Over Van Ruler

1974-10-25
  • Jaargang 18
  • nummer 39
In zijn mens-beschouwing komt Van Ruler keer op keer tot de krasklinkende manier van zeggen dat de mens tegenover God Zijn mannetje moet staan. Daarbij staat hem het woord des HEREN tot Ezechiël voor ogen: mensenzoon, sta op uw voeten. (2 : 1) Men kan over de mens slechts spreken in zijn relatie tot God.
Daarbij keert Van Ruler zich sterk tegen dezo vroom klinkende slagzin: God alles - de mens niets. In de verbondsrelatie wordt de mens juist als partner geroepen in een "tegenover", (een "gegenüber") t.a.v. God te staan. Niet diep onder God, en ook niet gelijkwaardig naast Hem, maar tegenover.
In deze tegenover-positie krijgt de mens de ruimte, de vrijheid, de armslag, om zelfs God en zijn daden te beoordelen, gelijk Job met God te twisten, of als Jacob met God te worstelen.
In deze positie mag de mens zelfs God "zegenen", zoals God de mens zegent. Telkens weer stuit men in de gemeente op een gevoelsbezwaar tegen dit "zegenen"
van God door de mens. Men proeft daar hoovaardij in. De bijbelvertalers gebruiken dan ook liever het woord “prijzen". Maar er stáát werkelijk: zegenen. En de oude psalmberijming had dan toch de moed in ps, 145 te laten zingen wat er ook staat: "Uw gunstvolk zal verblijd U zegenen, Heer". Uw gunstvolk, d.i. Gods verbondsvolk. Als zijn partners zijn we geroepen tot loven en prijzen, zegenen en verheerlijken van de God des verbonds. En in dat zegenen zit een element van beoordeling.
Het griekse woord voor zegenen betekent: goed spreken, goed oordelen over iemand. Geen kwaad spreken, maar, goed spreken van God: daartoe zijn we geroepen en worden we bekwaamd. We liggen maar niet in aanbidding in het stof (oud-gereformeerd), maar staan voor God recht overeind.
En dan komt bij Van Ruler die uitdagende formule: "Hij staat zijn mannetje" . . . (tegenover God!) maar er ook meteen verklarend achteraan: "Hij zegt zijn lof". (b.v. in "Waarom zou ik naar de kerk gaan", p. 30) Daar hangt een en ander mee samen en daar volgt een en ander uit:

• In de eerste plaats wat Van Ruler noemde "de zonzijden van de zonde".
Alweer zo'n opzienbarende manier van zeggen. Zonde is geen lot, maar schuld. Daar is de mens op aan te spreken. En dat is zijn eer. De mens kan wat. Hij kan zondigen. Hij kan het kwaad in het aanzijn roepen. Zoals God het goede in het aanzijn geroepen heeft, zo heeft de mens het kwade in het aanzijn geroepen. De mens staat in zijn vrijheid. Hij is meer dan een radertje in de machine, meer dan een golfje in de oceaan.
Meer dan de planten en de dieren.
Die kunnen niet zondigen.
De mens wel. En dat is het zonnige in de zonde. De mens is geen tragisch wezen. Geen lot. maar schuld. Geen slachtoffer, maar op zijn schuld aan te spreken. Dat is de hoge eer van de mens. (Zie "Blij zijn als kinderen". P. 83-91) En hiermee stelt Van Ruler zich blijmoedig op tegenover een defaitistische, pessimistische levenshouding.
Pleit hij voor levensaanvaarding.
En tegen mensen, die zo diepzinnig zitten te piekeren over "de zin van het leven", kan hij uitroepen: je moet er zin in krijgen! "Dat is geloven, dat je er plezier in krijgt, dat je het leven en jezelf aanvaardt en beaamt.
met lust en met liefde! Zin krijgen in het leven is oneindig ,belangrijker dan zin in vinden" (Blij zijn ... ", p. 23).

• In de tweede plaats hangen met de plaats van de mens "tegenover" God samen bij Van RuIer het werk van de H. Geest in verhouding tot het werk van Christus en de verhouding ambtgemeente.
Bij zijn verlossingswerk kan Christus geen mens gebruiken, maar de H. Geest zet ons juist weer op onze benen "tegenover" God. Daarom gebruikt Van Ruler de belaste term "synergisme" graag in het kader van de Geest, terwijl hij krachtig vasthoudt, dat ze in het verlossingswerk van Christus totaal onbruikbaar is.
(Zie "Reformatorische opmerkingen ... ", p. 103) Dus niet soteriogisch staan wij in een synergistilogisch, maar wel pneumatolosche verhouding tot God, en geen hiërarchische. In de zondeval stonden we op tegen God en vielen we af van God en raakten we onder God. Maar door de Geest wordt dat weer anders. Niet dat we dan naast God komen, maar tegenover Hem, voor zijn aangezicht.
En deze verhouding behoort zich te weerspiegelen in de verhouding ambt-gemeente. Er is wel een "tegenover" van ambt en gemeente, maar geen hiërarchische ordening. Er is wel gezag, maar het is het gezag van het heil en van de liefde en het hart moet het heil als heil beseffen en er zo onder bezwijken. (a.w. p. 103-4) Zo kan Van Ruler gewagen van de Maria-gestalte van de gemeente.
Tegenover... de bode des HEREN met zijn evangelieboodschap betaamt de gemeente het geloofsantwoord van Maria: mij geschiede naar Uw Woord, en door de Geest in beslag genomen werkt zij met Hem mede.
Ja, hij kan zelfs de opzienbarende stelling poneren, dat de vrouw de eigenlijke mens is. (Zie zijn radio-
overdenkingen van Marc. 14-16, p. 132, 146-153), zonder daarmee een lans te willen breken voor het feminisme, integendeel, maar wel als uitvloeisel van zijn mensbeschouwing. De vrouw is als laatste uit Gods handen gekomen.
Als zij er is hoeft God niets nieuws meer te bedenken.
Bij de schepping de laatste, is ze bij de val en verlossing de eerste.
De man doet ook wel mee. Adam eet ook. en na de verrijzenis van Christus komen de discipelen ook wel weer opdagen, en zij worden tot ambtelijke getuigen van de opstanding. In het apostelschap komt de vrouw niet voor. Dat betekent geen onderwaardering van de vrouw, de kennis en zekerheid van de opstanding beginnen zelfs bij haar. Maar zij moet, vrouw,
zij moet mens blijven, de laatste en de eerste, de eigenlijke. Zij kan zichzelf blijven, maar de mán wordt gebruikt voor het ambt, hij moet God vertegenwoordigen.
En zo weerspiegelt zich in de man-vrouw verhouding, de verhouding Christus-ambt-gemeente, zie Efeze 4.
Bij de begrafenis van Jezus zijn de vrouwen de laatsten, en bij zijn opstanding de eersten. En zo maken zij het allereigenste mee van het leven en van de dood, van zonde en heil, van vleeswording en verrijzenis. De vrouw is receptief, ze laat het op zich aankomen en stelt er zich voor open.
En daarin kan zij bij uitstek het "tegenover" afbeelden van de mens in zijn verhouding tot God.

• In de derde plaats heeft het synergistisch "tegenover" in de verhouding van God en de mens bij Van Ruler zijn uitwerking gekregen in zijn gedachten over de theocratie. Maar daarover afzonderlijk in een volgend artikel.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief