Onze Vader

1974-11-08
  • Jaargang 18
  • nummer 41
• Aanziens des persoons

Jezus is niet meer op aarde. Soms denk je: was Hij er maar wel 't Zou zo makkelijk zijn even naar Hem toe te gaan - als dát nu eens bij een reis naar Israël inbegrepen was ...
Kijk, dat denk je wel als het over Jezus gaat, maar niet Over God.
Bijna niemand zegt: wat zou het plezierig zijn even naar God toe te kunnen gaan. Zo vertrouwd als Jezus ons is, zo vreemd en veraf en ongenaakbaar is God. We hebben nog steeds niet goed door wat Jezus tegen Filippus en de andere discipelen zei: wie Mij (aan het werk) gezien heeft, heeft de Vader, het Gód gezien!
Is 't Gods bedoeling ons wat meer op een afstand te houden? Maar Jezus spreekt over God als over "de Vader" - in het evangelie van Johannes niet één maar wel honderd keer. Zo spreekt Hij God zèlf aan, zo zegt Hij dat wij met Hem mogen spreken.

• Kloof zonder brug?

Ook in Jezus' dagen leek de afstand tot God als een kloof zonder brug. Weliswaar was de tijd voorbij, dat Israël met behulp van een gesneden beeld, een gouden kalf God onder handbereik meenden te kunnen brengen. Maar het denk-beeld, dat Israëls Schriftgeleerden van God hadden ontworpen, was nog veel erger. Israëls voorgangers leerden de gemeente Gods naam te verzwijgen. Die ontroerende naam Jahweh, waarmee de gelovigen elke keer elkaar eraan herinnerden: Hij is present, Hij is er!
Wie in het bezit is van de israëlische postzegelserie met afbeeldingen van synagoge's, mag zich gelukkig prijzen. De uitgifte werd onmiddellijk gestaakt toen Israëls ultra-orthodoxen (de Chassidim) ontdekten dat de naam Jahweh op een van de zegels zichtbaar werd. Dié naam onder de stempelinkt - onvoorstelbaar! En wij "de onrechtvaardige Mammon" maar kronen met het randschrift "God met ons" ...
De bergrede is nog veel aggressiever dan wij denken. Vergroot de schriftgeleerde de afstand tussen God en mens, Jezus leert: zeg maar Vader, als je met God spreekt (Mt. 6: 9). Dat is wel 't tegendeel van een onuitsprekelijke naam: wat is er alledaagser dan "Vader"?

• Familiariteit?

Jezus kent God als geen ander (Joh. 1 : 18). Als Hij het zegt, beoogt Hij met deze familie-naam geen familiariteit. God zelf heeft zich immers allang zo voorgesteld - heet Adam niet herhaaldelijk de zoon van God? En als God zegt: Mijn zoon heb Ik uit Egypte geroepen (Hos. 11 : 1), wat kan dat dan anders betekenen, dan dat Hij Israëls Vader wil zijn?
Zegt Israël - in beter dagenniet zelf: ... U bent toch onze Vader (Jes. 63:16,17; 64:8)?
God wil aan mensen, die tastend in den blinde zoeken of zij Hem vinden mochten, zichzelf maar al te graag bekend maken. Daarom zoekt en vindt Hij namen die de mensen aanspreken.
Maar wat moeten wij ons bij die vader-naam voorstellen? Iedereen kent vader Abraham. Onwillekeurig hoor je al die dreinende deun ... had zeven zonen. Mis - Abraham had veel meer zonen. En dochters. Als hij zijn neef Lot gaat bevrijden, trekt hij eropuit met 318 man, "die in zijn huis geboren waren" (Gen. 14 : 14). Nee dat waren echt niet zijn eigen kindertjes, lijfelijk zonen. Maar voor dat legertje, mét hun vrouwen en kinderen, was Abraham wèl "vader Abraham". Zo spreken de Joden in Jezus' dagen ook nog over hem: ... onze vader is Abraham (Joh. 8: 39). Hij heet zelfs vader aller gelovigen (vgl. Rom. 4: 11, 12). En komen we een jood tegen, dan het het nog: een zoon van Abraham.

• Patriarchaal!

