HET NIEUWE LIED

1974-11-15
  • Jaargang 18
  • nummer 42
De essentie van de liturgie is ons doordeweekse bedienen van de blijde boodschap aan deze wereld; waartoe op zondag onze accu bijgeladen wordt in de samenkomsten der gemeente.

Veelal worstelen we met vragen als: kunnen wij die interkerkelijke psalmberijming nu al zingen? Is die wel beproefd en door een synode accoord bevonden? En is dat nieuwe "Liedboek voor de Kerken" wel geschikt voor ons? Overtreden we de kerkelijke regels niet, door daar op eigen houtje aan te beginnen? *)

Jawel. Dat zijn de vragen. En laten we met de psalmen beginnen.

Als u bezwaren tegen de interkerkelijke berijming hebt en liever de oude (uit 1773) blijft zingen, moet u wel sterk in uw schoenen staan.
Want eerstelijk ligt het voor de hand, dat een berijming van twee eeuwen oud zichzelf taalkundig overleefd heeft. En dat heeft ons oude psalmboek inderdaad: er staan talrijke, talloze uitdrukkingen in, die vandaag andere of in 't geheel geen inhoud hebben (zag u ooit strikken van vuur en zwavel regenen?); er staan werkwoordsvormen in, die wij niet meer kennen (ontsteken voor ontstoken); ook woorden die wij niet meer gebruiken, niet weinige. Wie een grappig Kanaäns dialect wil spreken, gebruike termen uit de oude psalmberijming.

Maar vervolgens ligt het evenzeer voor de hand, dat deze berijming, stammend uit zulk een geestelijk ingezonken tijd, vervaardigd door een overheid, die de kerkelijke lakens uitdeelde, vrij ver van de Schrift afdwaalt. De vele malen dat de deugd (deugdzaam, resp. het pad der deugd) wordt aangeroepen; de onnozele wijze, waarop over God, Schepper van hemel en aarde, gesproken wordt (Oppervoogd, Opperwezen); de stoplappen (Zo doe Hij ook aan mij - Weer steeds alle smart - Hij en anderen meer) en de verlegenheidsoplossingen wijzen niet op veel inspiratie, dat is: openstelling voor de heilige Geest.

Integendeel; taalkundig en Schriftkundig is onze oude psalmberijming van zulke kwaliteit, dat zij - vandaag onze kerken aangeboden geen schijn van kans op invoering zou maken, noch bij taalkundigen noch bij theologen. Is dat boud gezegd? Welnee, de toenmalige ds K. Schilder schreef dit een halve eeuw geleden in zijn boek Bij Dichters en Schriftgeleerden; in welk boek hij de eerste 20 psalmen onder de loupe nam en als onbruikbaar terzijde wierp. Nog eens: wie vandaag de berijming van 1773 prefereert boven een eigentijdse, moet betere argumenten vinden dan KS in 1926 ontdekte.

Maar er is nog een punt. Als de theologen wat meer gedaan hebben dan elkander napraten - en dat hebben ze gelukkig, al zijn sommigen erg volgzaam - dan hebben ze grote beletsels, die foutieve vertalingen en onbegrepen woordgebruik opwierpen, opgeruimd. Dan staan de psalmen ons Bijbellezers veel nader dan in vorige eeuwen mogelijk was. En dan wensen wij het goud van Gods Woord glanzend terug te zien in verzen, die niet alleen letterkundig goed lopen - maar die ook Gods Woord zingbaar maken, zonder dat we telkens struikelen.
En zonder een groot deel van de psalmen terzijde te leggen... als graatjes op de rand van ons bord. Het feit, dat tachtig procent van onze psalmen practisch niet gezongen werd, maakt elke verdediging van deze berijming hachelijk.

Ook is er nog een vierde punt. Sedert het pionierswerk van prof dr J. D. du Toit en van ds H. Hasper hebben we de oorspronkelijke ritmische wijzen hervonden. We hebben ontdekt, dat een lied bestaat uit een vers plus een melodie; en dat deze twee moeten kloppen op elkander. En we hebben ontdekt, dat de berijming van 1773 volstrekt niet klopte op de gerestaureerde melodieën; omdat die melodieën al sedert Datheen (1566) waren opgeofferd aan kreupelrijmproducten.
Ook om redenen dus van gezonde volkszang, die bij de wereld geen lachlust opwekt, is het voor ons zaak een psalmbundel te vinden, die aan het muzikale peil van onze tijd beantwoordt, een eigen geestelijk kenmerk draagt - maar ook voor buitenkerkelijken verstaanbaar is

Welnu, deze eeuw heeft verscheidene nieuwe psalmberijmingen voortgebracht.
We denken aan ds H. Hasper, wiens berijming officieel in de synodaal Gereformeerde Kerken is aanvaard - hoewel even later verdrongen. We noemen de bundels van ds L. W. Muns en van drs Joh. Luykenaar Francken We denken ook aan het werk, door een comité verricht, dat onze kerken een eigen berijming wil aanbieden.
En eindigen met de interkerkelijke psalmberijming, door de synodaal Gereformeerde Kerken aanvaard, evenals. door de Nederlands Hervormde Kerk en door verscheidene vrijgemaakte Gereformeerde Kerken, binnen en buiten een kerkverband, alsmede door Christelijke Gereformeerde Kerken.

Het gaat niet aan, deze diverse producten nauwkeurig te vergelijken binnen het kader van een causerie of artikel. We hebben lange jaren psalmberijmingen helpen beoordelen, als lid van de Stichting Psalmgezang, als psalmdeputaat en als bestuurder van de Gereformeerde Organistenvereniging. En deze ervaring versterkt slechts het diepe respect, dat wij hebben voor allen, die zich aan deze enorme taak hebben gezet. Dit vooropgesteld. Psalmen berijmen is een moeilijke bezigheid, die God de kinderen der mensen gegeven heeft.

Wanneer we ons echter momenteel beperken tot de Interkerkelijke Berijming is dat vooral om praktische redenen. Dit boek is in verreweg de grootste oplagen beschikbaar, wordt in het grootste deel der reformatorische kerken gezongen, wordt in NCRV-, EO- en andere uitzendingen gebruikt, wordt waarschijnlijk op de scholen het meest gezongen en wordt in tal van onze "eigen" kerken acceptabel geacht.

Deze berijming is nu 7 jaar geleden definitief vastgesteld; zes jaar tevoren was er een proefbundel van uitgegeven; de kennismaking kan dus genoegzaam heten. De berijmers waren aanvankelijk Fedde Schurer, Mart. Nijhoff en prof. dr K. H. Miskotte. Later vormde zich een dichtersbent van ds W. Barnard (Guillaume van der Graft), A. C. den Besten, prof. dr K. Heeroma (Muus Jacobse), G. Kamphuis, W. J. v. d. Molen, prof. dr J. W. Schulte Nordholt en ds Jan Wit.

Een interkerkelijke werkcommissie, die in 1958 als subcommissie aan de Stichting voor Psalmberijming werd toegevoegd, had prof. dr G.
Kuiper als voorzitter en dr H. Schroten als secretaris. Tot die werkcommissie behoorden mede de hebraici prof. dr M. A. Beek, prof. dr W. H. Gispen en prof. dr Th. C. Vriezen; de muziekdeskundigen A. C. Schuurman en drs M. Geerink Bakker; de letterkundige dr C. Rijnsdom; en de dichters Barnard, den Besten, Heeroma. Schulte Nordholt en Wit. Voor de Chr. Geref. Kerken vervulden ds A. Bikker en J. Lelsz luisterposten tot zij door toetreding van hun kerken als leden werden opgenomen. Voor de Vrijgemaakte Geref. Kerken traden als waarnemers op prof. H. J. Schilder (later drs H. de Jong) en de musicus M. Lok.

Leden van de Interkerkelijke Stichting voor Psalmberijming zijn thans de Nederl. Hervormde Kerk, de Geref. Kerken in Nederland, de Chr. Geref. Kerken, de Doopsgezinde Sociëteit, de Remonstrantse Broederschap en de Evangelisch-Lutherse Kerk. Voorzitter is dr P. G. Kunst, secretaris ds F. H. Landsman.

Als u zich over deze namen buigt ziet u, dat een groot deel van de Nederlandse Reformatorische Landkaart erbij betrokken is; en dat zeer kundige vogels van zeer uiteenlopende pluimage dezelfde psalmen kennen, liefhebben en zingen. Dat pleit niet tegen de berijming; dat pleit wel voor de vogels.

Dan de vraag: is het juist dat "onze" kerken maar vast met die berijming zijn begonnen, eer een kerkelijke commissie de zaak heeft geaccordeerd en een generale synode haar fiat heeft gegeven? U stelle die vraag niet aan schrijver dezes - zijn antwoord kunt u raden.
Maar zegt u zelf eens: waar zetelt die synode, die ons gezegde vrijmoedigheid zou moeten verlenen? Moeten we daartoe soms eerst zulk een synode benoemen en opdracht geven? Zo ja - kunnen we die omweg niet omzeilen? Waarom eerst een synode gezag verlenen om u daarna voor dat gezag te buigen? Wijlen prof. dr S. Greijdanus zei eens: een generale synode bestaat uit knechten van knechten van knechten van de kerkeraden, Laten we daarom niet al te benauwd zijn voor een beetje mondigheid, ons in het Evangelie geschonken. Te Jerusalem staan de stoelen des gerichts: dat is in de kerken - niet alleen in Assen of Hoogeveen of zo.

Eigenlijk geldt hetzelfde voor het Liedboek voor de Kerken. Het kwam uit in 1973, bevat 491 liederen mitsgaders de 150 psalmen van de interkerkelijke stichting. De bundel dient onder meer ter vervanging van de Hervormde bundel van 1938 en ook van de (synodaal) Gereformeerde bundel van 119 Gezangen (uit 1964) alsmede van de Hervormde proefbundel van 102 Gezangen uit 1965. Deze gezangenbundel is niet voor één kerk bedoeld maar voor "de kerken"; uiteraard mede voor scholen, huisgemeenten en gezinnen. De kerken, hiervoor bij de nieuwe psalmberijming opgesomd, hebben deze bundel aanvaard.

In dit nieuwe Liedboek staan dus liederen, die ook door Remonstranten, Doopsgezinden en Protestantenbonders worden gezongen. Jawel.
En (afgedacht van het feit, dat deze mensen dus ook de psalmen en vele, vele goede christelijke liederen in handen krijgen) het is denkbaar dat daar liederen naar hun keus in gekomen zijn, die wij niet zouden willen zingen. Goed. Niemand verplicht ons alles te zingen, wat in die 491 liederen staat. Maar stel nu eens, dat er wel 25, wel 50, wel 100 liederen in staan, die wij om onzes gewetens wil echt niet in de kerkdienst durven te zingen ... zo iets is toch denkbaar? Dan blijven er altijd nog 391 of meer gezangen over, die we wél willen zingen en dat maakt op de prijs van het boek niets uit.

Verschillende van onze kerken zijn aan dit Liedboek begonnen. Met blijdschap denk ik en met zegen. Wanneer we ernst maken met de vele malen herhaalde oproep uit de Schrift dat we nieuwe liederen zullen zoeken om onze God en Vader te lofzingen, dan moeten we maar niet afwerend staan tegenover een boek vol nieuwe liederen.

Het gaat te ver, in dit kader het nieuwe Liedboek breed te doorvorsen.
Het is voor u trouwens niet nieuw meer; velen van ons hebben op zondagavonden televisie-uitzendingen beluisterd, waarbij uit dit Liedboek werd gezongen. De meeste keren was dit een ontroerende ervaring.
Een nieuw lied - dat is: de oude lofzangen in onze eigen taal, op moderne melodieën, met eigentijdse instrumenten, in koor- en gemeentezang, met snarenspel en orgel. Verheugend is het, dat zo vaak naar de Bijbel wordt gegrepen om het juiste woord te vinden; dat de heilige historie als historie wordt aanvaard; dat de oude schatten als nieuwe worden uitgestald en een nieuwe, diepere inhoud blijken te hebben dan vroeger vermoed werd. Kortom: hier hebben we met serieus werk te doen, zoals eens in de twee eeuwen gevonden wordt.
Weldoordacht, geïnspireerd, verstaanbaar en van uitnemende kwaliteit.
Het kon wel eens de laatste liederenbundel zijn, die voor de grote verdrukkingen het licht mocht zien. Laten we er blij mee zijn.



*) Dit zijn nog altijd de in Emmeloord uitgestalde (niet ingestelde, zoals de zetter vorige week dacht) uitgestalde gedachten. Slot volgt aanstaande week

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief