"Abraham ontdekt de God van ons leven"
1974-10-25
Heel wat mensen hebben gisteren vaderdag gevierd. Voor sommigen zal het zo geweest zijn, dat ze alleen maar een herinneringsgedachte konden wijden aan hun vader.- Jaargang 18
- nummer 39
Ik vraag u eens te letten op die vader, die we in het volgende bijbelgedeelte tegenkomen. En op zijn God, die later de Here Jezus Christus ons leerde "onze Vader" te noemen.
Wanneer we Gen. 22: 1-19 lezen kunnen we heel wat gedachten ventileren over God en zijn dienst; vinden. dat het toch allemaal wel erg primitief was, die Godsvoorstelling zoals het heet van het oude Israël. Misschien daaraan vastknopen, dat dát blijkbaar godsdienst is: een God, die heilig is en geducht, maar dan toch ook wanhopig veeleisend!
Daarbij dan zeggen, dat je dát toch niet ziet zitten, dat het maar gelukkig is, zoals men wel zegt, dat dit soort dingen uit de wereld zijn.
Nu gaat het in deze Schrift niet allereerst om wat u of ik ervan vinden. Maar om de werkelijkheid van Gods openbaring! Niet om onze voorstelling van God.
Maar om de manier waarop God zich aan ons voorstelt en aanbiedt!
En om dat te begrijpen moeten we inzien, dat dit bericht niet een losse aflevering in een mooi feuilleton over Abraham is.
Als u dit bericht laat staan in de reeks van Gods grote daden door Abraham, zoals Genesis die biedt, dan kunt u zo maar zien, dat hier dan toch eigenlijk een hoogtepunt komt van wat God zijn vriend Abraham deed! En zeg er maar bij: van wat God aan allen die geloven en hun kinderen doet. Want juist aan het eind van déze geschiedenis herhaalt God zijn fantastische belofte: met uw nageslacht zullen álle volken der aarde gezegend worden. We spreken hier niet maar van de God van Abraham, óók over die van ons en onze kinderen nu.
Want God had zijn redding van de wereld gekoppeld aan die éne zoon van Abraham, Izaäk, de beloofde.
Het kind, dat er niet kon komen menselijkerwijs en dat God gaf door zijn beloften. Dat is ook de zwaarte van dat "uw enige" die ge liefhebt".
Iedereen begrijpt: dat wordt ook het beklèmmende van Gods opdracht aan Abraham: néém uw zoon, uw enige, die ge liefhebt, en offer hem ten brandoffer op Moria. We moeten niet vergeten: toen vroeg God niet alleen veel van Abraham persóónlijk, Maar Hij vergde, dat Abraham de eerste beslissende schakel van Gods redding voor iederéén zou opofferen!
Het bestaan van Abraham de vàder is in al zijn voegen geschokt hierdoor. Maar het bestaan van Abraham, de vader van allen die geloven, ook!
Je kind opgeven. Het begin van de wereld redding van God aan Hem offeren! Is dit niet barbaars: een vader die zijn kind geeft aan zijn God, En is de reputatie van deze grote God dan wel. dat Hij onderweg is naar de zegen voor álle volkeren der aarde?
Opvallend is, dat Abraham die eis van God inwilligt. Hij maakt zich reisvaardig. Hij máákt de reis, die hem elke minuut geteisterd moet hebben! Hij kómt bij de berg! Hij belaadt Izaäk met het hout! Hij neemt het vuur, hij neemt het mes! "Zo gingen die beiden tezamen" staat er tot twee keer toe veelbetekenend. Daar ga je dan in de naam van God, verscheurd vanwege de opdracht van God. Die zèlf de band tussen vader en zoon had gelegd!
En toch: Abraham is gegaan, met verdriet in het hart, ook met hoop tegen hoop op God. De bijbel zegt wel, dat Abraham geloofd heeft, dat God Izaäk uit de doden kon opwekken. Maar niet, dat hij gedacht heeft, dat dat óffer niet door hoefde gaan!
Me dunkt, dat kunnen we alleen maar verstaan als we bedenken, dat zo'n eis voor Abram niet onbekènd was. Hij kwam uit Ur der Chaldeeën. En daar heeft hij voorheen ook de afgoden gediend, zegt de bijbel. Dáár is God hem verschenen en heeft hij gaandeweg ontdekt, dat zijn God de enige was. Maar dat namens goden éisen werden gesteld, verschrikkelijke eisen, dàt was voor Abraham geen nieuws.
Dat is bij alle heidense volken zo: namens de god kan zelfs het kind worden geëist. En zeg niet: maar hebben die mensen dan geen hart?! Want dat is de kwestie niet. De kwestie is, dat hun is verteld, worot verteld, dat het zo hóórt! Zó zijn goden! Daar doe je niets tegen.
Deze mensen, ook Abraham, zijn gaan leven met afschuwelijk verwrongen ideeën over wie Gód eigenlijk wel is! Dat zijn de menselijke gedachten over God: verwrongen ideeën! Goden vragen offers. Het brandoffer, in heel de oude wereld bekend, is het offer van je geheel, je alles. Met vaak het besef erbij, dat het bloed, dat vloeit, het leven dat wordt uitgegoten, voldoening is voor de zonde.
U ziet wel: een vertékend beeld.
Met daarin tóch nog het besef, dat God op alles recht heeft. En het besef, dat je leven gemoeid is met je schulden.
Iemand zegt misschien: maar Abraham geloofde in de HÉRE.
Had zegeningen van Hèm ontvangen, een verbond. een kind der belofte. Kende de Almachtige, de Heilige. Allemaal waar.
Maar hoe góed kende deze man uit het Tweestromenland die ware God nu? Was hij al af van alle misverstand? Kende hij God al als de levende, de God van liefde en vergeving, de Redder? Moeten we niet zeggen, dat de bijbel toont, hoe God zich aan Abraham pas geleidelijk aan bekendmaakt?
Dat zijn openbaring de Godsvoorstellingen uiteenrafelt? Dat Hij hem leert van stap tot stap? Màg ik misschien zelfs zeggen van God met Abraham: God leerde hem éérst geloof: de eis naar het onbekende. Dán: hoop: het wachten op de beloofde zoon.
Maar hier pas liefde: en dan wel, dat God zelf liefde is? Léért God hier niet Abraham en alle mensen met al hun eigen Godsideeën eindelijk de wáárheid?!
Want zeg niet: zoiets kom je in onze beschaving niet meer tegen.
Ik geloof er niets van. Waarvoor brengt een mens, die Abrahams God niet kent, zijn kind in de wereld? Een goed leven, een goede carrière, een welbesteed leven?
En worden dan vervolgens al die dingen niet als goden aanbeden?
Góed, zonder altaar en zonder gebogen knieën! Maar dan toch wèl in de stijl van: voor wat hoort wat. Aan die machten moet je geven: inzet, persoon, kind.
Want zó zijn afgoden, of je ze zo noemt of niet! Ze vragen totale inzet en je moet maar hopen, dat het loont.
Dat wereldtje, waar Abram uitkwam, was in feite knettermodern.
Al waren de vromen anders.
Dit is de afgodendienst: eerst betalen, veel, álles misschien.
Jezelf totaal ervoor inzetten. Je kinderen eraan wijden en wagen!
En dan misschien halen! Maar God leert Abraham, zijn vriend, dat Hij zo helemaal niet is. Dat Hij juist ánders is: de God van liefde, de God, die zèlf geeft om niet! En die je alleen maar voor die liefde vordert!
(wordt vervolgd)