Een synodale schuldbelijdenis

1974-01-04
  • Jaargang 18
  • nummer 1
Dit opschrift zal velen vreemd in de oren klinken.
En terecht.
Want dat een synode schuld belijdt - dat is in de kerkgeschiedenis een ongehoord ding!
Zoiets doet een synode nu eenmaal niet!
Natuurlijk, "in het algemeen" schuld belijden - dat kan! Dat doet men zelfs vlot. Dat doet ook niemand zeer. En dat klinkt zelfs wel goed in de kerk. Maar dat een kerk door haar kerkeraad, of een kerkgemeenschap door haar synode een concrete schuld belijdt, neen, dat kwam en komt praktisch niet voor.
Men kan wel aangrijpend preken over de schuldbelijdenis die Daniël en Nehemia als tolk van het volk Israël voor Gods aangezicht uitspraken - maar deze mannen daarin navolgen - dat is een andere zaak!
In de Rooms-Katholieke Kerk werden een paar jaar geleden pogingen in het werk gesteld om de regering van die Kerk er toe te brengen concreet schuld te doen belijden over het verschrikkelijke vonnis dat zij eenmaal over Luther uitsprak - Maar er is niets van gekomen.
Hetzelfde heeft men geprobeerd in de Ned. Herv. Kerk. Daarin is namelijk gevraagd of de synode de wandaad die haar voorgangster uit de dertiger jaren van de vorige eeuw tegen de Afgescheidenen bedreef met betuiging van leedwezen wilde diskwalificeren.
Die synode joeg namelijk met alleen de Afgescheidenen de kerk uit - ze verzocht ook aan de Overheid hen krachtdadig te vervolgen! Maar ook deze poging liep in feite op niets uit.
Toch is het eenmaal gebeurd dat een synode duidelijk, zonder vrome camouflerende praatjes, het kwaad dat een voorgangster in de kerk had aangericht als zonde beleed, daarvoor vergiffenis vroeg en dat zoveel als in haar vermogen was ongedaan maakte!
Dat geschiedde in de Afgescheiden kerk.
En wel door de synode ervan die in 1840 samenkwam.
In dit artikel wil ik daarvan iets vertellen.

