Dupliek aan Dr Arntzen (1)

1974-12-20
  • Jaargang 18
  • nummer 47
Laat ik beginnen met dr Arntzen te bedanken voor de vriendelijke toon, waarop hij zijn bedenkingen inbrengt tegen mijn nadere verklaring naar aanleiding van mijn omstreden reactie op de oproep van de Verontrusten. Ik hoop in staat te zijn dezelfde toon te treffen, zodat we zonder afleiding ter zake kunnen komen. Het is fijn, je in dezen bij de ander volkomen veilig te kunnen voelen. Ik ben daar (over?)gevoelig voor.
Dr A. heeft mij veel vragen gesteld.
Ik weet niet of ik ze in één keer allemaal kan, behandelen.
Toch geloof ik wel op enige clementie van zijn kant te mogen rekenen, gezien wat hij mild schrijft: "De Jong weet het zelf ook nog niet helemaal, zegt hij, maar wij mogen toch wel enig idee hebben". Inderdaad, dat mogen de lezers. Misschien hebben ze zelfs recht op meer en mogelijk hebben ze ook nu al meer dan dat ontvangen.
Maar, het is waar, er is veel dat nog onaf is in mijn voorstellingen.
Dat is ook nu nog niet overgebeterd.
Nu vraagt dr A. of het dan niet beter is, er (nog) niet over te schrijven. Ik geloof het niet. Een krant is de Heilige Schrift zelf niet. Er mogen probeersels in staan, zelfs domme dingen. Natuurlijk legt geen enkele krantenschrijver zich daarop toe, maar intussen is er ook geen enkele die eraan ontkomt. Het is bekend, dat ons blad de opbouw bedoelt van het gereformeerde leven. Dat kan als norm dienen, maar de toepassing "ervan dan wel graag volgens het beginsel: streng voor jezelf en mild voor anderen.
Het is waar, dat we in een tijd leven, waarin veel dwaling gepropageerd wordt; waakzaamheid is dus geboden. Maar het is evenzeer waar, dat waakzaamheid vandaag gemakkelijk doorslaat in achterdochtige verontrusting.
"Men schrikt bij het lezen ... dat het bijbelgezag in geding is", schrijft dr Arntzen, Ik stel daartegenover, dat men mij uit dit blad kan kennen als iemand, die eerbiedig omgaat met het Woord van God. Dat bewijst op geen enkel punt een gelijk aan mijn kant.
Ik wil alleen zeggen, dat er niemand behoeft, te schrikken, ook niet als hij het met mij oneens is.

Iets anders hangt hier mee samen.
Dr A. bestrijdt niet enkel mijn artikelen, maar ziet mij ook als woordvoerder van Opbouw als geheel en naar aanleiding van daarin verschenen artikelen stelt hij dan de vraag: " ... verpelen we zelf de winst van de vrijmaking niet terwijl we anderen daartoe willen vermanen?" Ik moet er dan toch opmerkzaam op maken, dat iedere redacteur en iedere scribent voor zijn eigen werk de eind-verantwoordelijkheid draagt. Wij zijn het als redacteuren niet in alles met elkaar eens. Er is een opvatting die meer aan de kant van de Verontrusting staat, er is een mening die zich namelijk goed thuis voelt in CDA.-kringen en er zijn nog wel meer opinies. Precies als in de kerken zelf. Wat moeten we nu? Terwille van de vaste koers van ons blad één mening. laten overblijven, nadat de andere weggeorganiseerd zijn? Opbouw is uit verzet hiertegen ontstaan. Daarmee is destijds een niet eenvoudige weg gekozen, waar maar niemand triomfantelijk over moet doen. Het gaat er vandaag om, deze weg eerlijk te vervolgen. Wij moeten geen krant verwachten, die sterker is dan de kerken zelf.
Binnen de gereformeerde opzet heeft iedere redacteur het recht met zijn opinies het lezerspubliek te beïnvloeden. Daarbij zoeken we de overeenstemming, maar vinden die niet altijd.

