Literatuur en beeldende kunst in de christelijke traditie
1974-10-25
• Literatuur - Jaargang 18
- nummer 39
De hoge plaats die Calvijn de muziek toekent binnen de christelijke gemeente valt niet ten deel aan de literatuur en de beeldende kunst. Het onderscheid tussen profane (op de wereld betrekking hebbende) literatuur en geheiligde (op God betrekking hebbende) literatuur spitst Calvijn echter minder toe dan men zou vermoeden. Het is opvallend dat Calvijn een humanistisch schrijver als Rabelais om zijn grappen echt kan waarderen, Alleen bedoeld anti-religieuze en antigoddelijke kolder wijst hij af.
Behalve dat Calvijn's gedegen klassieke opleiding hier ongetwijfeld zal meespelen, is datgene waardoor Calvijn in de literatuur wordt geraakt de kracht en de expressie van de gedachte. Het spreekt haast vanzelf dat de Heilige Schrift zelf voor Calvijn de inspiratiebron is geweest. tot zijn schrijfstijl toe. In navolging van de Heilige Schrift behoort goede literatuur zich dan ook in dienst te stellen van God.
Algemene criteria voor het schrijven zijn eenvoud en oprechtheid.
Vorm en inhoud moeten volkomen op elkaar zijn afgestemd, waarbij de gedachte zo rijk maar tegelijkertijd zo sober mogelijk zijn expressieve vorm dient te kiezen.
Dit betekent in de eerste plaats dat er veel in weinig woorden gezegd dient te worden. Verder, dat de gedachte vanwege haar inhoud schoon is en niet vanwege haar versieren, haar vorm; met andere woorden de vorm is secundair.
Aan de gedachte zelf moet eigenlijk al het "overtollige" worden opgeofferd, inclusief de persoonlijkheid van de schrijver en zijn fantasie. Wanneer de schrijver zichzelf nederig wegcijfert, komt dit namelijk ten goede aan de uitbeelding van zijn onderwerp. Deze "trouw aan het object" is een stijlprincipe dat men in de renaissance trouwens vaker aantreft.
De inhoud van de gedachte wint aan rijkdom wanneer de expressie sober wordt gehouden. Calvijn denkt hierbij aan het Johannesevangelie, waarin geen spoor van ijdele rhetoriek wordt gevonden, maar waarin de schrijver geheel instrument in Gods hand is geworden.
Het inzicht dat God schenkt wordt rechtstreeks doorgegeven, zonder tussenkomst van de subjectieve mens.
De heldere visie, inzicht in het heilige, profetie is echter voorbehouden voor de uitverkorenen.
Het is mogelijk, maar niet geheel aantoonbaar, dat Calvijn hier heeft gedacht aan de christenschrijver.
Het betekent dat de schrijver ook een profetische taak terwille van Gods Koninkrijk heeft te vervullen. Zijn werk wordt dan met name voor de christelijke gemeente van groot belang. Calvijn heeft dit echter nergens uitdrukkelijk zo vermeld.
• Beeldende kunst
Wat de beeldende kunst betreft is het 11e hoofdstuk van Calvijn's Institutie van groot belang. Dit gehele hoofdstuk dat bestaat uit 16 paragrafen, staat in het teken van de beeldendienst en de afgoderij die daarmee verband houdt. Byzantium en de vroegchristelijke kerkvaders hebben op grond van de incarnatie – het Woord van God dat de gestalte van vlees en bloed heeft aangenomen - gemeend dat het afbeelden van Christus en alles wat met Zijn geboorte, leven, lijden, sterven. dood en opstanding samen: hangt geoorloofd was. Het is een gelovige conclusie die tot strekking heeft dat het goddelijke op symbolische wijze moet worden uitgedrukt ter bevestiging van de christelijke leer. Deze symbolische - niet: naturalistische - afbeeldingen (iconen) waren bedoeld als "boeken voor de leken". Zij werden aanvankelijk als heenwijzing naar God vereerd.
maar later ook afgodisch aanbeden omdat men meende dat God, Christus, Maria of de heiligen in deze beelden werkelijk zichtbaar en tastbaar aanwezig waren.
