Elkaar tot zegen
2013-01-12
85 of 26 – een wereld van verschil. In de NGK Zeist kunnen ze erover meepraten. Foeke Kuiper (85) en Christien Beuving (26), allebei al meer dan vijftien jaar lid van deze gemeente, zijn bereid om er voor Opbouw speciaal voor te gaan zitten. Een inspirerende ontmoeting, waarin oud en jong elkaar voor het voetlicht halen. ‘Zonder die jongeren waren we op den duur bevroren.’- Jaargang 57
- nummer 1
Er is niet veel voor nodig om hen in gesprek te krijgen. De begroeting is hartelijk van beide kanten, de koffie staat klaar. We hebben afgesproken in de Oosterborch, het Zorggarantappartement van Foeke Kuiper en Riek Kuiper-van Oord (86). Hoewel wat minder goed ter been – zij recent vanwege een ongelukkige val, hij al wat langer – zijn ze dankbaar dat ze nog actief kunnen zijn. Ter illustratie: in huize Kuiper wordt regelmatig gebruikgemaakt van een pc (met flatscreen), een mobieltje en zelfs een tablet. Toch voelen ze dat de jaren gaan tellen. ‘Je wordt kwetsbaarder.’ De Kuipers kennen Christien Beuving wel, maar zijn vooral vertrouwd met haar ouders. Toen Foeke en Riek zich in 1996 aansloten bij de Nederlands Gereformeerde Kerk van Zeist waren de Beuvings er al een aantal jaren lid. De families zijn oude bekenden, maar dat betekent niet automatisch dat Foeke Christien goed kent. Zij woont sinds een paar jaar op kamers in Utrecht, waar ze ook studeert. In het weekend is ze echter vaak bij haar ouders, omdat ze nog altijd lid is van de gemeente waar ze is opgegroeid. Vandaar ook dat we op deze vrijdagavond zo gemakkelijk hier konden afspreken.
Het maakt me nieuwsgierig. Hoe kan het dat het studentenleven op zondag blijkbaar niet opweegt tegen een kleine gemeenschap in Zeist, met jarenlang een gemiddelde leeftijd van boven de 50 jaar? En wat maakt iemand van 85 zo enthousiast over een omslag die vooral voor verjonging heeft gezorgd?
Hoe zou je jullie gemeente op dit moment typeren?
Christien: ‘Als een warme gemeente.
Het klinkt misschien gek, maar voor mij is het min of meer een verlengstuk van mijn familie, misschien wel juist doordat jong en oud hier zo door elkaar loopt. Je deelt iets met elkaar. Dat geeft een diep gevoel van verbinding.’
Foeke: ‘Ik noem het veelkleurig.
Niemand hoeft zich hier te verantwoorden over zijn herkomst. Dat zie je in meer NGK’s, daar zitten mensen van heel verschillende origine.
Ik ben zelf van huis uit een Nederlands-hervormde jongen, jouw vader was rooms-katholiek, er zijn er die vrijgemaakt waren, gereformeerd synodaal of nog anders. Dat verschil in ligging vind ik een heel sterk punt.’
C: ‘Daarin verschillen wij dan misschien wel wat, want waar iemand vandaan komt, daar houd ik me niet zo mee bezig. Voor mij telt vooral hoe je bent als mens, de inslag. En ja, die is hier veelkleurig.’
Jong of oud: is dat een wereld van verschil?
F: ‘Zo bekijk ik het niet. Mensen zijn voor mij individuen. Contact heb je niet met een groep, maar met deze en gene. Je geeft aandacht over en weer. In het kerkelijk leven is het geestelijke aspect belangrijk, maar er is ook het sociale aspect. Elkaar aandacht schenken, naar elkaar vragen.
Ik ben zeeman geweest, ik heb veel gereisd. Daardoor weet ik wat het is om vreemdeling te zijn en hoe belangrijk het is om contact te maken.
Ik maak graag kennis, juist met jonge mensen. Riek en ik hebben dat altijd veel gedaan. We nodigen ze uit om te komen eten en dan praten we, over hun leven, waar ze mee bezig zijn. Als gemeente moet je de faciliteiten leveren. De jeugd moet zichzelf kunnen uitvinden.’
C: ‘Misschien saai, maar ik ben het met u eens. Ik hoor natuurlijk bij de jongere generatie, maar ik denk ook niet zo in categorieën; dé jongeren tegenover dé ouderen. Wat me in Zeist juist zo aanspreekt is dat de gemeente één geheel vormt. Dat het mengt. Ik interview hier de nieuwe leden voor in ons kerkblad, en die zeggen het allemaal: bijzonder dat jong en oud het hier zo samen doen.
Dat is iets wat de laatste jaren heel sterk gegroeid is.’
Dat klinkt als een omslag. Hoe is dat gegaan?
F: (lacht) ‘Dat had ook wel te maken met wervingszucht. Ik weet nog goed dat we zo’n tien jaar geleden met elkaar zaten te praten: waar gaan we als gemeente naartoe? We waren een oude club, de gemiddelde leeftijd lag hoog en we werden steeds kleiner; mensen ontvielen ons, maar er kwam geen jong spul meer bij. We hebben toen eens in de spiegel gekeken en ons afgevraagd wat we als gemeente moeten zijn: zijn we naar binnen gericht of naar buiten, of is het een mengvorm? We kwamen erachter dat we op een doodlopend pad liepen. Door niets te doen, raakten we een beetje bevroren.’
C: ‘Ik weet het nog goed. We kerkten in een gebouw van de Protestantenbond, dat kon alleen van 9:00 tot 10:00 uur en daarna moest je weer snel weg zijn.’
F: ‘Geen tijd dus om koffie te drinken, behalve eens in de zes weken, dan mocht het een keer. Maar dan zat je aan tafels. Er was geen ruimte om rond te lopen en elkaar eens af te wisselen.’
C: ‘Als ik nu terugkijk, was het wel kaal ja. Ook wat leeftijdgenoten betreft.
Ik heb jarenlang catechisatie gehad met twee, hooguit drie anderen samen. Belijdeniscatechisatie had ik in mijn eentje. Ik wist niet beter. We hebben toen aansluiting gezocht bij jeugd van de PKN hier in Zeist, zodat we toch een groep hadden om wat mee te doen.’
F: ‘Dat was dus het eerste wat moest gebeuren: een andere locatie. En daardoor een ander tijdstip en de mogelijkheid om na de dienst koffie te drinken en elkaar in alle ruimte te ontmoeten. Het tweede was de komst van Judith Cooiman, onze nieuwe dominee, in 2011. Niet dat het voor een gemeente erg is om vacant te zijn hoor. Dat heeft zeker ook z’n voordelen, want dan moet je alles zelf bedenken.’
Hoe vonden jullie dat, dat juist zo’n jonge vrouw jullie predikant werd?
F: ‘Dat was voor onze gemeente heel verfrissend.’
C: ‘Mij sprak het ook aan. Judith was eerst al jeugdwerker bij ons. Ze organiseerde van alles: een eetclub, een bijbelclub. De kring van 18-plussers, Zeist-West in Beweging, is hier nog altijd een begrip. De afgelopen jaren hebben zich steeds meer jongeren aangesloten, vooral twintigers. Dat was voor mij een heel leuke, nieuwe ervaring. Eindelijk leeftijdgenoten!’
F: ‘Ik herinner me nog goed de gemeenteavond waarop we besloten dat we het beroep op haar zouden uitbrengen. Juist sommige jongeren vonden dat eerst lastig, weet je nog?
Iemand van hun leeftijd, die ze al kenden… Ik had er geen moeite mee. Ik heb dat toen ook zo gezegd: ze blijft voor ons dezelfde, ze krijgt alleen een andere rol.’
Hoe ervaren jullie de zondagse diensten?
F: ‘Ik ga er met genoegen naartoe.
Hier in Zeist is het vooral de gevarieerdheid die me goed doet; de muzikale begeleiding, de liederen, allerlei momenten in de dienst. We zijn een open gemeente. En we hebben veel gewonnen met onze dominee. In de verkondiging ervaar ik zowel stabiliteit als actualiteit. En het is doorleefd, dat hoor je. Maar ik ga ook omdat ik vind dat het hoort. Niet dwangmatig, zo bedoel ik het niet. Je bent lid van het lichaam van Christus, dan moet je daar ook vorm aan geven. Ik kan gerust zeggen dat ik het mis als ik niet ga. De jaren op zee hebben daar ook mee te maken. Aan boord was je een individu, ik genoot ervan als ik eens een kerkdienst kon bezoeken, waar ook ter wereld.
Samen met anderen, al was het aan de andere kant van de wereld, God ontmoeten. Daar gaat het om.’
C: ‘Ik kan me daar wel in vinden. Als kind moest ik, nu wil ik. Ik merk dat ik het nodig heb, een beetje zoals je een goed ontbijt nodig hebt. Wat mij vooral aanspreekt? Een mooi lied, een mooi gebed, een moment van stilte, een inspirerende preek, het aansteken van de kaars, dat soort dingen. Voor mij is God een mysterie. Wij zijn maar zo klein, maar soms voelt het of we dat niet meer zo zien. Soms mis ik dat mysterie wel. Waren we maar eens wat minder met elkáár bezig, denk ik dan.’
F: ‘Dat begrijp ik wel. Ik heb altijd geijverd voor stil gebed aan het begin van de dienst. Dat je beseft dat je God gaat ontmoeten, de Schepper van hemel en aarde. Er is veel wat die aandacht kan wegtrekken. Onrust in de dienst vind ik lastig, al zal ik er geen zwaar punt van maken. De eredienst is een moment van wijding, zo beleef ik dat.’
C: ‘Dat vind ik een mooi woord, “wijding”. Geen vereiste maar een behoefte, ik heb het nodig om mijn leven vorm te geven.’
Zijn er meer aandachtspunten?
F: ‘We moeten niet te groot worden.
Op dit moment hebben we zo’n 130 leden, laten dat er eens 200 worden.
Maar meer niet, want dat zou ten koste gaan van de contacten.’
C: ‘Dat kan ik beamen, maar ik aarzel wel. Je moet ook geen mensen gaan uitsluiten. En je kunt ook te intern gericht raken, daar moeten we hier in Zeist denk ik wel voor waken.’
F: ‘Ik zou soms wat meer verdieping willen. We werken nu bijvoorbeeld met jaarthema’s. Dat vind ik mooi, maar voor mijn gevoel leeft het niet echt. Terwijl je juist daarmee de kans krijgt om dieper te spitten, omdat er door zo’n thema ineens heel andere vragen op je afkomen. Je hoort er natuurlijk wel de preken over, maar daar blijft het wat hangen. Op onze bijbelkring bijvoorbeeld blijven we gewoon met onze eigen onderwerpen bezig, de bijbelboeken. Dat kan wat oppervlakkig worden. Het mag van mij wat meer over het christelijke leven gaan.’
Wat is dat, christelijk leven?
C: ‘Ik denk dat het vooral gaat om het contact met andere mensen, hoe je daarin bezig bent. Uitdragen dat God bestaat en dat Hij liefde is, dat doe je door zelf je naaste lief te hebben.’
F: ‘Voor mij is het een voortdurend bijstellen van je gedrag om Christus’ wil. Navolging, ook al gaat dat tegen mijn natuur in.’
Wat betekent geloven voor je?
F: ‘Alles. Ik zou niet zonder kunnen.
Als zeeman keek ik al naar de sterren en voelde ik me klein. Dat besef is nooit meer weggegaan.’
C: ‘Voor mij betekent het vooral vertrouwen. Ik zei daarnet al dat God voor mij mysterie is, een “groot geheimenis”, om het zo maar eens te zeggen. Naar dat geheim ben ik op zoek, het is een voortdurend zoeken naar waarheid. En het betekent ook een accepteren van mijn eigen nietigheid.
Er komt een punt dat je niet alles weet. Ik voel me afhankelijk, ik wil Hem vertrouwen en ik hoop dat ik dat zal blijven doen.’
F: ‘Wij noemen dat leiding. Dat is voor ons het mysterie. Waarom was iets toen zus en toen zo? Waarom was ik juist op die plek op dat moment?’
Wat houdt jouw geloof levend?
F: ‘Riek en ik lezen iedere morgen uit een dagboek van André Troost. Daar staat altijd een lied onder, dat zingen we dan samen. Je wilt niet weten hoe dat klinkt, maar het geeft een grote verbondenheid. We lezen de Bijbel, we bidden. En verder hebben we veel aan de contacten met anderen, niet alleen rondom de diensten, maar ook doordeweeks.’
C: ‘Bijbellezen doe ik ook wel, maar het zit hem voor mij vooral in de contacten met anderen, elkaar ontmoeten, het uitwisselen van ervaringen, de manier van kijken naar de dingen. De verwondering neemt daardoor toe en daarmee ook mijn gevoel van afhankelijkheid van God.’
F: ‘De zondagse dienst vind ik ook een belangrijke factor. Dan denk ik weer aan de tijd dat ik op zee zat. De meeste zeelieden zijn niet kerkelijk, dus was een kerkdienst voor mij een verademing: contacten met andere gelovigen.
Als die tenminste opbouwend zijn, want geloof me, kerkmensen kunnen ook enorm zeuren over kleinigheden.’
Hoe belangrijk is het om lid te zijn van juist de NGK?
C: ‘Niet. Ik vind het wel belangrijk om lid te zijn van een gemeente waar vrouwen in alle rollen worden geaccepteerd.
Dat zou ik niet meer anders willen, of het nu een NGK is of anders.’
F: ‘Ik ben er blij mee dat we in de NGK plaatselijk voldoende vrijheid hebben om de dingen te doen die hier, in deze gemeente, goed zijn. In andere gemeenten zijn misschien weer andere behoeften, dus dan doen ze het daar weer anders. Dat vind ik belangrijk.
Weet je, ik heb eigenlijk een hekel aan de term ‘kerk’, het doet me te veel denken aan een organisatie. En in een organisatie heb je altijd bazen. In de gemeente is niemand de baas, daar dienen we elkaar.’
Coosje Haan-de Jong is lid van de NGK Amersfoort-Noord en redacteur van Opbouw.