Misschien sterft iemand voor een rechtvaardige
2005-05-20
- Jaargang 49
- nummer 10
| Ds. Henk de Jong hield op 4 mei van dit jaar een korte toespraak bij de dodenherdenking in de grote kerk van zijn geboortedorp Alblasserdam. In het zendingsnummer was geen ruimte om deze bijdrage te plaatsen. Maar de redactie leek het goed dit nummer van Opbouw te openen met zijn overweging bij zestig jaar bevrijding. |
Een cel is maar twee meter lang en nauw twee meter breed, wel kleiner nog is het stuk grond dat ik nu nog niet weet, maar waar ik naamloos rusten zal, mijn makkers bovendien. Wij waren achttien in getal, geen zal den avond zien …
U herkent wellicht het verzetsgedicht ‘De achttien Dooden’ van Jan Campert. Die Jan Campert, wie was hij eigenlijk?
Hij was niet een van die achttien gefusilleerden, hij is later in het concentratiekamp omgekomen. Was hij een oorlogsheld of hebben zij gelijk die daar achteraf op afgedongen hebben?
U weet wel, daarover ging het een tijdje geleden in de media. Het debat daarover was een illustratie van de tendens in de tegenwoordige tijd om over de bezettingsjaren wat genuanceerder te gaan denken. Ik noem in dit verband twee namen. In de eerste plaats die van de pas overleden dr. Lou de Jong, in leven directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogs-Documentatie (het NIOD) en schrijver van de grote reeks dikke boeken over Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, en dan ook die van dr. Hans Blom, De Jongs opvolger bij dat instituut.
Veranderd perspectief
De Jong benaderde de oorlogstijd sterk vanuit het goed-en-kwaad-denken.
Hij schroomde niet om deze tegenstelling die hij door ons hele volk zag lopen scherp in het licht te stellen. Denk maar aan de manier waarop hij destijds onze Waardgenoot de heer Mr. Willem Aantjes heeft neergezet. Zijn opvolger Blom daarentegen is meer genuanceerd. Hij durft het niet aan om ieder die niet aan het verzet heeft deelgenomen kwaad te noemen en slechts de kleine minderheid van verzetsstrijders goed.
Hij houdt meer rekening met de zwakheid van de menselijke natuur die maakt dat heldendom meer uitzondering is dan regel. Blom behoort duidelijk bij de tijd die verder van de oorlog afstaat dan die van De Jong.
Inderdaad is het zestig jaar geleden dat de oorlog is afgelopen. Dat maakt de verandering in het kijken naar die tijd wel begrijpelijk.
Verlegenheid
Maar is deze omslag behalve begrijpelijk ook goed? Van oudere mensen is bekend dat zij bij het klimmen der jaren vaak milder worden, maar is dat niet een mildheid die we moeten wantrouwen? De fijne puntjes gaan er wat af en dat is de reden dat ze kwaad niet meer kwaad en goed niet meer goed durven noemen. Het verleden is bij hen bezig een grijs verleden te worden, tussen wit en zwart in. Moeten we zo ook wat ons volk betreft misschien spreken van een slijtage in het oordeelsvermogen?
En is dat dan winst? Hoe eigenlijk te denken over het feit dat tegenwoordig ook Duitsers worden uitgenodigd om aan 4 mei-herdenkingen mee te doen? In het donker zijn alle katjes grauw, zegt het spreekwoord. Is onze cultuur soms bezig een nachtelijk duister binnen te gaan? Of doen we met zulke uitnodigingen aan die eerder genoemde genuanceerdheid recht?
Twee stukjes gelijk
Aan beide zijden van de streep tussen De Jong en Blom ligt een stukje gelijk.
Van Lou de Jong moeten we vasthouden dat het verschil tussen goed en kwaad niet aan een houdbaarheidsdatum gebonden is. Ik voor mij zou als oud-Alblasserdammer niet willen vergeten hoe de NSB-burgemeester hongerige stedelingen hun met moeite verworven voedsel afpakte op de brug over de Noord. Schande! We mogen nooit onverschillig worden voor het kwaad dat toen is aangericht, zoals we ook het werkelijk goede dat gepresteerd is in ere moeten houden. Het juiste van Hans Blom is dat hij aandacht vraagt voor de menselijke factor van de angst die ook de man of vrouw van het verzet niet zelden tot gedragingen bracht die alles behalve moedig waren. Er is geen reden tot idealisering, ook niet van het verzet. En zo kom ik in de buurt van de paar verzen die ik uit de brief aan de Romeinen heb voorgelezen.
Misschien …
De apostel Paulus schrijft daar in hoofdstuk 5: ‘Niet licht zal iemand voor een rechtvaardige sterven, maar misschien heeft iemand nog de moed voor een goede (of: voor het goede, ook die vertaling is mogelijk) te sterven’.
‘Niet licht’ en ‘misschien’ – hoe waar is dat! Dit is van alle idealisme gespeend, het gaat om een zeldzaamheid.
Wij weten dat het Nederlandse volk zich in de oorlog niet zo goed gedragen heeft als wel eens gedacht is. Het waren er maar weinigen die aan de bezetter weerstand boden. En het was in Nederland dat verhoudingsgewijs de meeste Joden konden worden opgepakt. Wij waren geen helden. Zelfs degenen die in het verzet zaten kun je niet allemaal zo noemen.
Naarmate wij er verder vanaf staan gaan we dat zien en wint dat woord van Paulus aan betekenis: Niet licht, misschien zal iemand voor de rechtvaardige zaak zijn leven geven.
Ze waren er!
Zeker, zij zijn er geweest, deze moedigen! Ik zat juist dezer dagen nog eens de afscheidsbrief te lezen van een jong iemand uit mijn omgeving die in 1944 gefusilleerd is. En daarin straalde mij de offergedachte indrukwekkend tegemoet. Een blijmoedige bereidwilligheid om voor de rechtvaardige zaak van de vrijheid het leven te geven, tot een ongeblinddoekt staan voor het vuurpeloton toe. Om er heel stil van te worden! En zo zijn er meer geweest, God dank. Niet alleen in het verzet, maar ook in de kampen van Duitsers en Japanners, verder bij de burgers die medeburgers hielpen en verborgen, en niet te vergeten in de krijgsmacht, hier en in Nederlands-Indië. En over de krijgsmacht gesproken, zouden wij hen durven vergeten die ons van over de grenzen te hulp zijn geschoten?
Het midden
Maar voor idealisering is geen reden. Weet u dat als we dat wél doen vroeg of laat de ontnuchtering moet volgen?
Dat heb ik wel een beetje geproefd in de wijze waarop over die Jan Campert gesproken werd.
Tegenover het ophemelen van voorheen komt dan het neerhalen te staan. Het besmeuren van blazoenen.
Zowel het een als het ander is niet gezond. Laten we in het herdenken de nuchterheid van Paulus bewaren.
Daarvoor moeten we, denk ik, in het midden gaan staan, tussen Lou de Jong en Hans Blom in. Met dat midden komen wij het verst, ook voor de toekomst. Dat midden, dat ons enerzijds afstand doet nemen van de onverschilligheid en ons anderzijds kan bewaren voor het te harde oordeel.
Ook nu en morgen is het immers zo dat de onverschilligheid ons doof en blind maakt voor het vele onrecht dat in de wereld geschiedt en dat aan de andere kant wij ons met een te hard oordeel over anderen te pletter kunnen lopen.
De kloof voorbij
Ik kom met een herinnering. Als kind in de oorlogstijd heb ik het een keer meegemaakt dat er ’s zondags een Duitse soldaat in de kerk zat. Niet om te spioneren, maar gewoon als kerkganger. Eén soldaat, en dat over al die jaren! Dat is niet veel, zult u zeggen. U hebt gelijk. En toch heeft dat op mij als kind een geweldige indruk gemaakt. Het is pas achteraf dat ik dat goed besef. Het was trouwens mijn vader die ons erop wees.
‘Hebben jullie dat wel gezien?’, vroeg hij, zei hij. En vanwaar die grote indruk die dat maakte? Wel, we leefden toen allemaal heel sterk bij de tegenstelling tussen Nederlanders en Duitsers.
Die tegenstelling bepaalde bijna geheel ons denken. Ook van mij als kind. Ik haatte de Duitsers die ons dorp hadden gebombardeerd waarbij zoveel bekende dorpsgenoten onder wie mijn lieve schooljuf juffrouw De Lange omgekomen waren. Het was destijds haast onmogelijk je van dat diepe kloof-denken los te maken. Het werd ook telkens weer door nieuwe feiten gevoed. En dat werd toen in die kerkdienst toch even doorbroken.
Even zag ik (nog eens: meer in de herinnering van nu dan in werkelijkheid van toen) onszelf als Nederlanders en die soldaat als Duitser niet tegenover maar naast elkaar staan. Dat deed mijn kinderziel goed. De tegenstelling tussen ons werd gerelativeerd (al kende ik dat woord toen nog niet).
We keken samen in de kerk één kant uit. De kant van God, de kant van Christus.
Held der wereld
En nu kom ik toch nog even terug op dat woord van Paulus. Want dit is wat de apostel in deze passage van zijn brief in z’n geheel schrijft en eigenlijk wil zeggen: ‘Want niet licht zal iemand voor een rechtvaardige sterven – maar misschien heeft iemand nog de moed voor een goede zaak te sterven – God echter bewijst zijn liefde jegens ons doordat Christus toen wij nog zondaars waren voor ons gestorven is’.
Hier wordt Christus vergeleken met de nobelste helden van het verzet. En Hij steekt ver boven hen uit. Bij Christus schittert niet maar de liefde voor een vaderland dat in gevaar is maar in zijn leven en sterven glanst de liefde voor een wereld die het verdiende en verdient onder Gods oordeel vernietigd te worden. Een wereld van Nederlanders en Duitsers, Japanners en Indonesiërs, Hutu’s en Tutsi’s en wie al niet meer? Wij állen zijn de niet-goeden, de goddelozen voor wie Christus gestorven is.
Naast elkaar
Altijd weer zetten wij de mensen tegenover elkaar: de slachtoffers tegenover hun beulen, de moedigen tegenover de laffen, de Nederlanders tegenover de Duitsers, de onschuldige burgers tegenover de terroristen. En het kunnen inderdaad diepe kloven zijn die mensen van elkaar scheiden.
Maar toch is er één plaats in de wereld – en wij hier bevinden ons op het ogenblik op die plaats! – waar we niet meer tegenover elkaar maar naast elkaar worden gezet. Naast elkaar in de schuld bij God. Naast elkaar ook in stille bewondering voor die Ene die voor ons gestorven is toen wij nog allemaal zondaars waren. Bij het offer dat Hij, Jezus Christus, op Golgota voor ons gebracht heeft verbleekt elk menselijk heldendom. En daarom besluiten wij de 4 mei-herdenking het liefst met een bijeenkomst in de kerk en onder de adem van het evangelie. Want door dat evangelie laten we ons inspireren tot een besliste keuze voor het goede en tegelijk tot barmhartigheid tegenover al degenen die deze hoge norm niet halen.