wijsheid der Afgescheidenen

Nadat in 1834 de Afscheiding in UIrum een feit was geworden ontstonden in korte, tijd overal Afgescheiden Kerken. In de Handelingen van de synode van het Ned. Herv. Kerkgenootschap van 1841 kan men lezen dat er in het daaraan voorafgaande jaar alleen reeds 46 Afgescheiden Kerken werden geregistreerd! Enkele jaren na 1834 waren er al een paar honderd!
In 1836 kwam de eerste synode van de Afgescheiden Kerken bijeen.
De kerken hadden naar die synode gehunkerd! Ze kenden elkaar niet. Ze werden bovendien fanatiek vervolgd. En ze wilden nu beleven wat Paulus op zijn tocht naar Rome ervoer. Dat staat in Hand. 28 : 17: "Toen Paulus de broeders zag dankte hij God en schepte moed!"
Die eerste synode van de Afgescheiden kerken was een fijne synode. Ze kwam vanwege de vervolging in het geheim samen.
En ze duurde slechts kort, van 2-12 maart. Maar ze heeft veel gedaan!
Op deze synode werd ook over de kerkorde gesproken.
Voor het eerst sinds de Dordtse synode van 1618/19 was er weer een generale synode van Gereformeerde Kerken bijeen!
Natuurlijk kwam daarop ook de Dordtse Kerkorde ter sprake. Die was in de Ned. Herv. Kerk afgeschaft.
Ze paste ook niet in de situatie van de Kerk na de franse tijd. De Geref. Kerken waren immers geen "heersende kerk"
meer. De artikelen die over het verband met de overheid handelden hadden hun zin verloren. En er stond daarin nog veel meer dat verouderd was.
Wat in die synode over de K.O. is gezegd wordt in de Handelingen zó verteld: "Werd gehandeld over het nazien der Dordrechtsche Kerkeordening; de gevoelens daarover zeer uiteenloopende, verzocht de Praeses (ds Scholte), daar de tijd verloopen was, dat een eigelijk der leden zijne denkwijze kortelijk zou trachten te ontwikkelen, om alzoo tot een bepaald besluit te komen: dit algemeen goedgekeurd zijnde, wordt deze Sessie... gesloten."
(art. 23) De leden van de synode hebben blijkbaar gedaan wat de praeses vroeg. Op de volgende zitting komt dan de K.O. opnieuw ter sprake. En over wat daarin gebeurde leest men het volgende: "Werd na vervuldige gesprekken besloten, dat wij in het behandelen der kerkelijke zaken zullen volgen de regelmaat van de Dordrechtsche Kerkeördening, zoo veel zulks door het gebrek aan Herders en Leeraars in de gemeente en den toestand der Kerk in dezelver verdrukking geschieden kan …zullende op eene volgende algemeene vergadering nader hierover besloten worden."
(Art. 28) Dit was een wijs besluit!
Daarin wordt het karakter van een kerkorde ten volle gehonoreerd.
Die is namelijk geen wet, geen statuut, geen reglement, geen contract, maar een orde.
Prof. Rutgers, de grote kenner van het geref. kerkrecht, zegt ergens, dat de geref. kerken altijd betrekkelijk slap waren in de handhaving van de kerkorde.
Wanneer de orde, de welstand der Kerken geen gevaar liepen, wanneer die integendeel nog bevorderd werden door een afwijking van de ordinantiën, werd zulke afwijking niet alleen niet verkeerd geacht, en dus niet slechts geduld, maar zelfs goedgekeurd.
Goed gereformeerd besloot dus de eerste synode van de Afgescheiden kerken naar de Kerkorde te leven voor zover de situatie waarin de kerken destijds verkeerden dat toeliet.

dwaasheid der Afgescheidenen

Helaas zijn de Afgescheidenen ten aanzien van de kerkorde niet zo wijs gebleven.
Anderhalf jaar na de eerste generale synode kwam de tweede bijeen, op 28 september 1837.
Die synode besloot vooral op aandringen van ds Van Velzen deze heeft door zijn soms zeer bedenkelijk optreden enorm veel schade aangericht in de eerste jaren na de Afscheiding! - een nieuwe kerkorde in elkaar te zetten!
Op die synode rees aanstonds veel verzet tegen wat Van Velzen wilde.
Maar Van Velzen zette zijn zin door!
En zo timmerde die synode een nieuwe kerkorde in elkaar. Nota bene in voltallige synodezittingen!
Stuk voor stuk werden de artikelen van de oude kerkorde daarin bekeken, om dan weggelaten, veranderd of ongewijzigd overgenomen te worden.
Na de synode werd die nieuwe kerkorde in het licht gezonden met een voorrede van Van Velzen waarin deze o.a. verklaarde dat "een iegelijk verpligt is, zich daaraan te onderwerpen. Indien er zijn, die eigendunkelijk daarvan wilden afwijken, die zouden een groot kwaad doen." Wie die kerkorde niet wilden aanvaarden zouden o.a. "den Koning der Kerk, die door Zijne dienaren regeert, met daden verwerpen, maar daarom ook Zijner toorn moeten ondervinden." En Van Velzen wees zulke boosdoeners daarbij op wat Korah, Dathan en Abiram in de woestijn overkwam.
"Zoo ook zouden nu alle beroerders der Gemeente het ongenoegen en den toorn Gods op zich laden."
Zoals ik zei heerste reeds op de synodezittingen een onaangename spanning. Een ouderling vertelde dat hij eens ds De Cock 's avonds geknield voor zijn bed aantrof, schreiend van ellende. En De Cock zelf schreef aan zijn vrouw dat de satan in die synode bezig was. De uitgave van de kerkorde met de voorrede van Van Velzen wierp nog extra olie op het vuur.
Tot overmaat van ramp hadden de kerken van Zuid-Holland, Utrecht en Beneden-Gelderland die ds Scholte volgden een eigen kerkorde gefabriceerd! En andere provinciale kerkvergaderingen en gemeenten hadden hetzelfde gedaan.
Bovendien had de synode de dwaasheid uitgehaald in de nieuwe kerkorde een paar leeruitspraken"
op te nemen. Die lijken erg veel op die welke de synode van 1939/43 produceerde. De synode sprak daarin namelijk o.a. uit: "Allen die belijdenis des geloofs afleggen, en dienovereenkomstig wandelen, moeten met hunne kinderen als lidmaten bij de Gemeente Christi beschouwd worden." En: "De genoemde belijders en hunne kinderen moeten als lidmaten erkend blijven, tot zoolang zij wegens hunne leer of wandel van de Gemeente worden afgesneden."
Vooral deze uitspraken verwekten hevige beroering.
Het resultaat van dit alles was dat de Afgescheiden Kerken in minstens drie groepen werden uiteengescheurd !
En aan deze kerken werd een schade berokkend die nooit géheel hersteld werd.

terug naar de oude kerkorde

Nadat deze ravage in de pas vrij geworden kerken was aangericht kwam in 1840 de middengroep van de Afgescheiden Kerken in een nieuwe generale synode bijeen.
En daarop gebeurde nu wat ik hierboven signaleerde.
Deze synode herriep namelijk de dwaze besluiten die haar voorgangster ten aanzien van de kerkorde had genomen en keerde tot de juiste opvattingen en het goede gebruik daarvan terug. Zij sprak namelijk het volgende uit: Wij verklaren, "dat wij de Dordsche Kerkeördening erkennen, met ter zijde stelling van al datgene, hetwelk wij vroeger betrekkelijk Kerkeördeningen vervaardigden, oordeelende, en hopende dat zulks tot stichting van de Gemeente des Heeren verstrekken zal. Eenen geruimen tijd toch, is dit tot twist in de Gemeente geweest en buiten de zelve werd reeds gezegd, dat de Afgeschiedenen zich even als velen met nieuwigheden te maken ophielden. En hoezeer wij ook in gemoede overtuigd zijn, dat wij de stichting der Gemeente bedoelden, nogtans konden wij deze beschuldiging niet ontgaan ...
Zonder de minste verandering, erkennen wij dan deze Kerkeördening als de onze; nodemaal de Gemeenten als van zelve den weg zullen aangewezen zien, om naar gelegenheid van plaats en tijd zoodanig te handelen, als tot stichting noodiz bevonden worden, behoudens den geest in deze Kerkeördening uitgedrukt.
Niemand denke echter, dat wij met deze Kerkeördening een juk op de Gemeenten zouden leggen.
Neen, wij willen hiermede toonen, dat het ons doel alleen is, om ons ten naauwste te vereenigen met de regeering, tucht en dienst, gelijk onze Voorvaders dezelve gesteld hebben."
Op deze, ietwat onbeholpen wijze, sprak de synode uit, dat de kerkorde geen "juk" voor de kerken is; dat ze dus geen "wet", "statuut" of "reglement" daarvoor is, maar alleen een "orde" ter bevordering van de "stichting" der gemeente; dat het vooral op de anti-hiërarchische, de zelfstandigheid en vrijheid der kerken volledig intakt latende "geest" van de kerkorde aankomt en dat ze naar gelegenheid van tijd en plaats moet worden gehanteerd.

vroomheid der Afgescheidenen

Nadat de synode zo teruggekeerd was tot de goede, oude hantering van de kerkorde, beleed ze op aandoenlijke wijze schuld over wat vroeger was geschied.
Men kan dat alleen met ontroering lezen. Ze sprak namelijk het volgende uit: "En terwijl wij erkennen door onvoorzigzigheid, met het vervaardigen van eene andere Kerkeördening, de Gemeente ontrust te hebben, niet inziende dat die vervaardiging zoodanige gevolgen van verwarring zouden hebben, zoo wenschen wij dat nu, door de ter zijde stelling van alle eigengemaakte Kerkeördeningen, en door de erkenning van datgene hetwelk onze Vaders daargesteld hebben, de gemoederen tot rust gebragt mogen worden van allen, zoo wel Afgescheidenen als niet-Afgescheidenen, die deswegens bevreesd waren geworden. Terwijl dan nu ook voor de laatsten, indien zij door dit bezwaar werden terug gehouden, de weg gebaand is om zich openlijk met ons te vereenigen ...
Met schaamte en schulderkentenis zien wij thans terug op hetgene, dat vroeger door ons gedaan is, en oorzaak kan geweest zijn van vele oneenigheden in de Kerk en onlusten buiten dezelve. Onder inbidding dat de Heere ons genadig zij, om de ongeregtigheid en de zonde hierin gepleegd, te vergeven en dat Hij herstelIe hetgeen wij verbroken hebben (want och! wij kunnen wel breken, maar niet herstellen, dat is Zijn werk) wenschen wij tot dat standpunt terug te keeren, waar wij ons bevonden, toen wij uit het Babel van valsche leeringen zijn uitgegaan, met ter zijde stelling van hetgeen ons op nieuw een Babel scheen te zullen maken, doch waarvoor de Heere ons behoede!
Wij willen hiermede niet zeggen, dat wij zonder Kerkeördening zouden willen zijn. Neen! maar wij nemen aan hetgeen voor de Gereformeerde Kerk als zoodanig bestónd, gelijk wij nu verklaard hebben.
Wij wenschen tevens, dat de Heere ons door genade geve, dat wij onder deze onze pogingen, in kinderlijke eenvoudigheid, niet zonder ondervinding van des Heeren goedkeuring werkzaam mogen bevonden worden in de gevolgen, gelijk, ja nog meer, als wij reeds op onze Vergadering ondervonden hebben.
Wij bevelen dan onszelve en de Gemeenten Gode en den Woorde zijner Genade aan en in de Gebeden van alle Kinderen Gods, om ons voor Zijnen troon geduchtig te zijn, bedenkende, hoezeer wij des Heeren leiding en bestier in onze bedieningen noodig hebben, en dat wij onbekwaam zijn om iets goeds te doen als uit ons zelven, maar onze bekwaamheid is uit God.
De Allerhoogste zegene deze onze pogingen tot eer van Sions Koning en tot bevordering van Sions heil, is de wensch onzer zielen."

nieuwe zegen

Het heeft nog vele jaren geduurd vóór in de Afgescheiden kerken de onrust, de tweedracht, de scheuringen die door de manipulaties van de synode van 1837 werden veroorzaakt waren te niet gedaan. Maar geleidelijk geschiedde dat toch - hoewel nooit geheel! Vooral ook toen de onderscheidene opleidingsscholen, die, als steeds, tot onzalige twisten aanleiding hadden gegeven, verenigd werden in de Kamper Theologische School.
In 1854 en in 1869 kwam het tot hereniging van uit elkaar geslagen groepen van Afgescheiden kerken. En naarmate de eenheid der kerken werd hersteld groeiden zij. Op wonderbaarlijke wijze.
Want terwijl in de periode van 1850 tot 1890 de bevolking van Nederland met 47% toenam groeiden de Afgescheiden kerken met 369%. Zij klommen in die tijd van plm. veertigduizend leden tot ruim honderd negen en tachtig duizend!
Het bleek ook in de Afgescheiden Kerken dat God zijn zegen verbindt aan oprechte belijdenis van zonde en schuld.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief