DE TOEKOMST VAN KERK EN CHRISTENDOM
1974-12-06
De titel boven dit stuk verraadt al, dat het een breed onderwerp is waar je niet in een handomdraai mee klaar bent. Het is een hele aanpak om erover te schrijven. Ik betoog dit vooraf om bij voorbaat de klementie van de lezer in te roepen wanneer ik te betichten ben van een gebrek aan veelzijdigheid in de behandeling. Het gaat mij erom enkele wezenlijke punten aan te stippen, die van belang zijn voor het doordenken van de problemen en de mogelijkheden, die op dit veld van onderzoek liggen.- Jaargang 18
- nummer 45
GEEN KERKISME
Toen ik als jongen in de Tuindorpkerk te Utrecht de latere dr Boelens, die in Delden gestaan heeft, dit woord als candidatus theologie hoorde gebruiken vanaf de kansel, snapte ik er geen draad van wat hij ermee beoogde. Kerkisme.
Maar later leerde ik het woord spellen en heb ik de vreselijke gevolgen van een dergelijke instelling en houding aan den lijve ondervonden. Kerkisme het is het monster van het op-het-schild-heffen van het kerkinstituut waarvan je lid bent, alsof dat het enige is, dat voldoet aan alle voorwaarden voor het waarachtig kerk-zijn in theorie en praktijk. Een kerkist is dan ook eigenlijk, hoewel hij het niet in de gaten heeft, een pure perfektionist.
Hij vindt, dat hij in zekere zin al iets van de status van de volmaaktheid op aarde heeft bereikt.
Dit is in strijd met het getuigenis van de Schrift! We behoeven alleen maar te denken aan het indringende woord van de apostel Paulus in zijn brief aan de gemeente te Filippi: "Niet, dat ik het reeds zou verkregen hebben of reeds volmaakt zou zijn, maar ik jaag ernaar of ik het ook grijpen mocht, omdat ik ook door Christus Jezus gegrepen ben." (3 : 12). En de heidenapostel vindt dit zo belangrijk, dat hij hetzelfde opnieuw betoogt aan het begin van het direkt erop volgende vers: "Broeders, ik voor mij acht niet, dat ik het reeds gegrepen heb ... ".
Kerkisme leidt via een absolutistisch spreken over de kerk onherroepelijk tot een volslagen isolement.
Dat is geen lolletje! Daarom brengt het ookin de houding van verschillende mensen die opgesloten zijn of zich opgesloten hebben in de burcht van het kerkisme, bepaalde inkonsekwenties met zich mee. Zo nu en dan rammelt men aan zijn ketenen en pleegt men een uitval door in kontakt te treden met andersdenkenden bij wie men gehoor vindt en met wie men optrekt in een bepaald verband. Maar 0 wee daar staan de verwoede kerkisten al klaar met de wapenen van hun theorieën over de kerk en de stoute jongen" wordt ter verantwoording geroepen. Kerkisme is niet houdbaar in de praktijk van de samenleving! En een beroep voor het zich afschermen van mensen, die net even anders kerkelijk denken dan jij, kun je niet staven met verwijzing naar de befaamde artikelen van de Nederlandse Geloofsbelijdenis, nl. de artikelen 27-29. Je kunt het principe van de ware en de valse kerk niet losmaken van de historische achtergrond, van de onstaanstijd van de konfessie, toen men eensgezind front maakte en had te maken tegenover Rome. Vandaag is er een andere situatie met vele reformatorische kerken naast elkaar en hélaas soms tegenover elkaar. Het moet de christelijke gereformeerde broeders worden toegegeven, dat zij dit eerder in de gaten hebben gehad dan wij.
Hoe vaak hebben we aan hun adres niet geroepen: "Jullie zien eigenlijk de kerk niet!" Terwijl zij juist de historische interpretatie in geding brachten!
Wèl moeten we zeggen, dat de kerkist heel wat over heeft voor de beleving van zijn beginsel en de verwezenlijking van zijn doelstellingen.
We willen ook niet ontkennen, dat de omstandigheden ernaar kunnen zijn om zich terug te trekken in een eigen organisatie.
Als de schriftuurlijke grondslag is aangetast en men niet meer met een goed geweten lid kan blijven van een bepaalde vereniging, is het fijn als men een eigen alternatief kan uitbouwen. Maar men zal dàn alleen de gemeenschap kunnen dienen als men ook royaal anderen, die evenzeer, hoewel lid van een andere kerk, geestelijk in nood zijn geraakt, erbij betrekt en de poorten van zijn eigen instituut voor hen openstelt. Doet men dat niet. dan verzandt men weer in een vorm van kerkisme waarbij men dus het lidmaatschap van eigen kerk als geldig entreebiljet beschouwt. Men kan nu eenmaal niet werken aan de geeiste eenheid van de christenen als men duizenden en nog eens duizenden christenen van de samenwerking pertinent uitsluit.
Kerkisme miskent ten diepste het werk van God zoals het ook in andere kerkgemeenschappen en samenlevingsverbanden gevonden wordt.
GEEN NEGATIE VAN KERKELIJKE VERSCHILLEN
Na het bovengestelde dreigt er echter het levensgrote gevaar, dat men met zijn antikerkisme doorslaat naar een negeren van allerlei kerkelijke verschillen. Ook dàt doet de kerk en haar ontwikkeling naar de toekomst niet goed.
Wie alle verschillen nivelleert, moet eigenlijk aan een zwevend kerkbegrip een zwevend lidmaatschap paren. Het zou konsekwent zijn als zo iemand zich aan geen kerk meer zou binnen, omdat hij overal zijn geestelijk kostje opscharrelt.
Het is hem om het even of dat nu in een R.K. kerk is of in een Lutherse kerk! Maar niemand kan dan meer vast op zo iemand rekenen!
Hij denkt aan de kerkelijke eenheid te bouwen, maar staat haar in wezen tegen. Daarbij komt, dat.
in werkelijkheid de zaken heel anders liggen. Mensen, die bijna zwelgen in een soort oekumene, zijn plotseling erg op het kerkinstituut gesteld, waarin ze zijn grootgebracht. Ze springen bij het minste of geringste op de ketting wanneer "hun" kerk wordt aangevallen.
En ondanks alle beweringen, dat men zo diep naar eenwording verlangt, kruipt men allemaal elke zondag weer in zijn eigen kerkelijke hokje. Men moet ook oppassen, dat men in 't kader van een breed opgezette interkerkelijke evangelisatie niet objektief oneerlijk wordt. Men zal het subjektief allemaal oprecht bedoelen.
maar de buitenkerkelijke mens zal zich sterk genomen voelen als hij al die stoere evangelisatiewerkers van verschillende kerken wèl tijdens de meeting op één podium ziet, maar 's zondags van die samenwerking kerkelijk plotseling niets meer merkt. "Eerlijkheid duurt het langst", luidt een spreekwoord. Dat geldt ook in kerkelijk opzicht! Als het fundament niet onaangetast gebleven is, kan ik niet samen met hem, die zich aan die aantasting schuldig maakt, het huis van God bouwen.
Ik mag ook niet zeggen: "Het komt er maar op aan, dat je Jezus aanvaardt, naar welke kerk je gaat is geen belangrijke zaak".
Inderdaad is het doorslaggevend, dat iemand Jezus aksepteert als zijn Verlosser, maar betekent dat voor ieder vandaag hetzelfde?
Men moet wel een vreemdeling zijn in het kerkelijk Jeruzalem van heden om dàt te kunnen poneren!
Voorts dient men vast te houden, dat de wil van God één is! Ik mag een ander niet prijsgeven aan' de verwoestende dwaalleer of onder een kerkelijk juk, dat niet van Christus is, laten doorgaan terwijl ik het zelf na veel strijd vanuit mijn geloof heb afgeworpen. Men komt alleen vevder als men met elkaar bij een open Bijbel over de kerkelijke verschillen spreekt zonder aan kerkpolitiek te doen. Door met elkaar samen te spreken kan men een poging ondernemen de gebleken verschillen tot de ware proporties terug te brengen en zich afvragen of een gescheiden optrekken nog langer voor de HERE verantwoord is. Hiertoe zal het ware oekumenische eenheidsgebed van de Here J ezus, in J ehannes 17 ongetwijfeld prikkelen.
Dé herkenning van elkaar zal dan leiden tot de erkenning van elkaar in hetzelfde geloof, dat eens aan de heiligen overgeleverd is.
