Dr C. Rijnsdorp zijn literair dagboek

1974-11-08
  • Jaargang 18
  • nummer 41
Donderdag, 19 september jl., vierde dr C. Rijnsdorp zijn tachtigste verjaardag. 's Middags werd hij gehuldigd in een van de NCRVstudio's aan de Schuttersweg in Hilversum.
De jubilaris kreeg een koninklijke onderscheiding (bij bevordering), zijn door Roelof Koning geschilderd portret werd aangeboden, de receptie was zeer druk bezocht. Dr Okke Jager, die de voorzitter van het huldigingscomité mr W. F. de Gaay Fortman moest vervangen, hield een prachtige feestrede. Deze feestelijke middag had naar mijn indruk twee uitschieters. In de eerste plaats moet genoemd worden, dat die middag het literair dagboek van de jubilaris in boekvorm hem aangeboden werd. De tweede uitschieter was het 'seigneurale' dankwoord dat dr Rijnsdorp uitsprak.

De redaktie van het dagblad Trouw heeft er goed aan gedaan deze toespraak van dr Rijnsdorp (enigszins gewijzigd) te publiceren in het nummer van zaterdag, 28 september jl.
Het literair dagboek vraagt nu onze aandacht. Dit dagboek is ingeleid door dr Rijnsdorps persoonlijke vriend dr G. Puchinger. En Puchinger begint zijn inleiding met de typering: "Het hierbij uitgegeven Literair Dagboek biedt in de strikte zin een verslag van een innerlijk leven.
Het beschrijft een geestelijke levensperiode (1940-1950) die achteraf niet alleen een middenstuk vormt van een arbeidzaam leven, maar tevens als een nauwe bergpas zou kunnen worden gekwalificeerd, waar het schrijversleven van dr C. Rijnsdorp doorheen moest, aleer hij werd wat hij voor velen thans is: de bekwame, rijpe criticus, die mede uit eigen levenservaring anderen de weg wijst in vragen van religie en cultuur."
Hij citeert als motto voor zijn inleiding de woorden van H. Marsman (uit: Tempel en Kruis): "De tocht door de kloven was steil" .

Hoe dr Rijnsdorp zijn taak als christen-literator opval blijkt uit door de heer Puchinger gegeven citaten uit brieven van Rijnsdorp aan P. J. Risseuw.
Dr Rijnsdorp schrijft aan Risseeuw: ik zoek de strijd niet, maar ik otloop die evenmin.
Dit is een belangrijke zin. In het dagboek en in de inleiding maken wij opnieuw kennis met een rustig, evenwichtige en fijnbesnaard mens.

