Over Van Ruler
1974-10-18
Dat de schepping er niet is om de verlossing (Barth), maar omgekeerd de verlossing er is om de schepping, - daar zit, zo zagen we, voor Van Ruler heel wat aan vast. Met name, dat de zonde er bij gekomen is en daarom ook de genáde, - de val en daarom ook de verlóssing. We keren via een omweg, het intermezzo, van de verlossing, weer bij de schepping, zij het door de vernieuwing heen, terug.- Jaargang 18
- nummer 38
Dit is ook de achtergrond van zijn overtuiging, dat Christus eenmaal niet alleen het koningschap aan God de Vader zal overdragen (1 Cor. 15: 24), maar ook zijn menselijke natuur weer zal afleggen, waarna Hij ingaat tot het wezen van de drie-enige God, opdat God zij alles in allen, De messianiteit van Jezus stempelt de huidige historie tot een messiaans geleide geschiedenis, maar loopt dan ook mèt deze geschiedenis ten einde in de voleinding, - als alles voluit goddelijk, heerlijk, majesteitelijk wordt. "De hoogste daad, welke de Messias doet is deze, dat Hij ophoudt Messias te zijn, het koninkrijk, dat Hem verordineerd was, Lc. 22 : 29, aan de Vader overgeeft, 1 Cor. 15 : 29, opdat er niets insta tussen God en de naakte existentie der dingen." (Religie en Politiek, p. 139) Van Ruler spreekt hier graag van: het messiaanse intermezzo. Hij heeft zelfs toegegeven, dat met name hier een nogal speculatief element in zijn theologie zit. Maarhij vindt dat eer een voordeel dan een bezwaar. Het hoort tot het spelkarakter van de theologie. (Zie "In gesprek met v. R." p. 62) Zowel Berkouwer als Velerna hebben deze gedachte sterk bestreden.
En, uiteraard, Berkhof.
Zie zijn bijdrage in "Woord en wereld" (opgedragen aan prof. Miskotte bij zijn afscheid) over "Schepping en voleinding", Allen verwijzen dan naar de doxologie voor Hem die op de troon gezeten is èn het Lam! Openb. 5: 12, 13 en 22: I, 3, het geslachte Lam, dat als een lamp de Stad Gods verlichte, Openb. 21: 23.
Toch kan men m.i. deze doxologie niet christocentrisch noemen, ze is geheel en al theocentrisch, naar de eigen wil van Christus, die het als zijn werk ziet ons tot de Vader te leiden. En dat middelaarswerk is voltooid, wanneer straks God zal zijn alles in allen. Dan is er in zoverre "niets" meer tussen God en naakte existentie.
Maar een andere vraag is of Van Ruler toch niet te ver gaat met zijn gedachte, dat dan Christus zelf, het Lam, er ook niet meer zal zijn. Neen, niet meer "tussen" God en ons, maar toch wel in de troon van God!
Houden we dan op het standpunt van Van Ruler Christus straks alleen als "monument" over?
heeft dr Okke Jager eens gevraagd.
Een vraag die dacht ik zin heeft.
Heeft Van Ruler gelijk, als hij over de Vleeswording spreekt als over een "noodmaatregel" om een verloren mensheid te redden?
Of is het gelijk aan de zijde van vele theologen van onze tijd, die de "kosmische betekenis van Christus" heel sterk poneren, op grond van Hebr. 1, Ef. 1 en Col. 1, en heeft prof. A G. Honig gelijk, als hij in zijn inaugurele zegt: "Christus is ook de kroon der schepping, de nieuwe mens, waarop de schepping had gewacht van het begin en de laatste Adam is de oorspronkelijke, bedoeld en geïmpliceerd in de schepping van de eerste"? (Zie zijn: De kosmische betekenis van Christus, P. 40, 41) Zouden we dan toch weer niet vervallen tot wat Prenter genoemd heeft: scheppingsdocetisme?
D.w.z. dat heel de geschiedenis van de eerste Adam op ons dan toch de indruk gaat maken van een schijnvertoning? En gaat de geschiedenis in al haar ernst en met al haar verantwoordelijkheden niet helemaal de mist in?
Fn dát was het nu waar Van RuIer zich met alle kracht tegen heeft willen verweren. We willen het hem zelf in een wat breed citaat uit zijn verklaring van de Apostolische Geloofsbelijdenis laten zeggen:
"Het is kenmerkend en wezenlijk voor het christelijke, dat de waarheid en het heil historische realiteiten zijn, dat "het" volbracht is, dat we het in de rug hebben, dat we er uit kunnen leven. We leven niet puur naar de waarheid en het heil toe, we leven vanuit de volheid ervan, zoals deze verschenen is in de geschiedenis.
Wie aan de heilsfeiten wrikt, zit te wrikken aan de specifiek christelijke manier van in de wereld zijn. Het is voor het christelijke geloof natuurlijk niet zo'n pretje om zo vastgeprikt te zitten op historische feiten. Men kan gemakkelijker in het reine komen met de gedachte, dat het een boodschap bevat of een idee of ideaal uitdrukt of van een verwachting leeft. Maar het wortelt nu eenmaal in historische feiten.
Alle mensen van de historische critiek zitten daar omheen te snuffelen. Is hier ooit enige zekerheid te krijgen? Stuit het ons niet tegen de borst, dat het heil helemaal buiten ons om tot stand is gebracht? Is het historische niet de grote drawback, de grote hindernis voor het christendom? - al deze bezwaren wil ik graag erkennen, maar ik maak op één lichtzijde opmerkzaam: door uit te gaan van de heilsfeiten komen we met beide benen op de grond van de historische werkelijkheid. Dat maakt ons ook inner lijk rijp en bereid voor de hele historische werkelijkheid.
Het begrip geschiedenis, wereldgeschiedenis, is dan ook een specifiek christelijk begrip. Het is eigenlijk alleen vanuit het begrip heilsfeit goed vast te houden. - En met het begrip geschiedenis staat en valt weer het begrip humaniteit: de mens is alleen mens, wanneer hij een in vrijheid handelend wezen is in de samenhang van de onomkeerbare eenheid en doelgerichtheid van het historische proces". ("Ik geloof", p. 74, 75)
En daarmee zijn we dan tegelijk bij het onderwerp van ons volgende artikel: Van Rulers visie op de mens.