GEEN SCHEIDING TUSSEN KERK EN CHRISTENDOM
Het lijkt allemaal wel erg negatief als men voor de derde keer een kopje ziet staan boven een gedeelte van dit artikel, dat met het woordje: geen begint. Maar toch menen we het op die wijze te moeten formuleren. Iemand, die een beetje op de hoogte is van wat er zoal te koop is in de kerkerkelijke wereld en op de theologische markt, zal niet vreemd opkijken als we in dit verband de visie van Prof. Dr H. M. Kuitert noemen. Hij heeft een boek geschreven onder de suggestieve titel: “Zonder geloof vaart niemand wel" - een plaatsbepaling van christendom en kerk - Het werd dit jaar uitgegeven door Ten Have te Baarn. In hoofdstuk 6 van genoemd boek: "De organisatievorm van het christendom: de kerk", stelt de hoogleraar aan de V.U., dat de christelijke kerk met name bij de komende generatie niet bijzonder populair is. De kerk is er als instituut, maar moet zij 'ook blijven?, vraagt Prof. Kuitert zich af. Hij gaat hierop onder meer als volgt in: "Het eerste wat je van de kerk moet zeggen is: de deksel moet er af. Er zou verder niets hoeven, geen verandering, geen verbetering, alles kan gewoon doorgaan, als er maar aan alle moeten en aan alle dwang een eind kon komen" (a.w. pag. 50).
De auteur beroept zich daarbij op de houding van Paulus ten aanzien van hen, die de mensen wilden binden aan de besnijdenis.
Hij werkt dan deze parallel zo uit: "Zoals sommige mensen vandaag zeggen: je moet naar de kerk, anders bij je geen christen, zo waren er toen mensen, die zeiden: je moet besneden wezen anders hoor je er niet bij. Paulus heeft toen niet alleen gezegd, dat het niet op die besnijdenis aankwam, maar ook en vooral dat juist de mensen, die het christendom aan het vervullen van godsdienstige voorschriften binden wilden, er niet bijhoorden." (a.w. pag. 51). Maar wie het christendom met dwang verbindt, zit fundamenteel fout, zo luidt het: Dit wordt zo uitgewerkt, dat Prof. Kuitert zelfs opmerkt: "De mensen gaan er naar de kerk, maar wie niet gaat, vinden ze daar geen haar minder; ze dopen er kinderen, maar niet dopen maakt je niet tot een buitenstaander,"
(a.w. pag. 52). De Amsterdamse ethicus wil er maar mee aangeven, dat de kerk niet alleen het christendom vertegenwoordigt.
Er is ook een steeds groeiend christendom buiten de kerk. Maar voorafgaande aan wat we citeerden gaat de bewuste hoogleraar op dezelfde bladzijde van zijn boek nog verder. Niet alleen de kerk is vrijblijvend, zelfs het christelijk geloof bergt niets meer van een duidelijke goddelijke opdracht in zich. "Daarom: niet langer die scheve voorstelling van zaken, dat christelijk geloof "moet". Het "moet" helemaal niet!
Het is een goed geloof, een fijn geloof, een geloof waar je verder mee komt en daarom is er maar één reden waarom iemand het zou aanhangen: uit pure behoefte.
(vetgedrukt door mij, O.M.).
Maar nooit, omdat het "moet".
Niets hoeft, alles mag, alles is vrijwillig, en even goede vrienden."
We kunnen niet ontkennen, dat menselijke dwang in de kerk al heel wat kapot gemaakt heeft en velen de straat op gedreven heeft. Maar goddelijke dwang is iets aanders dan een menselijk dwangmatig systeem. Ik mag Gods liefdevolle bevelen niet elimineren!
Niemand kan het: "Geloof alleen!" wegexegetiseren uit de Bijbel. En de dwaasheid der prediking is nog altijd de uiting van Gods wijsheid om verloren zondaren aan de voet van Christus' kruis te brengen! De dienst der sakramenten is heilzaam om het door de Geest via het evangelie gewerkte geloof te versterken.
Dat zijn de middelen en wegen, die God Zelf ons in Zijn Woord aanwijst! En iedereen, die een andere weg gaat, bezondigt zich aan eèn eigenwillige godsdienst waardoor hij het tweede gebod van Gods heilige Wet overtreedt!
Als men op de toer van de gedachtengang van Prof. Kuitert gaat, luidt men onherroepelijk het einde in van kerk en christendom!!
Als het immers uitsluitend aan de mens wordt overgelaten of en hoe hij de HERE zal dienen, komt er op de duur helemaal niets meer van terecht. Toch zijn we met een scherpe afwijzing van de mening, die we in het jongste boek van genoemde professor signaleerden, niet klaar. Wie zich antithetisch opstelt ten aanzien van Kuitert's voorstellen, zal ook thetisch moeten bouwen aan de kerk en zo dienen te sleutelen aan het christendom.
Hij weet, dat de kerk geen bejaardencentrum is waar men verzorgd wordt, maar eerder een kazerne waar men getraind wordt!
Wie zich zo in de kerk, als het werkcentrum van de Geest, laat aktiveren tot het echte christenzijn, mag de toekomst van kerk en christendom in de vaste hand van de Here overgeven. Hij belijdt - en dat geeft hem rust dat Gods werk niet verloren gaat!!