Enkele citaten uit het dagboek: "Wat is tenslotte 'vaart' in het leven? Een dahlia groeit snel en een eik langzaam, maar elke plant groeit met het tempo dat erbij past. 'Vaart' is een betrekkelijk begrip. Zijn de sterren minder levend, omdat ze 'langzaam' gaan?
In een zeer grote ruimte verliest zich de snelste 'vaart'. De levensruimte om ons heen bepaalt het subjectieve beeld van de 'vaart'.
Laat niemand 'achterblijven' in de bijbelse zin van Paulus' en Petrus' vermaningen in de brieven - bij de vaart, die bij zijn ruimte past en waarnaar hij geoordeeld zal worden." (36) "Als er iemand is, van wie men niet zeggen kan dat hij het in enige vakwetenschap tot iets gebracht heeft, dat hij het beste deel van zijn dagen aan de beoefening van een of andere kunst heeft gewijd of dat hij zo heeft geleefd, dat het klinkt als een goed verteld verhaal, maar van wie men erkennen moet, dat van de bewegingen van het menselijk hart en de menselijke geest hem weinig is ontgaan - is zo iemands leven niet toch ook zinvol te noemen?" (48) "De natuur is zo ontroerend eerlijk.
Een oude boom geeft zich geen moeite zich jonger voor te doen dan hij is.
Dicht bij de dood leven is nog niet dicht bij God leven.
Onuitroeibaar diep zit in ons de behoefte aan pralen". (49) "Het is een van de meest intense vreugden die op aarde mogelijk zijn, en uiting van geloof te horen uit de mond van een van je kinderen". (51) "Een kunstenaar is een boom die God ergens heeft geplant: in een zekere tijd, in een zekere bodem en onder bepaalde klimatologische omstandigheden. Daar waar hij staat moet de boom zien te groeien en vrucht te dragen. Of het maximum rendement uit hem gehaald wordt, hangt van Gods plan met hem af. Bloeien waar hij staat, of anders zonder klacht dood gaan, is de wet van de boom en van de kunstenaar. (... ) Er zijn ook heel wat kunstenaars die zich aan actualiteit verslingeren en feitelijk tot reizende journalisten of oorlogscorrespondenten degenereren.
Het woord klinkt hard, maar het is niet onjuist. Journalist.
in vrede en oorlog, thuis en in den vreemde, is een mooi beroep, maar de kunstenaar heeft, met of zonder beroep, een roeping.
Die roeping brengt mee, dat men zich niet aan de actualiteit verslingert en toch in die actualiteit weet wat men te doen heeft". (60, 61) "Hoofdzaak is: of God mij gebruiken wil in datgene, wat ik dan toch gewonnen heb en geworden ben. Wil Hij dat, doet Hij dat, dan verstommen alle vragen: of ik wel mag en kan meespreken, of ik de moeite waard ben, of ik wel voldoende weet wat ik wil enzovoort. Want iets van een zoeker behoud ik toch; ik blijf vragend over mijn eigen leven gebogen. Als nu uit deze spontane concentratie op studie eens een spontane concentratie op een romanfiguur ontstond. Als God eens gaf ... o Here, geef mij een taak, geef mij een plaats, laat mij niet ongebruikt.
Laat mij in uw handen vallen en niet in handen van mensen." (114) "God ziet niet alleen wat wij doen, maar ook de gevolgen daarvan tot in geslachten. Zo kan ons leven gezegender zijn dan wij wel weten. Wij zien onszelf te weinig als schakel in de keten der generaties." (143)

In deze citaten komt iets naar voren van het kenmerkende van een christen-literator.
Dit kenmerkende is wat Geerten Gossaert (prof: F. C. Gerretson) christelijk dichterschap noemde: " ... het is tenslotte niet meer dan een verzuchting van de ziel tot God, dus eigenlijk niets anders dan gebed" (F. C. Gerretson, Verz. Werken I, 648). Dr Rijnsdorp heeft zijn dagboekaantekeningen hoofdzakelijk in de oorlogsjaren gemaakt. Nooit heeft hij gedacht deze te publiceren.
Het zijn strikt persoonlijke aantekeningen, die niet vertroebeld worden door de gedachte aan lezers voor wie men schrijft en met wie men moet rekenen.
In dit dagboek trilt de hartzenuw van de literator als de snaar van een viool. Een snaar, die vibreert in de spanning tussen zonde en genade, om opnieuw met Gerretson te spreken.
Uit dit literair dagboek leert men daarom dr Rijnsdorp kennen, zoals hij is. In dit dagboek klopt zijn hart.
Vorig jaar schreef ik in Antirevolutionaire Staatkunde (juni/julinummer 1973) een artikel ‘Dr C. Rijnsdorp als cultuurcriticus'. Dit artikel verscheen vorige zomer eveneens in Opbouw.

In dit artikel besprak ik enkele bekende boeken van dr Rijnsdorp.
Namelijk: 'In de greep van het reusachtige', 'In het spanningsveld van de Geest', 'Wij zijn de vaders' en 'Balkon op de wereld'.
In dat artikel werd geschreven over de betekenis van deze studies van dr Rijnsdorp in politicis.
Naar aanleiding van dat artikel schreef een lezer mij een lange, vriendelijke brief, waarin hij o.m. het volgende vroeg: Dr Rijnsdorp zegt, dat wij in de greep van het reus-achtige leven. D.w.z.wij leven in de geborgenheid en in de beschutting van het reus-achtige van de calvinistische of gereformeerde traditie met een meer of minder herkenbaar gedrags- en denkpatroon. Gezinnen, kerken, scholen, verenigingen en vriendenkringen belichamen deze beschutting en houden haar tegelijk in stand. Dr Rijnsdorp heeft kritiek op deze wijze van leven. Niet dat tradities verkeerd zijn. Zij vormen onze achtergrond, maar wanneer men zich er aan overgeeft en er zich kritiekloos door laat leiden vervalt men tot traditionalisme.
Rijnsdorp pleit voor een bewust christelijk leven. Mijn briefschrijver gaat verder: heeft dr Rijnsdorp zelf ook niet steeds in de greep van het reusachtige geleefd en zijn werk in dienst ervan verricht? Heeft hij ooit het risico aangedurfd om buiten het reusachtige terecht te komen?
Maakt het niet een goedkope indruk, dat iemand, die nu tachtig jaar is en die groot geworden is in de 'Kuyperiaanse wereld' waar hij zo veel aan te danken heeft, nu op het reus-achtige van deze wereld kritiek gaat hebben?
Mede voor wie deze en dergelijke vragen wil beantwoorden is het goed dat het literair dagboek verschenen is. Ook uit zijn roman "Mijn vader, mijn vader" (1946) blijkt hoezeer dr Rijnsdorp met de problemen van zijn tijd bezig geweest is. Dit blijkt ook uit de talloze recensies die hij van allerlei boeken schreef. Hij doet zich kennen als een behoedzaam, wikkend en wegend recensent. Nooit hakt hij met een botte bijl. Ook schrijft hij zijn lezers geen beoordeling voor. Hij laat bepaalde problemen zien en roept de lezer op daarin zèlf een standpunt te bepalen.
Uit het literair dagboek blijkt ook duidelijk, dat dr Rijnsdorp met de problemen van zijn tijd bewust bezig is. Oorlogsgebeurtenissen spelen door dit dagboek heen. Er wordt gesproken over Van Deyssel, Leopold en anderen.
Persoonlijke en gezinservaringen worden beschreven, beter: uitgebeeld.
En in alles staat het geloofs- en gebedsleven centraal.
Juist in dit dagboek is dr Rijnsdorp een zelfstandig en eerlijk kritikus, die wikt en weegt, die kiest en keurt, die meeleeft en meelijdt, Zonder dikdoenerij wil hij proberen zichzelf en zijn lezers enigszins uit de greep van het reusachtige te halen. Wij hebben van onze kerken en organisaties onbeweeglijke 'bouwwerken' gemaakt.
Synodes, reglementen en concilies zijn onevenredig belangrijk geworden. Hij wil, voorzover hij daartoe geroepen wordt, een bijdrage leveren om de mensen op hun eigen 'geloofsbenen' te zetten.
Hij geeft nooit af op het verleden, maar toetst bet zo scherp mogelijk. In kerkelijk tumult en in politieke twisten vraagt hij, of er niet veel onheilig vuur brandt en of het echte vuur niet door een al te dikke laag as van tradities is bedekt.
Hij prikt door de veel geciteerde volzinnen van belijdenisgeschriften heen, doorziet kerkelijke formules en wil doorstoten naar het wezen van de zaak: het hart van de mens en zijn verhouding tot de God van het Evangelie. Daarbij ontziet hij zichzelf niet!
Wat wij in zijn latere essays als evenwichtige gedachten lezen, vinden wij in zijn literair dagboek als gedachteoverwegingen terug van een man die karakter, kunst en kennis weet te kombineren.

N.a.v. C. Rijnsdorp.
Literair Dagboek (1940-1950)
Uitg. J. H. Kok, Kampen 1974,
159 blz. f 19,50.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief