Over Van Ruler
- Jaargang 18
- nummer 40
Evenals Martin Luther King heeft ook Van Ruler zijn droom gedroomd, de droom van de theocratie.
Zie zijn kort na de oorlog verschenen grote trilogie: Religie en Politiek, Vaart en Visie, Droom en Gestalte.
Een citaat uit het 2e boek: "Bezweken onder de overmacht van Gods onbegrijpelijke genade vraagt de kerk om een christelijke staat. Dat is het profetisch visioen, stralend en brandend, waarvan de kerk van Jezus Christus al de eeuwen door geleefd heeft en waarom zij in telkens weer andere vormen geworsteld heeft: een gemeenschap, nationaal en politiek en sociaal en economisch en cultureel, waarin de mens zichtbaar en tastbaar en aards, in de gestalten van het dagelijks leven.
God zou dienen en dat er zo volkeren, continenten, culturen zouden zijn, die in al de geledingen van hun wereldse bestaan God zouden loven". (p. 30) We zagen de vorige keer, hoe Van Ruler de mens ziet in zijn staan "gegenüber", tegenover God, en hij staat daar voor Gods aangezicht om Zijn Naam te prijzen!
Daarin vinden we maar niet de zin van ons leven, maar krijgen we er ook zin in. Wanneer we liturgisch bezig zijn, "tegenover"
God, maar niet alleen in de kerk, maar ook als we de straat op gaan en in de staat bezig zijn.
Van Ruler noemt politiek bezig zijn een heilige zaak. Naar zijn smaak is de gelovige daarin het meest liturgisch bezig. En ook de overheid is daarin liturgisch bezig.
Van Ruler mag graag verwijzen naar Rom. 13, waar Paulus de overheid noemt Gods diaken (vers 4) en Gods liturg (vers 6).
Er was wel moed voor nodig om met deze theocratische gedachten naar voren te komen. zo kort na het nationaal-socialistisch experiment, want ook de N.S.B. had geijverd voor een "Godbelijdende staat". Maar het werd een "Godbelijdende staat". die ten' prooi viel aan de demonie van een nieuw heidendom. Ze bedoelde geen theocratie in die zin, dat de God van Abraham, Isaac en Jacob zou regeren, maar ze beoogde een staat, die zichzelf tot god uitriep en de onderdanen dwong hém als een god te vereren.
Wanneer uit reactie hierop de roep om de neutrale staat sterk wordt, wijst Van Ruler een weg, die uitnemender is. Niet de staat, die zichzelf tot God verheft, en ook niet de neutrale staat, maar een staat, die zich stelt onder en luistert naar het woord van de God van Israël. de Vader van Jezus Christus.
Waar blijven we met een neutrale staat, vraagt Van Ruler zich af.
"Wordt dan niet elk besef uitgewist hiervan, dat de levende God èn de afgoden wonen op de aarde?
Wonen er van nu voortaan alleen maar ménsen op aarde?
En waar zal dan in al die menselijkheid de naam Gods nog wonen op aarde?" (a.w. p. 128 en 185) Van Ruler ziet de politieke orde als een zaak van de hoogste, ja heilige orde. Ze betekent de bedwinging van de chaos en de ordening van het leven overeenkomstig de wet van God. en dan de vólle wet, in haar beide tafels.
Het gaat in de politiek om een ordening, waarin de mens èn het heil voor elkaar bewaard worden; ja het gaat om de uitbreiding van het heil over de ganse oppervlakte van het bestaan.
Wanneer de apostelen worden uitgezonden met het evangelie, gaat het niet maar om behoud van zielen, 'maar van het hele bestaan: ze moeten vólkeren met het evangelie aanspreken en de Geest gaan volken en culturen kerstenen.
De tijdruimte tussen hemelvaart en wederkomst van Christus geeft daar volop gelegenheid voor. Van Ruler is van mening, dat deze ongedachte tijd, ons geschonken, een andere interpretatie vereist dan de puur eschatologische. Overspannen toekomstverwachting heeft geen oog voor het werk van de H. Geest tussen pinksteren en parousie. Hij schept politiek gevormde culturen als plaatsen, waar de naam Gods op aarde woont. En zowel overheden als onderdanen mogen daarin Gods medewerkers zijn, in de Geest.
Waar zullen we zowel inspiratie als model voor zulk een theocratische ordening anders en beter vinden dan in het Oude Testament?
Was dat niet de Bijbel van Israël, voor Jezus en voor de apostelen? Van Ruler gaat zo ver, dat hij het O.T. noemt de eigenlijke Bijbel en het N.T. niet meer dan een lijstje met vreemde woorden en hun verklaring achterin.
(Zie zijn twee lezingen over de waarde van het O.T. in Religie en Politiek, p. 123-149) Een uitspraak, die men als zovelen van hem met een korreltje zout moet nemen!
Maar er school in zo'n krasse uitspraak toch wel zoveel ernst, dat hij vrijmoedig vanuit Deuteronomium het pleit voerde voor een theocratisch socialisme. In de lijn, dacht ik, van wat prof. Goudzwaard nog onlangs in ons blad heeft gepubliceerd.
Het zou ons te ver voeren om na te gaan in hoeverre de theocratische gedachten van Van Ruler verschillen van wat het G.P.V. nastreeft. Als ik me niet vergis heeft een man als dr Verbrugh, lid van de Tweede Kamer voor het G.P.V -, ooit onder invloed gestaan van Van Ruler.
De droom der theocratie heeft bepaald de tijd niet mee. Terwijl Van Ruler vol waardering kon spreken over het Constantijnse tijdperk, juicht men algemeen het ten einde lopen daarvan zeer toe.
Waardeerde Heering dit tijdperk niet als 'de zondeval van het christendom'? En ziet Boerwinkel in het einde van dit tijdperk niet de dageraad dagen van een nieuw begin? (Zie zijn "Einde of nieuw begin").
In 1947 schreef Van Ruler aan het eind van zijn dissertatie over "De vervulling van de Wet": "De kerstening van de staat, de maatschappij en de cultuur is een droom, die het hart van allen die de Heere kennen in liefde verteert". (p. 533 )