Calvijn noemt met name Theedesius en Constantius die diegenen vervloekten die niet wilden dat de beelden aanbeden werden en beroept zich op de profeten, arostelen en martelaars die het immers ook zonder beelden hebben moeten stellen. Hij wijst op de door Karel de Grote uitgevaardigde zgn. "Libri Carolini" welke de beeldenverering weerlegden en verboden.
Waar beelden worden geplaatst, meent Calvijn, steekt de afgoderij de kop op.
Als enige “beelden" erkent hij dan ook slechts de sacramenten van Doop en Heilig Avondmaal, die God door Zijn Woord heeft geheiligd.
Calvijn schaart zich in de rij van de vele kerkvaders die tegen de beeldenverering hebben geageerd en geschreven, zoals Clemens van Alexandrië, Lactantius, Eusebius en Augustinus. Calvijn citeert Augustinus wanneer deze stelt dat het niet alleen zonde is de beelden te aanbidden, maar ook ze voor God op te stellen. (De Civitate Dei IV. 9 : 31.) Dit citaat mist overigens zijn doel omdat Augustinus zelf hier Varro citeert die wil aangeven dat men de éne God Jupiter zowel met als zonder beelden kan aanbidden.
Maar Calvijn's bedoeling is duîdelijk: reeds de voor-reformatorische kerk is opgekomen tegen misstanden die samenhingen met deze beeldenverering; des te erger is het dat deze afgoderij binnen de kerk heeft kunnen voortwoekeren!
Toch is het opvallend' dat Calvijn door zijn scherpe reactie tegen deze misstanden uit het oog heeft verloren wat de oorspronkelijke bedoeling van de beelden is geweest, terwijl hij elders toch vaak een geestelijke maatstaf aanlegt.
De Bijbelse schriftplaatsen die de iconen-vereerders tot hun verdediging aanvoerden *) - men leze het onlangs in het Nederlands verschenen werkje van Johannes de Damascener "Tegen hen die de heilige iconen smaden" - weerlegt Calvijn niet, maar acht ze slechts een vernuftige verdraaiing van de waarheid en het tweede gebod.
Ik heb reeds gewezen op het natuur-genade schema dat in Calvijn's denken nog een belangrijke rol speelt bij de beoordeling van de beeldende kunst.
Ten aanzien van de beeldendienst ben ik verder van mening dat Calvijn ondanks de schijnbaar koele argumentatie toch van zo'n emotionele anti-roomse gezindheid blijk geeft, dat ook daardoor de beeldende kunst niet werkelijk mogelijkheden wordt geboden, bijvoorbeeld vanuit een exegese van Exodus 31. Slechts één klein paragraafje (12) handelt over het zuiver en wettig gebruik van de schilder- en beeldhouwkunst.
Slechts datgene wat voor de ogen zichtbaar is, mag geschilderd en gebeeldhouwd worden: de natuur, de gewone dingen, mensen, gebeurtenissen en geschiedenissen.
Voorop blijft daarbij staan dat Gods eer niet bezoedeld mag worden. Het genieten van kunstwerken noemt Calvijn weliswaar, maar zijn voorkeur gaat uit naar stichtelijke onderwijzing, Hoezeer men ook het standpunt kan toejuichen dat de beeldende kunst van het juk der kerkelijke voogdij is bevrijd - Calvijn's visie impliceert dat de kunst moet seculariseren omdat zij zich op geen enkele wijze met de heilswaarheden mag bezighouden.
Zwingli merkte in dit verband nuchter op dat de goddelijke natuur van Christus niet kon worden afgebeeld omdat wij aan de volle goddelijkheid geloven, maar dat de menselijke natuur van Christus niet vereerd mocht worden omdat deze ons niet verlost heeft.
Er is bij Calvijn geen sprake van dat een kunstwerk ten dienste zou kunnen staan van God en het komende Godsrijk Het is niet voor niets dat ik eerst de muziek. daarna de literatuur en tenslotte de beeldende kunst heb behandeld, want het feit dat bij Calvijn het geestelijke overheerst boven het materiële impliceert de volgende hiërarchie van de verschillende kunstuitingen: muziek, literatuur, schilderkunst, architectuur, beeldhouwkunst en dans. De door God aan de mens geschonken creatieve gaven zijn voortdurend verplicht God eer te bewijzen. Daaruit blijkt m.i. dat de verzoening in Christus bij Calvijn niet zodanige betekenis heeft, dat deze garven - in Christus vrijgemaakt - nu kunnen worden ingezet voor Gods Koninkrijk, op een niet-wettische manier.
