TANA MEMA - TANA DAWA
1974-11-29
Naar aanleiding van de bundel "Cultuur als antwoord", verzamelde opstellen van prof. dr L. Onvlee ('s-Gravenhage, Martinus Nijhoff, 1973) - Jaargang 18
- nummer 44
Op 23 november 1973 vierde prof. dr L. Onvlee zijn tachtigste verjaardag en ter gelegenheid daarvan verscheen bovengenoemd boek als deel 66 van de reeks "Verhandelingen van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Landen Volkenkunde te Leiden". Het bestuur van dit instituut beoogde daarmee dr Onvlee - die geruime tijd zijn voorzitter was - te eren.
Onvlee studeerde oorspronkelijk theologie aan de Vrije Universiteit te Amsterdam en deed in 1915 zijn candidaatsexamen. Een jaar tevoren verzocht het Nederlands Bijbelgenootschap hem in zijn dienst te treden om daarna naar Soemba te gaan en daar de bijbelvertaling ter hand te nemen. Dat trok hem, hij verbond zich aan het NBG en kwam overeen vóór de uitzending de studie Oosterse talen in Leiden te volgen. Daar promoveerde Onvlee in december 1925 op een proefschrift over het Soembanees ('Eenige Soembasche vertellingen') Dat was wel een heel lange voorbereidingstijd, maar terugziende op zijn levensgang, blijkt het een hechte basis geweest te zijn voor zijn verdere werk. Onvlee is namelijk tot ná de 2e wereldoorlog op Soemba werkzaam geweest, óók ten behoeve van de zending.
In 1956, hij is dan reeds 63 jaar, volgde zijn benoeming tot buitengewoon hoogleraar in de Culturele antropologie aan de V.U., welk ambt hij 10 jaar lang bekleedde.
Zowel in publicaties van het NBG als in zendingstijdschriften (De Macedoniër, De Opwekker) en in wetenschappelijke tijdschriften verschenen artikelen van zijn hand. Een geselecteerd aantal daarvan is nu met enkele collegevoordrachten in de hierbovengenoemde bundel samengebracht.
Velen kunnen dus kennisnemen van het werk. waarvan slechts weinigen echt weet hebben.
We spreken in onze kringen soms zo vlot over: de zendingstaak van de gemeente, het evangelie brengen aan heidenen, uitzenden van een zendeling. Maar beseffen we wat dit in de praktijk betekent?
Voor welke problemen de werkers-in-de-zending staan en hoe ze die zouden behoren aan te pakken?
Om daar iets méér inzicht in te verkrijgen is het goed te luisteren naar wat Onvlee ons zegt. In enkele artikelen wilen we daar iets over vertellen. Tevoren echter eerst een kort overzicht van hetgeen er toe leidde, dat Soemba en Onvlee zo nauw aan elkaar verbonden werden.
In de 2e helft van de vorige eeuw ontstonden in ons land twee zendingsgenootschappen, de Nederlandse Zendingsvereniging (1858) en de Utrechtsche Zendingsvereniging (1859). Groepen christenen wi1de samen het zendingswerk aanvatten en dragen. In hun hart leefde een oprechte liefde tot hun Heer en Hij had gezegd: predik het evangelie aan alle volken.
Zij wilden Hem gehoorzamen. Deze genootschappen zonden toen óók een zendeling uit naar Soemba.
Dat was omstreeks 1880.
Op de Generale Synode van de Gereformeerde kerken in 1896 te Middelburg. gehouden. is breedvoerig gesproken over de taak van de kerken t.o.v. de zending.
De verenigingen, gedragen door een kleine kring van sympatisanten, deden in feite, wat de taak van de christelijke gemeenten is, zo zeiden de broeders te Middelburg.
De opdracht van de Heer moet door de gemeenten verstaan worden, Nádien is duidelijk uitvoering gegeven aan de gedachte van kerkelijke zending. Eerst werd dat organisatorisch voorbereid: per provincie, per groep van provincies, werden zgn. zendingterreinen gekozen en deputaatschappen ingesteld en één van de kerken in zo'n ressort werd "zendende kerk". Zo namen de kerken in Groningen, Drenthe en Overijssel Soemba voor gezamenlijke rekening.
Dat was in 1902. Daarná werden zendingsarbeiders uitgezonden.
ds D. K. Wielenga (1904), ds C. de Bruijn (1905), gevolgd door vele anderen. In die begintijd is het met name ds Wielenga geweest, die heel duidelijk vorm gaf aan het werk. Hij wist met veel geduld en toewijding contacten te leggen met de bevolking.
"Doch Wielenga was er niet mee tevreden. dat de mensen als individuen tot hem kwamen; dat hij de personen, al waren het er dan ook velen kende, neen, hij wou het volk hebben en kennen. Daartoe was in de eerste plaats nodig, dat hij de taal verstond. Hij was er diep van doordrongen, dat de zendeling, die zich een plaats onder het volk wilde verwerven en voor zijn boodschap een geopend oor wilde vinden, de taal van het volk moet kennen. Daarom stond taalstudie nummer één op zijn program." ("De Zending op Soemba". Hoenderloo 1949, pag. 151).
Wielenga trok er op uit, bezocht met een tolk de kampongs, sprak met de bevolking, trachtte hen in hun doen en laten te verstaan. Hij wilde met de mensen kunnen spreken in hun taal. Maar hij ervoer.
dat hij de blijde boodschap toch niet zo maar "vertalen" kon.
Het Soembanees toch "had voor de essentiële zaken van het evangelie als zonde en schuld. liefde en genade, vergeving en verzoening zelfs geen woorden." Het is een heidense taal en daarmee is er een kloof tussen prediker en hoorder. Hoe dié te overbruggen?
Dat liet Wielen ga niet los. De boodschap van de Schriften moest toch gebracht worden? En hoe dat beter te doen dan met die Schriften zélf? Maar dan moest er zijn een èchte Soembanese Bijbel en hoe dáár aan te komen? Wielen ga achtte zichzelf niet in staat om de vertaling aan te vatten en te volbrengen. Hij zag dat dat een levenswerk zou worden en dat je daarvoor iemand moet hebben, die de HERE vreest en gaven op taalgebied heeft. En daarom rapporteerde hij aan de kerken in Nederland uitvoerig daarover. En die kerken hebben dat toen verstaan.
De HERE heeft dat bijzonder voorspoedig doen verlopen.
In 1913 is deze zaak besproken op de particuliere synodes van de drie Noordelijke provincies en daarna is contact gezocht met het Nederlands Bijbelgenootschap. De kerken kwamen zelf reeds met het voorstel de jonge Onvlee, toen nog student van even 20 jaar, te vragen voor het werk van bijbelvertalen naar Soemba te gaan en het NBG heeft dat onmiddellijk aangenomen (1914).
Die samenwerking van kerken en NBG is bestendigd en in het werk van Onvlee is nauwelijks iets aan te wijzen, dat uitsluitend voor één van de "partijen" verricht is.
In 1926 is dr Onvlee uitgezonden en eind van dat jaar kon hij zijn werk op Soemba aanvangen.
Na deze introductie kunnen we het boek ter hand nemen. Voor wie wil mee-lezen, het is verkrijgbaar voor f 12,- bij de fiscus van het college van decanen van de V.U. te Amsterdam. giro 524991.
(Dhr. M. de Jonge is Rijksambtenaar op het Ministerie van Defensie)