene priesterschap aller gelovigen!