Het kunstwerk is door Calvijn terecht gewezen en onschadelijk gemaakt. Het behoort tot het rijk der "natuur" en mag daar wellicht nog enig maatschappelijk nut hebben, maar geestelijke betekenis heeft het zeker niet.Op zijn best is de beeldende kunst voor Calvijn niets anders dan wat zij voor de middeleeuwse mens was, nml, een "preparatio evangelica"
(een voorbereiding op het evangelie). zoals in de Griekse Oudheid de kunst een voorscholing was voor de wijsbegeerte.
Misschien kunnen wij stellen dat de secularisering van de kunst door Calvijn werd geactualiseerd, nadat deze door Thomas van Aquino was voorbereid. Thomas stelde dat de kunst in zedelijk opzicht goed noch slecht was. Hij deed dat in navolging van Aristoteles die het artistieke gehalte van een kunstwerk voor het eerst in de geschiedenis bewust loskoppelde van het ethische gehalte.
Thomas onderscheidde het artistieke strikt van het christelijke in een kunstwerk. Hij zegt het zelfs zo; dat alleen die kunst christelijk is, die christelijke denkbeelden vertolkt,maar dat het artistieke daarbij onaangeroerd blijft. De kwaliteit van een kunstwerk wordt bij Thomas niet door de inhoud bepaald, maar door het artistieke vakmanschap. Daarmee is het “probleem" van de christelijke kunst weggeredeneerd!
Calvijn plaatst de kunst op het natuurlijke niveau, waarbij het aardse, het bestaande, het materiële als zodanig geen plaats krijgt. Het mag alleen bestaan, strikt genomen, als het verwijst naar God. Maar wij zagen reeds dat wanneer Gods genade de mens heeft aangeraakt. de zichtbare schoonheid als schijnschoonheid werd ontmaskerd. De gelovige mens laat de kunst dus achter zich, omdat zij het heil slechts in de weg kan staan. Anders gezegd: door het dilemma van geest en materie, heeft Calvijn met de beeldende kunst eigenlijk geen raad geweten.
*) Het heeft wellicht zin om op bedoelde argumentatie nader in te gaan. Johannes zegt b.v. dat wij immers verlangen Christus' spiegelbeeld te zien, zoals de heilige apostel zegt: Nu zien wij nog door een spiegel in raadselen, (maar straks van aangezicht tot aangezicht)" (1 Cor. 13: 12).
Daaruit blijkt dat het icoon niet bedoeld is om het geestelijke op een platonische wijze te verzelfstandigen, maar dat het bedoelt vooruit te grijpen - en te wijzen - op het werkelijk aanschouwen van God, dus op het komende Godsrijk op aarde.
Ten aanzien van het tweede gebod stelt Johannes dat wij dit geestelijk hebben te verstaan (2 Cor. 3 : 6). Het gaat hier om een verbod van beelden waaraan de volkeren rondom Israël eer bewezen in plaats van aan God. (Ex. 34 : 12-17).
Het afbeelden van de onzienlijke God geschiedt omdat Hij om onzentwille ons vlees en bloed heeft gedeeld (Hebr. 2: 14), d.w.z. het aanschouwde vlees Gods wordt afgebeeld.
Nu het geloof is gekomen zijn wij niet meer zoals het volk Israël onder de tuchtmeester, (Gal. 3: 25) maar zijn wij door ons geloof met Christus bekleed en hebben wij in Hem de gave des onderscheids ontvangen.
Wanneer de onzichtbare God in het vlees zichtbaar is geworden hebben wij de vrijheid om een gelijkenis te maken van degene die wij gehoord en gezien hebben en waarmee wij bekleed zijn.
Het gaat Johannes tenslotte om de bedoeling van de iconen, die waarachtig en oprecht is: zij worden ter ere van God gemaakt, tot ijver voor de deugd, het ontvlieden van de zonde en tot heil van onze zielen.
(Matth. 13: 16)