• Schriftgebruik

Wat nu het verschil tussen dr A. en mij betreft, het gaat toch wel voornamelijk over het gebruik van de Heilige Schrift. Ik ben ervan overtuigd, dat wij samen hartelijk verbonden zijn in de liefde tot het Woord van God en dat wij met ps. 119 het hele hebreeuwse alfabeth nodig hebben om deze liefde uit te zingen. Maar ik geloof, dat er in de Schrift nog een actualiteit ligt opgesloten, die tot vandaag toe weinig ontdekt, laat staan gebruikt is. Dat klinkt natuurlijk weer erg pretentieus, maar dat is onvermijdelijk. Ik geloof trouwens, en heb dat ook al eens geschreven, dat volgens de belofte van God de Heilige Schrift naar het einde toe een steeds rijker bron zal blijken te zijn. Zoals Daniël van de eindtijd zegt: Velen zullen onderzoek doen, en de kennis zal vermeerderen (12 : 4). Met dit woord zijn we in de sfeer van Gods lieve leiding en kunnen we zwijgen over pretenties.
Maar, zal dr A. zeggen, als Gods Geest werkt, dan zien we toch steeds in de kerkgeschiedenis een terugkeer naar Gods Woord?
"Vraagt naar de oude paden" (Jes. 6 : 16) "keer weder tot, Mij, want Ik heb u verlost" (Jes. 44: 22).
Deze nadruk op terugkeer is terecht.
Tegelijk geloof ik, dat toen Luther terugkeerde naar Gods Woord, hij meer verrijkt werd dan Augustinus. Er zit ook een stuk vooruitgang in elke volgende terugkeer.
Dit eschatologische aspect aan de wederkeer is door Luther zelf tegenover bijvoorbeeld Karlstadt, denk ik, teveel miskend.
Het gaat me niet om de ideeën van zulken als Karlstadt, maar Luther heeft wel eens wat te snel van dweperij gesproken.
Zo verzandde de terugkeer in de Lutherse kerk haast in stilstand of achteruitgang. De Geest van God wil ons evenwel door terugkeer een verder brengen en in alle waarheid leiden.
Opdat nu echter niemand zal denken, dat ik in dezen de charismatische beweging van onze dagen bijval, die immers zoals de oude anabaptisten, de, Geest losmaakt van het geschreven Woord en Item zelfs daartegen uitspeelt, wil ik duidelijk stellen, dat ik het heb over een vooruitgang in het verstaan van de gegeven openbaring.
Niet de Bijbel zelf wordt uitgebreid, maar de verklaring wordt dieper.
Een voorbeeld daarvan heb ik gegeven naar aanleiding van het woord van Jezus uit de Bergrede over het gebod: gij zult niet doodslaan.
Dr A. vindt de uitleg van mij net iets te scherpzinnig en hij wordt herinnerd aan het spelletje "ik zie, ik zie, wat jij niet ziet". Dr A. schrijft dan: "Ik dacht, dat het vertrouwen van de verontrusten te winnen zal zijn door een eenvoudige, voor de hand liggende bijbelverklaring.
De Schrift is rijk genoeg, Wij hoeven die niet rijk te maken. Wat anders is, dat we de schatten wel .moeten opmerken en opdelven."
Dit laatste is inderdaad wat anders' dan het eerste. want: wat opgedolven moet worden, ligt dat voor de hand? Terloops signaleer ik hier, dat opnieuw door de verontrusting de vertrouwenskwestie gesteld wordt.

Ik heb eens een dokters-vrouw die zelf arts is een geschoten eend zien schoonmaken. Het was een plezier om daarnaar te kijken: het mes was in haar hand inderdaad een ontleed-mes. Aan de andere kant zie ik soms mensen een sinaasappel voor gebruik gereed maken op een manier dat ik denk: beledig de Schepper toch niet zo!
Behandeling van een Schrift-tekst boeit mij, als ik de indruk krijg dat degeen die bezig is voorzichtig de geledingen van het Bijbelwoord aftast en het dan vervolgens uitlegt. Maar hoe vaak hoor of lees je geen Schrift-uitleggingen"
waarin het christelijke dogma met grote klodders over de tekst heengesmeerd wordt. Er kunnen dan wel waarheden verkondigd worden, maar de tekst zelf komt niet tot spreken. Het is waar dat de Schrift-verklaring rekening moet houden met het verstaan van de gemeente, maar ze mag zich met dat verstaan ruet tevreden stellen. Schriftverkondiging roept als het goed is onder de gelovigen tweeërlei reactie op: zo is dat! En is dat zo? Nieuws en oude dingen, zei Jezus heel pastoraal. De verklaring die ik bood van Matth. 5: 2 v.v. staat dan ook niet op gespannen voet met de weergave, die we aantreffen in Zond. 40 van de H. Catechismus, zoals dr A. vindt. Ze brengt daar slechts een ti adere verfijning in aan, doordat een historische dimensie in dit woord van Jezus wordt aangewezen, Jezus is zich bewust in een andere situatie dan Mozes dit gebod Gods door te geven.
In plaats van nu tiet gebod van God aan de nieuwe situatie aan te passen en dus te vervlakken, gebruikt Hij juist de eindtijdelijke situatie om tot de diepste bedoeling van het gebod door te dringen: nu de uiterlijke handhaving van het gebod door de sterke arm van de overheid gaat verdwijnen, vraagt het gebod, meer dan de tijd van de 'ouden'; om een innerlijke en vrijwillige beslissing tot gehoorzaamheid, Is dit gezocht? Mij dunkt, dit is voedsel voor juist onze tijd.

• Geschiedenis

Als ik de Bijbel goed lees, meen ik daarin op te merken, dat hij ons niet alleen geschiedenis vertelt.
maar ook vertelt, wat geschiedenis eigenlijk is. Vooral het Oude Testament doet dat. Uit het geheel daarvan komt naar voren, dat geschiedenis is een op een einddoel gericht gebeuren, met eind tijdelijke toespitsingen op dat doel. Wat is dat doel? De profeet Maleachi schrijft (3: 18): "Dan zult gij opnieuw het onderscheid zien tussen de rechtvaardige en de goddeloze; tussen wie God dient en wie Hem niet dient".
Opnieuw zien? Ja, want de geschiedenis van Israël heeft meerdere eindtijden gekend. De tijd vóór de ballingschap was er bijvoorbeeld een. In zulke crisis-situaties komt er bij de mensen uit wat er in zit. En dat zal in de uiteindelijke dag des Heren, waar Maleachi het over heeft, definitief het geval zijn. In de verwarring van het gebeuren komt dat verschil tussen rechtvaardigen en goddelozen er niet altijd uit. Het uiteindelijke doel van de geschiedenis is daarom ontmaskering: ontmaskering, verduidelijking van het eigenlijke geding.
Nu eindigt, theologisch gezien, Israëls geschiedenis met Golgotha, waar Israël zich van Jezus ontdoet.
De gelijkenis zegt: ten laatste stuurde de heer zijn zoon, zeggende: dezen zullen zij ontzien (Matth. 21 : 37). Het is inderdaad Jezus Christus die Israëls geschiedenis haar eindtijdelijke fase binnenvoert en het volk plaatst voor de onontwijkbare beslissing: aan Hem wordt Israël goddeloos, of door Hem wordt Israël rechtvaardig. Jezus Christus is de eindtijdelijke figuur bij uitstek in Israëls geschiedenis.
Tegelijk heeft Jezus door zijn verzoenend sterven en door zijn opstanding een nieuwe, geweldige ruimte geopend, waarbinnen de geschiedenis der volken zich kon gaan afspelen. Spitste zich Israëls geschiedenis eindtijdelijk op Golgotha toe, pasen heeft een nieuwe ruimte geschapen, waarin op wereldwijde schaal de geschiedenis der volken als eindtijdlijk gebeuren zich kan gaan voltrekken, volgens de boekrol, waarvan het Lam de zegels verbreekt (Openb. 5).
De Handelingen en de Brieven in het Nieuwe Testament leggen voor deze geschiedenis de basis.
terwijl de Openbaring er een geestelijk ontwerp van levert. En de evangelies? Ze behandelen tweeërlei gebeuren: de eindtijdelijke fase van Israëls geschiedenis, waarin Jezus tot beslissing stuwt en daardoorheen ontwaren we de trekken van de allerlaatste eindtijd der geschiedenis. Dit door elkaar heen van Israëls eindtijd en 's werelds eindtijd komt bizonder duidelijk naar voren in Jezus' rede over de laatste dingen (Matth. 24).
Ook Jezus' woord over de komende en gekomen Elia is in dit verband opmerkelijk (Marc. 9: 9-13).

Op het geheel van de geschiedenis zou men de schematische figuur van een kerstboom kunnen toepassen: de voet, toelopend in een punt: Israëls geschiedenis. Daarop het brede grondvlak, waarop de zijlijnen met inkepingen naar omhoog streven: de wereldgeschiedenis met haar einde. De inkepingen opzij geven dan de eindtijdlijke vernauwingen aan, die periodiek in de geschiedenis zijn voorgevallen en misschien nog zullen voorvallen, en de ontspanningen daarop volgend. Op het punt waar de voet de basis raakt en draagt, staat Christus.
Dit alles betekent nu, dat de geschiedenis van Israël, ons in het Oude Testament en in de evangelies beschreven, een soortelijke gelijkenis met de wereldgeschiedenis vertoont. Ik ben mij bewust, dat hier een groot gevaar dreigt, dat we namelijk het Oude Testament voor een soort program in détails van de wereldgeschiedenis gaan houden. Zoals dat vaak met de Openbaring het geval is geweest, gaan we dan het Oude Testament als een Enkhuizer Almanak hanteren. Het buikspreken is dan wel niet van de lucht. Om dit gevaar te ontgaan, spreek ik daarom van een soortelijke gelijkenis.
Het Oude Testament onderwijst ons (onder andere!) aangaande het verschijnsel geschiedenis, aangaande het soortelijk gewicht van het gebeuren, dat bevrucht is door het Woord van God. In deze zin kan het frappant behulpzaam zijn bij het verstaan van onze situatie.
Daar zal ik in de voortzetting van dit artikel een voorbeeld van geven.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief