DORPSPRAAT
1974-10-25
Hoe het met onze vriend Gart gaat - wordt me nog al eens gevraagd.- Jaargang 18
- nummer 39
Door lezers van dit goede blad, die hem uit onze kolommen kennen.
Wel, bepaald niet onaardig, mag ik zeggen. Hij hoopt eind van het jaar tachentig te worden astGodblieft. De beste jaren zijn dus al wel geweest, meent hij. Maar hij mag niet mopperen, zegt hij; en als het wel mocht deed hij het nóg niet. Mopperen heeft hij nooit geleerd.
Dat acht hij een verschijnsel van de moderne generatie. Die mensen' van vandaag hebben geen ontberingen gekend en kunnen nergens tegen. Ze hebben van alles: radio, auto, televisie en al die gedingsigheden meer, maar tevreden - ho maar. Dat trouwt maar en loopt even hard weer van mekaar: net blikken keteltjes, meteen koud als ze van 't vuur af zijn.
Gart is nog wel ziek geweest, deze zomer, gezond ziek. Hij zou op doktersbevel halve dagen werken, om wat kalmer aan te doen. En daar houdt hij zich wel aan: halve dagen werken. Maar dikwijls gaan er twee halve dagen ineen hele dag. En daar was hij op een namiddag bij de meester even de haag wezen knippen - toe maar. Gart is niet groot, de haag wel. Hij had van de meestersvrouw een keukenstoel geleend, was daar op gaan staan en toen kon hij ook de bovenkant knippen. Totdat de stoel zijdelings wegzakte in de zwarte aarde en Gart tegen de grond ging. Asjeblief - de pols gebroken! De rechterpols nog wel. Zei z'n moeder vroeger al niet, dat de kruik zo lang te water ging ... ? Nu zag hij, dat ze toch gelijk had gehad. Nog nooit van een keukenstoel gevallen en de eerste de beste keer - een pols gebroken.
De dokter had het gauw gerepareerd. Maar toen het gips er af kwam, stond zijn hand scheef. Geen mooi gezicht, vond Gart. maar het moest nu zijn tijd maar uitdienen. Vandaar. Nu werkt hij echt halve dagen, een per dag en alleen op adressen, waar hij graag komt.
Hij werkt trouwens niet meer met, die jongemannerskracht. En we ontzien onze beste vriend ook terdege. Er wordt dus wat meer gebabbeld, wat meer koffiepauze gehouden. En Gart vertelt wel. Dorpspraat.
Van die weduwe, waar hij het gazon maaide en die zo vreselijk kon huilen. Hij had haar precies gezegd waar het op stond: "ja meid", had hij gezegd, "ik kan je ook niet helpen". - En dan het grote gezin, waar 't vorig jaar geen kindje was gekomen; maar nu was er een gezonde tweeling, dus dat was ook weer in orde.
Met die kwasi-vrome ouderling had Gart al weer woorden gehad.
"Foei toch, Gart, en waarom dan wel?" Wel, die had Gart gevraagd, hoe hem de preek van de nieuwe schoolmeester was bekomen. Gart had gezegd: de preek was goed, maar hij duurde zeker een kwartier te lang. Als hij klaar was moest de meester amen zeggen en niet alsmaar herhalen. De ouderling was verschoten van kleur: Gart durfde wel heel wat op zijn ziel te laden, vond hij. Maar Gart verwees hem naar de krant: daar stond juist deze week in, dat de kerkdiensten zeker zes tot zeven kwartier moesten duren - anders hadden de vrouwen er de moeite van het mutsen-plooien niet voor over.
Deze week had Gart met Kees staan praten; ja Kees, van Kees en Griet. Komt daar een slee langs. Met heer en dame. Raampje gaat open. Zegt die meneer: "ik moet naar Ernst". Zegt Gart: "dat moet jij weten, meneer, maar ik ga niet mee". Zegt die meneer: "ik moet naar Ernst!". Zegt Gart: "nou, doe dat dan meneer!". Begint die mevrouw te schateren en gilt: "vraag de weg dan, sufferd". Zegt die meneer: "ja, de weg, hoe kom ik in Ernst?" - "Nou zeg dat dan" had Gart gezegd: "je auto staat al in de richting en als je Gortel maar rechts laat liggen kom je vanzelf in Ernst". Zo, die waren naar Ernst en Kees had het in de broek gedaan van het lachen; wat is Kees nou gewend? Maar zulke mensen menen, dat ze die boerenkereltjes zo wel kunnen bestellen!
Terwijl hij in de keuken vertelt, komt de schoorsteenveger aan de achterdeur. De beide hondjes, Babs en Noortje, vliegen tegen de deur op, de haren overeind. Gart zal de man wel even binnenlaten. Maar die houdt de deur met zijn klomp tegen en piept angstig: "dat lijkt me een gevaarlijk hondje, niet?" - "Dat grijze ding, ja", zegt Gart bemoedigend, "dat is een heel ondeugend kreng. Er hangen hier al verscheidene vellen, die hij leeggevreten heeft." Gart neemt Noortje onder de arm en de schoorsteenveger daalt angstig naar de verwarmingskelder af. "Wat is zo'n grote kerel ook pepsimistisch", knort hij; "daar heb ik nou echt geen beklag mee".
En hij vertelt van vroeger. Van Aart Floep, het gemeenteraadslid, heeft meneer die nog gekend? Ja, die had officieel een andere naam, maar hij heette algemeen Floep, omdat hij net zo vlug van kerk veranderde als van politieke partij. Een nieuwe burgemeester had hem per abuis meneer Floep genoemd.
En hij vertelt van de zomeravonden, vroeger. Als de bosbessentijd voorbij was, ging hij vaak met de gasten het bos in, naar wild kijken.
Nu ja, dat lukte wel eens niet en dan moest hij het gezelschap een verhaal of "lagende" vertellen of zo. Om ze zoet te houden. Een van zijn beste verhalen ging over keizer Franz Joseph. Die had net een deserteur ter dood veroordeeld, toen een jong meisje gratie voor haar vriend kwam smeken. De keizer had haar een raadsel voorgelegd; als ze dat op rijm kon beantwoorden, zou haar deserteur gratie krijgen.
Het raadsel luidde:
Zeg mij: wat is een koning, een koning zonder land?
Zeg mij: wat is het water, het water zonder zand?
Zeg mij: wat is een sleutel, die op elk slotje past?
Zeg mij: wat is een spiegel, een spiegel zonder glas?
En volgens Gart had het meiske prompt geantwoord:
Een koning op een kaart, dat is een koning zonder land; het water in mijn ogen, dat is water zonder zand;
het geld, dat is een sleutel, die op elk slotje past;
een hart vol ware liefde, dat is 'n spiegel zonder glas!
En natuurlijk had de deserteur gratie gekregen. Gart gelooft nog aan zoete romantiek. Waarom niet?
Maar nu moet Gart ons vertellen, hoe zijn relatie is tot Aart van RuIer. Ja ook zijn buurman Aart - maar vooral zijn relatie tot de pas overleden hoogleraar. En dan komt het verhaal, langzaam en nadenkend, maar nauwkeurig.
Waar nou die jonge Aart van Ruler woont, op de Booneberg, daar woonde vroeger Aart's grootvader, Berend Boone. Vandaar dat die berg Booneberg heet. Toen Berend zou trouwen haalde hij zijn stoelen nog uit Deventer - ja lopende, met de kruiwagen! En de vrouw van Berend - die was hij vergeten. Nu, Berend had een dochter gehad, dat was zoveel als Geertje Boone, en die Geertje was getrouwd met Gerrit van Ruler. Hun zoon Aart woont dus nu op de Booneberg en zijn kampeerbedrijf heet nu Beans Hill. Zodoende.
En waar die Gerrit van Ruler vandaan kwam? Nou, geen vijfhonderd meter verder, in de bocht van 't dorp, had de oude Aart van Ruler gewoond. Een erg vrome man, hij was gemeentearbeider geweest. Zijn schaapskooi staat daar nog altijd, tegen het Karkenhul aan. Aart was getrouwd geweest met Niesje van den Brink. Ze gewonnen zonen en dochteren, die twee. Behalve Gerrit, die dus met Geertje Boone was getrouwd, hadden ze ook nog een Willem en een Hendrik gehad; die waren naar Indië gegaan. Dan een dochter Johanna Hendrika, die was met ene Panhuis getrouwd geweest. Dan had je nog een zoon Jochem van Ruler, die was met Gart's zuster Gerritje gehuwd geweest; meneer kent haar wel, die dikke schommel, die op haar oude dag nog hertrouwd is. En de zoon Dirk van Ruler was als bakkersknecht naar Apeldoorn getrokken. Die had daar een zoon Aart gehad, die prefester was geworden. Jawel, net als Wisse was ook prefester Aart achter de bakkerskar begonnen: zo leerde je brood uitdelen. Maar de prefester moest dus tante zeggen tegen Gart's zuster Gerritje; zo zat dat.
Gart heeft na de boerderijbrand, waar nu de Gloeiende Gerrit staat, opdracht gekregen het puin op te ruimen en weg te laten brengen.
Daar vond hij wat ijzeren spullen tussen, die hij heeft mogen houden.
En laat daar nu een ouderwetse blaaspijp tussen zitten, die niemand vandaag zou herkennen - als hij hem vroeger niet zelf had gebruikt.
Gart heeft hem vroeger gekend, de bloaspupe. Je hield het ondereind in het vuur en blies in het boveneind, om de haard op te jagen. En brandde die lekker, dan hing je de blaaspijp aan een haak op. Als HKH de bloaspuup hebben wil, voor bij de haard, dan moet ze hem schuren en poetsen met kachelpotlood. "Dank je wel, Gart, maar wat gaat me dat kosten?" - "Een vriendelijk gezicht", zegt Gart, "dat is mijn doordeweekse tarief".
Hij kent nog een oud versje over de blaaspijp:
Wat heur ik doar? 't Is net of ze doar buten
hard an et sloan bint op de ruten!
Doar hè' je 't weer, et wordt niet better,
en wat is dèt noe veur gekletter?
Ze houwt er met een hamer op
gunst, noe schoeven ze 't roam al op
met de stopverf bint z' an 't stèkken,
om al de ruten eruut te brèken.
Ik zie geen broodmes, ook gien hiepe *)
ho wacht, doar hangt de bloazepiepe ...
Maar nu zit hij zijn tijd te verkletsen, verdikke. Zonde van zo'n mooie dag, met vorst op til. Van elke dag moet Gart straks rekenschap afleggen, zegt hij. En van elk ondoordacht woord ook! schrikt hij. Toch blijven zijn ogen lachen.
Daarom gaat hij spooi'n: met de spade de dahlia-knollen boven halen.
Er zou toch vorst komen? En liggen de labels al klaar? Hij legt ze wel gesorteerd in de kelder: jongens bij jongens en meisjes bij meisjes.
*) Hiepe = hakmes.