Wat houdt dat nu in: Vader Abraham?
Dat horen we uit de mond van Job, een tijdgenoot van Abraham: tot ogen was ik voor de blinde en tot voeten voor de kreupele; een vader was ik voor de armen ...
ik redde de ellendige die om hulp riep, de wees en die geen helper had, en het hart der weduwe deed ik jubelen!
Job 29 : 7-16; vgl. Ps. 72 en 146 Abraham is "vader" voor heel de familie-Elan, stam-vader, de hoogste, familie-rang. Bij hem kunnen ze allemaal terecht met hun zorgen en vragen: "Vader" spreekt zowel van autoriteit, erkend gezag, als van liefdevolle verzorging.
Niemand komt bij hem te kort, ook niet "die geen helper heeft".
Daarom zal ook wel de oudste zoon "twee delen" van de erfenis krijgen (vgl. Eliza's verzoek aan Elia), een dubbel erfdeel. Dat is geen kwestie van voortrekken: straks is die oudste zoon "vader" van de familie. En mét alle rechten erft hij ook alle plichten. Van hem wordt algemene bijstand verwacht. Dan is een dubbel erfdeel echt niet te veel!
Komen er bezoekers in Abrahams tent, dan wordt verwacht, dat hij ze ontvangt en hun een maaltijd bereid. Zelfs tot de inmiddels op zichzelf wonende Lot strekt zijn zorg zich uit. Heel het alledaagse leven van zijn huis, valt onder zijn zorgen, inclusief wijze rechtspraak - het bewaren van de vrede.

• Jong geleerd

Als jullie bidden, zegt dan: onze Vader, die in de hemelen zijt, leert Jezus. Er is een afstand, letterlijk en figuurlijk. Maar geen kloof zonder brug: er valt met Hem te praten. Over van alles en nog wat. Over grote en kleine, over alledaagse en heel belangrijke dingen. De weduwe kan bij Hem terecht en die geen helper heeft. Maar de oudste zoon ook.
Zo goed als de jongste, die van ellende maar teruggaat naar huis - een veelzeggende gelijkenis in dit verband. De deur staat immers voor ieder open, die Hem als Vader erkent?
God wil àlles voor ons zijn. En wij mogen ons kind aan huis weten, met al onze problemen.
Grotemensen- en kinderproblemen.
Kleinigheden en zaken van leven en dood.
God wil weer Vader voor ons zijn. De "vertrouwensman" van de mensen, in alle opzichten. 't Is typerend wat de knappe Paulus in de moeilijke brief aan de Romeinen schrijft over het werk van de Heilige Geest. Het allereerste is: gij hebt ontvangen den Geest van het zoonschap, door Welken wij roepen: Abba - Vader.
Abba - eemma, ons papamama, zijn klanknaboosende woorden; het zijn de eerste, on willekeurige, geluiden die een baby maakt, waarvan wij vertederd gemaakt hebben: hij "zegt": papa, mama. En daarop zinspeelt Paulus.
Het eerste werk van de Heilige Geest is, ons "abba" te leren zeggen, als een klein kind dat zich koestert in de liefde van vader en moeder. Worden - en zijn - als een kind tegenover Vader: het abc van het geloof.

• Beeld-spraak

God "Vader" noemen houdt in: je gedragen als Zijn kind. De israëliet mocht geen beeld van God maken. Hij was geschapen om beeld van God te zijn. Gods kind zijn en Gods beeld zijn valt samen (vgl. Gen. 1 : 27 met Gen. 5 : 1-3). Dat houdt meer in dan het kinderlijk vertrouwen dat de H.
Catechismus noemt. Jezus kreeg de vraag voorgelegd: toon ons de Vader. Zijn antwoord was duidelijk: wie Mij (aan het werk) gezien heeft. heeft de Vader gezien. De vraag: toon ons de Vader, laat God eens zien, is nog niet uitgestorven.
Gods kinderen moeten hetzelfde antwoord kunnen geven als Jezus: wie ons (aan het werk) gezien heeft, heeft God gezien.
Dat is niet oneerbiedig en te hoog gegrepen of horizontalistisch. Jezus schaamt zich niet ons broeders en zusters te noemen. Hij zegt duidelijk: als gij bidt, zeg dan: onze Vader ... Hij herstelt de oorspronkelijke situatie: wij zijn geschapen om Gods beeld te zijn, om onze hemelse Vader op aarde te representeren: te spreken zoals Hij zou spreken, te handelen zoals Hij zou handelen (1 Pt. 4 : 11). Dan is het niet teveel gevergd te eisen: wie Gods gemeente ziet, moet God zèlf zien.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief