Antwoord aan ds K. B. Holwerda
1974-11-29
Volgens afspraak tussen de betrokken redactie-leden is mij de taak toegevallen, onze gast-scribent, ds K. B. Holwerda, die op onze uitnodiging de redactionele kolommen van ons blad enkele weken gevuld heeft met zijn commentaar op onze kerkrechtelijke voortbrengselen van de laatste tijd, van antwoord te dienen.- Jaargang 18
- nummer 44
Ieder zal begrijpen waarom; ik ben door hem het breedst bestreden.
Ik ben met mijn 'tussengemeentelijke woordbediening' duidelijk niet aan de grond gekomen bij ds Holwerda. En hij is de enige niet die moeite heeft. Het zal wel liggen aan mijn niet eenvoudige schrijftrant (althans, daar hoor ik sommigen wel eens over), maar mag ik toch ook bescheiden klagen over een zekere slordige leestrant?
Zoals ieder kan nagaan, heb ik geen bespreking gegeven van wat de gemeente van Doorn op het laatste convent als voorstel ter tafel heeft gebracht. Slechts een stelling, die ik uit de mond van Doorn's afgevaardigden had opgevangen.
dat namelijk het nieuwe testament geen instantie kent tussen Christus en zijn gemeente, haalde ik aan om haar te bestrijden.
Naast een andere stelling van de broeders uit Schiedam, dat een juridische structuur voor een kerkverband uit den boze is.
Ik heb beide stellingen bestreden.
Maar tegenover Doorn heb ik niet de omgekeerde stelling betrokken, door te beweren, dat er in het N.T. wèl een instantie is tussen Christus en de gemeente. Ik heb de woorden 'instantie' en 'tussen' als onbruikbaar afgewezen. Zelfs voor het omschrijven van het apostolisch gezag kunnen ze volgens mij geen -dienst doen. Maar terzijde van de verhouding tussen Christus en de gemeente stond in de eerste tijd de apostel met zijn helpers om de band tussen Christus en de gemeente te verstevigen.
En nu de apostelen er niet meer zijn, hebben de gemeentes deze dienst afzonderlijk en gezamenlijk aan elkaar te vervullen.
Het middel dat ze daarvoor gebruiken is vóór alles het Woord van God. En de bediening daarvan brengt altijd, en dus ook in de tussengemeentelijke sfeer, een juridische structuur met zich mee.
Woordbediening is uitoefening van de sleutelmacht. Ik heb dat in het tweede artikel tegen excessen trachten af te grenzen, maar dat tast het principe niet aan.
Is het dus wel helemaal goed doordacht, zo heb ik willen vragen, als men stelt: géén instantie tussen Christus en de gemeente en géén juridische structuur? Ik heb dan toch niet ten onrechte, meen ik, gewezen op de plaats van de apostel(en) tussen de gemeenten, alwaar zij het Woord van Christus aan de gemeenten bedienden in welke dienst zij zijn opgevolgd: niet door de paus, maar door de gemeenten onderling.
Althans, dat was de bedoeling.
Als we Paulus in bepaald verband horen zeggen: wij hebben zulk een gewoonte niet, noch de gemeenten Gods (1 Cor. 11: 16), dan is het 'wij' dat van de apostel en zijn helpers. Bij het wegvallen van dit 'wij' bleven 'de gemeenten Gods'. Je zou op grond van dit woord haast wat ondeugend kunnen zeggen, dat het N.T. een apostolische successie kent: de gemeenten Gods zijn onderling de opvolgers van de apostelen.
Maar laat ik deze ondeugd maar vóór me houden. Ik zou maar opnieuw misverstand wekken. Want de gemeenten zijn zeker niet in die zin opvolgers van de apostelen, dat zij in een van Christus verkregen volmacht zelf apostolische woorden of brieven zouden kunnen voortbrengen. Slechts de bediening van het voor alle tijden vaststaande apostolische woord aan elkaar valt hun als taak toe. En dan nog in bescheiden frequentie. Niet te pas en te onpas, maar indien nodig.
Al heb ik nu in dit verband iets gunstigs van het pausdom gezegd, dat was dan toch nadat ik het principiëel verworpen had. Maar bij een principiëel neen tegen een bepaald verschijnsel kun je toch tegelijk wel eens wijzen op een zeker nut dat het niettemin afgeworpen heeft. Je beoordeelt zo'n verschijnsel dan niet principieel, maar historisch. Dat deed ik voor een ogenblik ten aanzien van het pausdom in de middeleeuwen.
Maar dat moet niet als een goedkeuren of ophemelen worden opgeval.
Ik ben het met ds Holwerda helemaal eens, dat 't een wonder is dat God zijn kerk door die donkere tijd heen bewaard heeft.
Ik ben dit zelfs zo grondig met hem eens. dat ik dit wonder-karakter aan héél de kerkgeschiedenis wil toekennen, ook voor de tijd dus dat dominé's en ouderlingen in de kerk een leidende rol hebben gespeeld.
In dit verband dan ook een vraag aan de titel van Holwerda's artikelen: Kan de Here Jezus de regering van Zijn kerken niet aan?
Als deze suggestieve vraagstelling inderdaad de kern raakt, waarom heeft Jezus dan voor de plaatselijke kerk ineens dominé's en ouderlingen nodig? Ik zou eigenlijk niet zo massief met de Christus-regering willen argumenteren.
Daar is de zaak te Geestelijk voor. Christus regeert zijn kerken door zijn Woord en Geest. Daar zijn we het allemaal over eens. De vraag is, wie de bedienaars van dat Woord zijn. Is daar een bovengemeentelijk orgaan voor nódig (bijv. de paus) of is elke gemeente volkomen selfsupporting (vrije gemeente) of is er bij alle zelfstandigheid van de plaatselijke kerken toch ook plaats voor een tussen gemeentelijke woordbediening, waarin de ene gemeente aan de andere of ook een collectiviteit van kerken ten opzichte van één of meerderen de dienst van bemoediging of vermaan uit Gods Woord bewijst?
Mij dunkt dat het kiezen voor dit laatste een gereformeerde gedachtengang verraadt.
Het ging in mijn artikelen om het principe. De vormgeving liet ik opzettelijk achterwege. Om het principe zo duidelijk mogelijk m het licht te stellen heb ik het voorbeeld van Paulus' vermaan aan de Galatiërs aangehaald. Een bizonder zwaar vermaan in de vorm van een anathema, een vervloeking.
Ik kan mij niet voorstellen, dat de Galatiërs dit vermaan voor kennisgeving hebben kunnen aannemen (bijvoorbeeld met als commentaar: zeer leerzaam!) en dan toch in relatie met de apostel en zijn overige gemeenten gebleven zijn. Daarvoor was in de brief de zaak te zeer op scherp gezet. Dit werd buigen of barsten. Dit werd Of een 'nee' van de Galatiërs tegen de dwaalleraars Of een 'nee' van Paulus tegen de Galatiërs. De bediening van het Woord als uitoefening van de sleutelmacht heeft als aanklevende bediening de tucht in de vorm van een disciplinaire maatregel, zoals zondag 3J van de H. Cat. leert. Ook in de tussengemeentelijke sfeer is dat zo.
Ik vrees dat wanneer we deze iuridische structuur laten vallen, er een zekere ouwbollige gemoedelijkheid voor in de plaats zal komen. Weliswaar ongevaarlijk voor zolang we het nog wel zowat met elkaar eens zijn, maar in situaties van conflict pleegt zulke gemoedelijkheid om te slaan in de grootste willekeur. Men oefent dan net zo goed censuur, maar stilzwijgend, oncontroleerbaar, door namelijk de andere kerken met welke men het oneens is als lucht te beschouwen.
Zeker men kan deze juridische structuur overdreven hanteren. Ik zou zeggen, daar weten we uit het jongste verleden alles van. Dat om zo te zeggen bij elke echtelijke ruzie de huwelijksacte ter tafel kwam. Ik heb daarom mijn tweede artikel geschreven met een uitwijding over die hoeden-geschiedenis in Corinthe, om weerbaar te maken tegen dit misbruik.
Ik ben het daarom ook goed eens met ds Holwerda als hij aandacht vraagt voor de adviserende vorm, die de apostel Paulus nogal eens gebruikt. Daarmee komt hij in de buurt van de bijdrage die ds Smit geleverd heeft. Inderdaad liggen de dingen lang niet altijd zo loodzwaar als in de brief aan de Galatiërs.
Meestal niet, gelukkig. Er is veel. zeer veel, dat tussen de gemeentes in de sfeer van adviezen, vriendelijke verzoeken, broederlijke opscherpingen e.d. afgehandeld kan worden.
Maar deze vriendelijke sfeer staat niet tegenover de juridische structuur.
Deze juridische structuur staat daar, als het goed is, beschermend omheen, zoals een truwacte, ver weg en toch functioneel.
beschermend om een goed huwelijk heenstaat. Als Paulus ten aanzien van Philemon de voorkeur geeft aan een verzoek boven een bevel (het voorbeeld, Phil. : 8, 9, is van Holwerda), dan is het opmerkelijk, dat de apostel zijn bevoegdheid om te bevelen tóch noemt: "daarom, al zou ik volle vrijmoedigheid in Christus hebben om u te gelasten wat betaamt ... "
Me dunkt, hier is de juridische structuur. Het is dáárbinnen, dat de vriendelijkheid gedijt. Zoals de Schrift zegt: Sion zal door rècht verlóst worden, Jes. 1: 27. Ik weet wel, dat je bijbels recht niet tot het juridische mag versmallen, - dan blijft er weinig verlossing over - maar omgekeerd mag je het juridische er ook niet uit wegnemen. (Want ik houd niet van bijbelse woordstudies, die eindigen met conclusies als: recht is eigenlijk geen recht.)
Maar, zal ds Holwerda vragen, waar blijft nu toch het Schriftbewijs, dat we voor die tussengemeentelijke woordbediening een kerkverbandelijke gezagsinstantie nodig hebben? "Het gezag ligt toch in het Woord zèlf en in de Heilige Geest, die dat Woord betuigt!"
Als ik dit argument goed begrijp, zal Holwerda willen zeggen, dat het niets uitmaakt of een toevallige bezoeker van elders een dwalende gemeente met Gods Woord confronteert, dan wel een kring van kerken om die plaatselijke gemeente heen.
Het is waar, dat de overeenstemming van een kring van kerken over enig punt op zichzelf het gelijk van die kerken niet bewijst.
Een enkeling kan daartegenover in zijn recht staan. Toch zal men naar het vermaan van zo'n kring eerder luisteren, zoals in het verkeer de bel van een tram achter mij mij meer doet schrikken dan de claxon van een personen-auto.
De stem van de tram voegt niets toe aan de kracht van de verkeersregel die ik overtreed, maar het feit dat een collectiviteit mij eraan herinnert, maakt mij meer tot luisteren bereid. In die zin is de overeenstemming van de ganse kerk, in de lengte van de historie en/of in de breedte van het kerkverband, toch een argument met een eigen kracht. Het is daarom goed om in de tussengemeentelijke woordbediening de grootst mogelijke gezamenlijkheid na te streven.
Mozes en Jezus hebben deze waarheid als volgt onder woorden gebracht: op het getuigenis van twee of drie zal alle woord bestaan, Deutr. 19: 15; Matth. 18: 16. Het is waar, dat men twee of drie of meer moeilijk een instantie kan noemen, maar ik ben ook niet begonnen dit woord te gebruiken.
Ik heb het zelfs als onbruikbaar afgewezen. Liever dan van een instantie te spreken, zeg ik daarom dat de tussengemeentelijke woordbediening en verder het hele tussengemeentelijke verkeer naar hun aard om een bescheiden vorm vragen. Bescheiden vorm: op beide woorden valt nadruk.
Ik heb me nogal wat moeten herhalen in dit artikel. Dat spijt me voor de lezers, die toch een duur abonnementsgeld betalen. Ik zal voortaan meer mijn best doen om mezelf in één keer duidelijk te maken.