De prediking van de Nadere Reformatie
1974-11-01
Allerwege wordt vandaag nagedacht en geschreven over de krisis in de prediking. In alle boeken en artikelen die zich met deze krisis bezig houden wordt gewezen op de konkurrentie van moderne kommunikatiemethoden. op het verzet tegen wat genoemd wordt de monologisch-autoritaire struktuur van de prediking, op de toenemende gekompliceerdheid van het leven, waardoor het gewoon onmogelijk wordt voor één man om In zijn preek daar recht aan te doen. Deze en andere faktoren doen vandaag velen twijfelen aan de noodzaak, ja aan het bestaansrecht van de prediking.- Jaargang 18
- nummer 40
Tegen deze achtergrond vraagt de chr. geref. dr bT. Brienen onze aandacht voor de prediking van de Nadere Reformatie (N.R.). Op dit onderwerp promoveerde hij 31 mei jl, in Kampen (Oudestraat).
In zijn studie doet hij een onderzoek naar de klassifikatiemethode zoals die binnen de N.R. gebruikt wordt.
J. Veenhof heeft in 1970 in dit blad geschreven dat de N.R. grotendeels nog een onontgonnen gebied is. W. van 't Spijker schreef onlangs in de Wekker in een bespreking van Brienens studie dat de N.R. een gekompliceerde beweging was die tenslotte verloopt, verglijdt, verwordt. Dit geeft al voldoende aan dat dr Brienen een uiterst boeiend maar ook bizonder weerbarstig thema heeft aangesneden, dat, denk ik, in onze kringen geen algemene bekendheid zal genieten. Zelf ben ik er via A. A. van Ruler mee in aanraking gekomen, die opkomt voor een herwaardering van de N.R. Dr Brienen heeft willen aantonen dat de N.R. een heel eigen preekmethode erop na heeft gehouden, die ook door verwante bewegingen, te denken valt bijv. aan het engelse puritanisme, niet in strikte zin werd gedeeld. Dr Brienens konklusie is dat met deze methode de N.R. zich ver verwijderd heeft van de inzet van de grote reformatie, van bijv. het werk van Calvijn. "Alleen via wezensvreemde invloeden kon de prediking van Calvijn worden tot wat ze was in de Nadere Reformatie." p. 296. Ook staat de N.R. met haar klassifikatiemethode niet op één lijn met de bijbelse beloften-prediking, p. 297. Geen gering oordeel, te meer niet als men bedenkt dat een chr. geref. auteur tot deze konklusie komt en die op p. 234 van zijn studie schrijft: "Een kleine stroom (in de chr. geref. kerken) richt zich in de prediking op de klassen van de hoorders en spreekt hen met een heilsordelijk gestruktureerde boodschap toe.
Voor alle duidelijkheid eerst even een plaatsbepaling van deze beweging.
Ik geef de omschrijving door waar dr Brienen zich bij aansluit: na de synode van Dordt 1618/19 drong deze beweging aan op voortgaande reformatie. gericht op de praktijk der godzaligheid, de heiliging des levens, het persoonlijk verkeer met God (zo A. F. N. Lekkerkerker). De N.R. verzette zich tegen de a-dordtse dorre en doodse orthodoxie waar wel de leer maar niet de beleving van de leer het volle pond kreeg.
In hun prediking kreeg dit streven van de N.R.-predikers heel duidelijk gestalte.
Dr Brienen tekent uitvoerig hoe er in de kringen van de na-dordtse orthodoxie gepreekt werd. De explikatie nam vrijwel alle ruimte en tijd in beslag. En die explikatie was dan ook zeer uitvoerig met vertoon van veel geleerdheid, waarin op scholastieke wijze tot in het eindeloze werd geanalyseerd, terwijl de preken bol stonden van de polemiek tegen allerlei al dan niet vermeende tegenstanders, waarbij dan nog kwam de neiging tot allegoriseren. Bij Voetius kwam er verandering in dit vaste patroon. De voetiaanse predikers gaven ruime aandacht aan m.n. de applikatie, de toepassing.
Juist in die toepassing lag de kracht van de N.R.-prediking.
In de explikatie vertoonden deze predikers vaak dezelfde manko's als hun andere kollega's.
Maar in de toepassing werd breed uitgehaald om de hoorders de heiligheid Gods en de eigen zondigheid voor ogen te stellen. Aangedrongen werd op een hartelijk, persoonlijk en gevoelig kennen van de waarheden der leer en de gemeenschap in Christus. Maar dan ook vanzelf zijn gevolgen moest hebben in de praktijk van het leven.
Ook de oproep tot zelfonderzoek ontbrak niet. De boete-toon klonk zwaar in deze prediking.
Als verzet tegen de burgerlijke dommel waarin de kerk na Dordt 1618/19 gevallen was, was deze inzet van de N.R heel goed te begrijpen. Ook het verzet tegen een kennis der waarheid zonder doorleving daarvan valt niet moeilijk te aksepteren. Terecht zag de N.R in dat de zuiverheid van de belijdenis, hoe noodzakelijk ook en ten zeerste door de Schrift geboden, nog geen waarborg is voor een Godverheerlijkend leven, P. 72.
Deze inzet en aanzet van de N.R.prediking mag vandaag zeker nog aandacht hebben. W. van 't Spijker schrijft t.a.v. het geheel van de N.R (de Wekker. 2-8-'74, p. 328): "Daarom is de Nederlandse Beweging van de Nadere Reformatie te beschouwen als een poging tot werkelijke reformatie van heel het leven. De eerste vertegenwoordigers ervan waren ook de vertegenwoordigers van de Reformatie".
Vandaar de moeite en de relatie tussen de Reformatie en de N.R te schetsen. "Men komt hier nooit uit, wanneer men niet binnen de Nadere Reformatie zelf een duidelijk onderscheid aanbrengt tussen een eerste en tweede periode". En: "Maar in haar eerste aanzet is de beweging zuiver reformatorisch". Vandaar ook dat wij zeker veel kunnen leren, nog altijd, van deze eerste aanzet.
Maar op die eerste aanzet kwam een minder te waarderen vervolg, waar dr Brienen ons uitvoerig over inlicht. De aandacht werd sterk verlegd naar het innerlijke leven van de gelovige. Vandaar de religieus-psychologische inslag die de N.R-prediking kreeg. De prediking werd bevindelijk. Op zich een goede zaak - zie J. Douma hierover nog onlangs in de Reformatie, 14-9-'74, P. 372. Maar men ging er op den duur toch de ziekelijke kant mee op. En tenslotte (F. A. Lampe) werd de N.R-prediking uitsluitend en alleen opgezet naar de klassifikatiemethode.
Hier moeten we toch even stil staan bij die klassifikatiemethode.
Wat moet daaronder verstaan worden?
In deze methode gaat het erom dat de hoorders (in de gemeente van Christus) worden ingedeeld in staten, standen en klassen.
Allereerst zijn er twee staten van bekeerden en onbekeerden. Tussen beide staten ligt wat genoemd wordt de grote caesuur. Beide staten zijn weer onderverdeeld in allerlei standen. In de staat der bekeerden treft men de bekommerden, de gelovigen en de verzegelden aan. In de staat der onbekeerden is er een hele serie standen die van onverschilligen en onkundigen loopt tot aan de slapers en liefdelozen, p. 159.
En verdere onderverdelingen waren gebruikelijk. Zo werd het mogelijk aan te geven in welke klasse (staat en stand tesamen) men zich bevond.
Op den duur werd een vaste route met vaste stations uitgestippeld om van de onbekeerde in de bekeerde staat te geraken. En van die route kon men niet afwijken.
En aan de hand van dit vastgestelde schema moest men in staat geacht worden aan te geven hoe ver het gevorderd was met de groei van zijn geestelijke leven.
Vandaar de oproep tot hulp van de klassifikatiemethode bij dit zelfonderzoek leiding moest geven, leiding geven bij de geestelijke groei van de individuele gelovige.
Het laat zich verstaan dat de gemeente, "een gemengde hoops volks", een meervoudige toepassing behoefde. Iedere klasse moest apart worden toegesproken, vermaand of vertroost.
Inzijn studie analyseert dr Brienen een groot aantal preken van N.R-vertegenwoordigers, die ondanks allerlei verschillen in ieder beval de grote caesuur handhaven en laten funktioneren in de prediking.
De herkomst van deze methode zoekt dr Brienen in de na-reformatorische scholastiek en in de middeleeuwse mystiek; er lopen lijnen van de moderne devotie van een Geert Groote naar de N.R Dr Brienen licht ons ook in over de motieven van de N.R-predikers om deze methode te gaan gebruiken. Ze voerden een bijbels motief aan. Teksten als: 2 Tim. 2 : 15. Rom. 15: 16. 2 Cor. 2: 15 e.v. werden aangehaald. Natuurlij-
k ook de gelijkenis van de zaaier, wiens zaad niet opdezelfde plaats valt. Zie p. 196. 199.
Confessioneel motief: behalve naar de Leerregels van Dordt met hun spreken over verkiezing en verwerping werd ook verwezen naar de H. Cat. o.a. met zijn indeling in de bekende drie stukken.
Pastoraal kozen ze voor deze methode omdat ze in de volkskerk van die dagen stonden. Dr Brienen noemt het voorbeeld van Middelburg met zijn 20.000 zielen, bewerkt door slechts 12 predikanten bijgestaan door 24 ouderlingen en 24 diakenen. Die situatie vroeg eenvoudig om een publiek uitoefenen van het pastoraat via de prediking. Wat een meervoudige toepassing onderscheidenlijk preken via deze klassifbkatiemethode begrijpelijk maakt. Zie p, 202.
Maar, zegt dr Brienen op p. 242, deze motivatie is achteraf aangevoerd om "als steunberen bij het gebouw van de klassifikatiemethode" te dienen. Ze vormt dus niet de eigenlijke bron ervan.
Het lijkt mij duidelijk dat deze klassifikatiemethode niet maar een methode, een formele zaak dus, is die de inhoud van de prediking verder niet zou raken. Deze studie van dr Brienen laat zien dat deze methode het Woord en zo ook de prediking wringt in een harnas waar ze naar hun aard niet zich thuis kunnen voelen.
Wat de aard van het Woord en de prediking aangaat sluit dr Brienen zich ondermeer aan bij wat C. Veenhof daarover geschreven heeft in "Prediking en Uitverkiezing", en zo ook bij Calvijn. De gereformeerde prediking is de levende verkondiging van het Woord van God voor zijn verbondsgemeente met de oproep tot geloof en bekering en met geestelijke leiding voor die geloven in de situaties van hun tijd. Zie p. 306.
Tegenover de klassificering stelt hij de totalisering van de gemeente als de verbondsgemeente wie de beloften golden, hoofd voor hoofd. en die geroepen is tot geloof in de Heere Jezus.
En van hier uit valt het niet moeilijk ernstige kritiek uit te oefenen op de prediking van de N.R. en op alle prediking die naar deze methode wordt opgezet ook vandaag nog in verschillende kerken van gereformeerde signatuur.
Al met al een belangrijke studie die dr Brienen ons geboden heeft, waarvoor hem onze dank toekomt.
Dat er op zijn studie ook kritiek uit te oefenen valt, laat zich verstaan, gezien de onontgonnenheid en gekompliceerdheid van de N.R. Tijdens de promotie is er ook het een en ander ingebracht tegen de opzet van de studie.
Maar bij mij overheerst de lof.
Te meer ook daar in de voortgaande gesprekken tussen chr. gereformeerden en vrijg. gereformeerden, waarin de prediking zo'n centraal thema is, dit boek van dr Brienen een welkome bijdrage kan leveren om te komen tot wederzijdse overeenstemming.
N.a.v.: T. Brienen, "De Prediking van de Nadere Reformatie",
Een onderzoek naar het gebruik van de klassifikatiemethode binnen de prediking van de Nadere Reformatie.
Uitg. Ton Bolland, v.h. H. A. van Bottenburg B.V., Amsterdam, 1974. Prijs f 29,50.