De vreugde van de liturgie (slot)
1974-11-22
We hebben een goed woord gedaan voor de meest verbreide nieuwe psalmberijming en voor het nieuwe "Liedboek voor de Kerken". Ze liggen binnen ons handbereik en we moeten wel iets beters hebben, willen we deze dingen verachten. Nu - we hebben niéts beters, dacht ik. Onze kerken, voorzover van ons, hebben niet uitgeblonken in vruchten, die beantwoorden aan bekering en dankbaarheid. Laten we eerlijk zijn.- Jaargang 18
- nummer 43
Trouwens, we zouden in de lijn van de Schrift, en in de lijn van Calvijn blijven, wanneer we dankbaar gebruik maakten van wat er vandaag op dit gebied beschikbaar is. De Schrift zegt op vele plaatsen: dat we de genade Gods met een nieuw lied moeten bezingen. De psalmen bieden ons veel gelegenheid; maar de 150 psalmen zijn alle uit het oude testament. Van de heilsfeiten uit het nieuwe testament hebben we maar enkele gezangen - en dan in oude versleten berijmingen vervat. Voor heilsfeiten van onze dagen gebruiken we vrijwel nooit een modern lied. Ook over de heilsfeiten van de eindverwachting zingen we vrijwel nooit. We brengen dus maar weinig terecht van wat de Schrift ons opdraagt te doen: het nieuwe lied voor de Heere te zingen.
Dat had Calvijn anders wel bedoeld. Die verstond wel en terdege, dat de kenk niet tevreden moest zijn met de 150 berijmde psalmenmaar dat ze verder moest gaan. In zijn eerste proefbundeltje van 1539 gaf Calvijn naast 18 psalmen al een lied; hij voegde een vignet bij met de woorden "ik zal de enige God psalm en lied zingen, zo lang ik ben".
Dat was net iets meer dan in de geciteerde psalmen 104 en 146 staat!
En zijn secretaris Th. de Bèze gaf in 1595 een bundeltje Heilige Gezangen uit, dat blijkbaar tot Calvijns opdracht behoorde. Het bundeltje is vertaald en op psalmwijzen gezet door W. v. d. Kamp, zich noemende en schrijvende Adriaan van Boven. Het was een poging tot uitbreiding van ons liturgisch repertoire maar "onze" kerken bleken allerminst een broedstoof voor liturgische ontwikkeling te zijn. Wat u ook tot haar credit wilt rekenen - een wereldomspannende visie en een vernieuwing van het kerklied waren er niet bij. Iedere volgende synode sinds 1948 bracht de kenken zelfs verder van een nieuwe psalmberijming af.
Maar dat wij hier vanavond twee kerken broederlijk bijeen treffen, kerken die ook 's zondags als broeders samenwonen, is een zaak van grote vreugde. Het opent perspectieven. Hoe zal het in de toekomst gaan? vragen wij ons af. Zullen wij ter ere Gods nog kerkmuren overeind houden? Zullen de gereformeerde traditionalismen, iedere kerkgemeenschap de hare, blijven bestaan tot de wederkomst van onze Heer? Zal elke ware kerk blijven staan op haar rechten, haar historie, haar papieren, grenzen en gebruiken? Misschien wel strijdend voor heilige huisjes, die al ingestort zijn? Of zullen de Christgelovigen wellicht eenmaal in barre nood, verbrokkeling, isolement en vervolging, naar elkander toe geslagen worden? Om elkander in Christus te omarmen, te troosten, te bemoedigen en samen het nieuwe lied van 's Heren goedertierenheid te zingen? Ons is immers geen eeuwig kerkinstituut beloofd, geen garantie voor de successie der ambten en der meerdere vergaderingen. Integendeel. Het laat zich aanzien dat de huidige kerkelijke structuren binnen zeer korte tijd ons ontnomen kunnen worden; dat de ambten ons ontvallen, de gemeenschappen ontbonden worden en dat alle gelovigen op elkander en op zichzelf teruggeworpen zullen worden. En daarom is het zo goed ons tijdig te wapenen, de Heere te psalmzingen zo lang het nog kan
Nu is het nog mogelijk, dat de gemeente zelf na de preek de tekst nog eens zingt; u denke aan de boekjes van ds Hans Bouma. Dan wordt de prediking niet alleen aangehoord - maar ook overgenomen, gerelayeerd, versterkt doorgegeven. Dan zijn we niet slechts hoorders maar ook daders van het Woord. Maar zegt u eens eerlijk: durven we er mee te beginnen? Ja in "Eindhoven, Rijsbergen, Baarn en in enkele andere heel bizondere kerken. Maar dan stamelt de grote meerderheid onthutst: "ze dóen daar maar!" Daar moeten we toch eens over heen komen. We moesten ons vertrouwen maar eens stellen op onze hemelse Vader. Bidden om het nieuwe lied, dat Hij ons opdraagt en dat Hij ons wil schenken. En als we onze ogen open doen ... dan liggen tal van nieuwe liederen klaar: psalmen, Schriftuurlijke gezangen, parafrasen van Schriftplaatsen zoals Luther dichtte, koormotetten om de preektekst uit te dragen, antifonen om de Heere bij beurten toe te zingen, gelegenheidsliederen bij doop en avondmaal, liederen om de kerkdienst af te sluiten.
Wat zegt u: is dat alles een beetje abacadabra voor u? Maar kennen wij dan eigenlijk de vreugde van de liturgie wel? Of weet u niet meer, waar we het over hebben?
Toen David de ark naar Jerusalem bracht liet hij het niet bij zang en spel - maar hij dánste! Hij gaf zichtbare muziek ten beste. Hij voegde de daad bij het Woord, hij verheugde zich in de God des levens. En niet maar zo'n beetje - met álle macht! Als de koning drinkt, zegt het spreekwoord, ma:g het volk dansen. Maar als de koning dánst ...
dan mag toch het volk wel in extase zijn. Dan zingt heel het volk: ,,0 Heer, de koning is verheugd! Hij wil Uw almacht prijzen, U juichend dank bewijzen."
Vindt u dat overdreven? Ongepast misschien? Dat vond koningin Michal ook. Hoe meer koning David de Heere God eerde, des te minder eer behield hijzelf, vond ze. Ze had een steriele visie. Miehal was trouwens steriel. Ze bleef onvruchtbaar tot haar dood, staat er in ditzelfde verband. Wie het leest die merke daar op. Deze dingen zijn beschreven ons tot een waarschuwing. En wie afwerend staat tegenover de vreugde van de liturgie - die kan moeilijk vruchten van dankbaarheid voortbrengen. Die blijft onvruchtbaar tot zijn dood ...
Wat betekent zingen en spelen en dansen voor de Heere? Dat zijn kinderen Hem lofoffers brengen, vrijwillige offers, varren der lippen ook wel genoemd, zijn Naam belijden. Welk goed kind zal zijn vader op diens feestdag niet graag verwennen? Nu, onze hemelse Vader luistert graag naar onze zangen; Hij wil de geur van onze lofoffers graag genieten.
Wat wás dat lofoffer bij Mozes ook weer?
Dat was het enige offer, dat niet voorgeschreven werd - maar dat aan het believen van Gods volk overgelaten werd. Aan heel Gods volk?
Nee, alleen aan degene, die het niet laten kon. "Wiens hart hem bewoog", zegt de oude vertaling. Het facultatieve offer, het vrijwillige offer; geen weggevertje - maar van het beste! Nu, dat waren de offers van David, waar Michal wijsneuzig kritiek op had. Pas op voor die onvruchtbare kritiek; dat helse oordeel over "geëxalteerdheid" en zo. Maar laten wij, door Christus, Gode een voortdurend offer toebrengen: de vruchten van onze lippen, die zijn Naam belijden. De stam van belijden is lijden. Nu kunnen we nog in vrijheid oefenen.
Dan kunnen we stráks een stootje lijden.
Dat niet-kunnen-laten vindt u ook in de catechismus: dat allen, die in Christus door een waar geloof zijn ingeplant, niet kunnen nalaten, vruchten van dankbaarheid voort te brengen. Voelt u? Dat is het lofoffer, waar de Heere van gediend wil zijn, dat Hem behaagt. Dat offer is aan ons believen, aan onze gelovige vrijheid overgelaten. Dat hoefde niet door paus Gregorius te worden vastgesteld; dat hoeft ook niet door meerdere vergaderingen te worden vastgesteld, gefiatteerd en begrensd. De Heere moedigt ons aan: nieuwe liederen, lofoffers, beurtzangen, welklinkende muziek, alle soorten instrumenten, alle soorten koren, solisten en massazang, tegenzang, refreinzang zijn toegestaan.
Het liefdesverkeer is de basis van een harmonieus gezinsleven? Nu, het liefdesverkeer tussen Christus en zijn bruidsgemeente mogen evenzeer wèl en vreugdevol onderhouden worden: tot ere van het Lam, tot zaligheid van zijn gemeente. Zulk liefdesverkeer kan ons bij tijden dronken maken, zie psalm 36. Zo dronken, dat "ons hart ons beweegt" tot zingen en spelen. En dansen misschien.
En dan is er nog een plaats in de Bijbel, die we vandaag elkander mogen voorhouden.
Hosea was die profeet, die kinderen bij een hoer moest verwekken.
Vreselijk gezinsleven, onzekerheid over het vaderschap, verdriet en ellende. Om daarmee uit te beelden dat Israël ontrouw was geworden aan de Heere God en nu niet meer Zijn volk mocht heten. Ook geen genade meer kon verwachten.
Maar zie, in het tweede hoofdstuk kon de Heere zijn volk al niet meer verloren laten gaan. Hij zou het de verkeerde weg versperren en teruglokken op de goede weg. Hij zou het huwelijk van voren af beginnen.
Hij zou zijn bruidsgemeente zuiveren en haar hart veranderen.
En daarna haar doen bezwijken onder zijn weldaden: vrede, veiligheid, gerechtigheid, recht, genade en ontferming. Wederzijdse trouw.
Wederzijds kennen. En nog meer zegeningen stapelen zich op: zegen van de hemel, van de aarde, van koren en wijn en olie, van melk en honing.
U zult zeggen: wat een kostelijk uitzicht is hier geschonken aan de nieuwtestamentische bruidsgemeente, aan ons, die aan het einde der eeuwen staan: besmeurd, verwereldlijkt, gescheurd van barst tot breuk, verleid, verlopen, verloederd. Hoe zullen wij die belofte van God, dat heil-in-Christus ervaren? Hoe zullen wij reageren, wanneer we het begrijpen?
Ook dat heeft Hosea geprofeteerd. Luister: "dan zal zij, de bruidskerk, zingen als in de dagen van haar jeugd, als ten dage toen zij uit Egypte trok."
Begrijpt u? Een hoer uit de goot, die het zuivere huwelijksgeluk vergeten was, een God-vergeten bruidsgemeente wordt door Gods bodemloze genade tot nieuw en blijvend geluk gebracht. En ze gaat weer zingen als in haar meisjestijd: een lied van vroeger. Bijvoorbeeld het lied van Mozes. En het lied voor het Lam. En het nieuwe lied van Gods genade-in-Christus. En een refreinzang over Gods goedertierenheid, die in eeuwigheid is.
De kerken van Jezus Christus zijn zware dagen beloofd. Het wordt heel erg, wil het beter worden. Maar de profeet Habakuk zong in het gezicht van dreigende donder: dat hij rustig zou afwachten de dag der benauwheld. En als het onheil zou komen: dat de vijgeboom niet meer zou bloeien, de wijnstok en de olijf kapotgeschoten door oorlogsgeweld, de akkers stukgereden door strijdwagens, de schapen en runderen weggevoerd zouden zijn ... dan wist hij één ding volkomen zeker. Dat hij niettemin zou juichen in de Heere, jubelen in de God van zijn heil.
En daarom: zing! Zing voor uw leven. Zing voor de God van ons heil.
Elke zondag, elke werkdag. Opdat uw lied de wereld omapanne en allen verzamele die deze klank kennen. Opdat de aarde vol zij van 's Heeren heerlijkheid. Opdat Hij alles kan zijn en in allen.