De pracht van jonge mensen is hun kracht, de sier van oude mensen is hun grijze haar
2013-01-12
- Jaargang 57
- nummer 1
De relatie tussen de generaties heeft een plaats gekregen in het hart van de Thora, in het gebod eer je vader en je moeder. Dit gebod, op het scharnierpunt van de eerste en tweede tafel van de wet, geeft aan dat de relatie tussen ouders en kinderen nauw verweven is met de relatie tussen God en mensen. En dat maakt het een gebod met een belofte. Een grote belofte. We hebben een wereld te winnen in de relatie tussen oud en jong.
Als Paulus het vijfde gebod uitwerkt in Efeziërs 6, onderstreept hij deze belofte. Een door God gezegend leven hangt op de een of andere manier samen met de relatie tussen ouders en kinderen en vervolgens ook in ruimere zin de relatie tussen de oudere en de jongere generatie. Want als een uitbreiding van dit gebod komen we in de Bijbel ook richtlijnen tegen die de verhouding tussen ‘oud en jong’ regelen, zoals in Leviticus 19:32, waarin de HERE respect vraagt voor de oudere medemens, en in 1 Timoteüs 5:1, waarin Paulus wat betreft de omgang met oudere mensen de link legt naar het vijfde gebod.
Ten slotte is het veelzeggend dat bij de overgang van het Oude naar het Nieuwe Verbond de relatie tussen generaties een sleutelrol krijgt in het licht van de komst van de dag des HEREN (Maleachi).
Grijs haar
Eerbied voor ouders en ouderen is in praktisch alle culturen en godsdiensten een fundamentele waarde.
Ouderen staan garant voor continuïteit en het doorgeven van normen en waarden en worden geacht wijsheid te bezitten. De Bijbel voegt zich in dit algemene beeld. Zo leert Spreuken 20:29 dat de sier van oude mensen hun grijze haar is, waarbij het grijze haar verwijst naar de wijsheid die men bij een oudere mag verwachten, zoals de pracht van de jongeren hun kracht is volgens dezelfde spreuk.
In Daniël 7 wordt de Almachtige als een oude wijze man getekend met haar als witte wol. Psalm 71 (vers 17 en verder) noemt het vertellen over de Here aan de jongere generaties een bijzondere taak van een oud mens.
Paulus wijs in 1 Timoteüs 5 en Titus 2 de oudere mannen en vrouwen op hun verantwoordelijkheid om zich als voorbeelden voor de jeugd te gedragen. En het zijn de oudsten die een leidinggevende taak in de gemeente ontvangen. Met ruimte voor de uitzonderingen die de regel bevestigen (Prediker 4:13 en 1 Timoteüs 4:12).
Wat betreft de waardering van de ouderen sluit de Bijbel zich dus aan bij wat alom gebruikelijk is. Zeker, de Bijbel zet hierin eigen accenten en kaders – daarover straks meer – maar eerst wijs ik op die alom gewaardeerde ouderdom tegenover de focus van onze westerse samenleving op de ‘pracht’ van de jongeren, waarbij men aan de ‘sier’ van het grijze haar voorbij holt. Die sier wordt met verf gecamoufleerd en met antirimpelcrème weggewerkt, want oud staat voor achterhaald, oninteressant, statisch, eerder hinderlijk dan nuttig.
In beeldvorming en praktijk worden ouderen geduld, op zijn best goed verzorgd, maar tellen niet meer echt mee, tenzij ze jong en dynamisch voor de dag kunnen komen.
Deze obsessieve voorkeur voor jong tegenover de bijna instinctieve onderwaardering van oud staat dus in schril contrast met de algemene en ook bijbelse benadering. Wat de oorzaak hiervan ook mag zijn, de Bijbel laat op dit punt een tegendraads geluid in ons midden klinken. En het kan wel eens meer dan de moeite waard zijn om dit tegendraadse geluid serieus te nemen door om te beginnen als gemeente onze ouderen die eerbiedwaardige plek te geven die hun in Gods Naam toekomt.
Juist in de gemeente hebben we prachtkansen om oud en jong met elkaar in contact te brengen en mogen we een zegen verwachten die niet tot de gemeente beperkt zal blijven als jonge christenen uit eigen ervaring een ander geluid kunnen laten horen in onze oververhitte samenleving.
Toekomstige burgers
Hoezeer de Bijbel ook eerbied vraagt voor het grijze haar, er is geen plaats voor enige vorm van (voor)ouderverering.
Binnen bijvoorbeeld de Japanse en Chinese cultuur, die gestempeld zijn door het confucianisme, krijgt het eerbetoon aan de voorouders een loodzware lading, als voorwaarde voor heil en toekomst. Voor zo’n heilloze overbelasting worden de generaties in de Bijbel behoed, doordat het heil uit Gods hand wordt verwacht. Hierdoor worden ouderen wier krachten afnemen geen ballast die de toekomst van de jongeren hinderen en evenmin worden de jongeren een verlengstuk van de ouderen om hun toekomst veilig te stellen. De altijd spanningsvolle relatie tussen de generaties mag door de relatie met de HEER bevrijd van kramp en scheefgroei juist creatief gevuld worden.
Hier ontdekken we bij uitstek de zegen van het Verbond! Doordat de HERE zijn Verbond sluit met de gelovigen én hun kinderen mag hun onderlinge band een bron van zegen worden.
Gods Verbond van genade, waarin oud en jong samen zijn opgenomen, schept een ruimte waarin beiden tot hun eigen bestemming kunnen komen.
De ouderen krijgen een onwrikbare basis in God, doordat zij de kinderen het leven van bevrijding mogen voorleven (Deuteronomium 6) en zelfs tot in hoge ouderdom zo veel over de levende God uit eigen ervaring kunnen vertellen (Psalm 71 en 1 Johannes 2:13). Bij het verval van ons uiterlijk bestaan mag de vernieuwing van ons innerlijke bestaan des te krachtiger spreken (Psalm 92:15 en 2 Korintiërs 4:16).
Voor jonge mensen – die weliswaar de kracht van de jeugd bezitten, maar ook een leven vol dreiging in moeten – is het een bemoediging wanneer ze van de ouderen mogen zien en horen dat het leven met God sterker is dan alle dreiging en afbraak. Deze unieke indruk voor het leven mogen de ouderen als geen ander aan de jongeren meegeven.
Door de tekenen van het Verbond (besnijdenis en doop) ontvangen de ouderen trouwens ook de vermaning dat hun kinderen niet hun bezit zijn, maar in de eerste plaats kinderen van God. Ouders worden zo van de eerste plaats in het bestaan van hun kinderen ontheven, maar krijgen in het dienstbaar zijn aan hun kinderen een nieuwe, eerbiedwaardige plaats terug uit Gods hand.
In zijn boek Van de rechtvaardigen (Kok Kampen, 1931) geeft A. Janse in de paragraaf ‘Tweeërlei paedagogiek’ een prachtig voorbeeld van die heilzame ouder-kindrelatie in Gods Verbond. Hij doet dat door Jezus’ houding tegenover de kinderen in Marcus 10:13-16 te vergelijken met de wijsheid van het apocriefe boek Sirach 30:9-12. Deze wijze raadt de vaders aan hun zonen te breken, zo nodig met fysiek geweld, om hen zo te vormen tot dienstbaarheid aan de ouders.
Tot meerdere glorie van hun ouders moeten kinderen gekneed worden naar het beeld van hun ouders. Jezus daarentegen had de kindertjes lief om henzelf en zag hen onder zijn liefde en zegen opbloeien als toekomstige burgers van zijn Koninkrijk.
Dankzij het Verbond waarin de kinderen zijn opgenomen, ontvangen zij vanaf het prilste begin hun eigen plek bij God. Wat is het bevrijdend voor de kinderen en hun ouders als dat geloofd en gerespecteerd wordt! Als de ouders hun kinderen helpen om hun eigen relatie met de HERE te vinden en te ontwikkelen, is dat de weg waarlangs zij zichzelf mogen vinden als unieke zelfstandige mensen en geliefde kinderen van God.
Zwakheid en falen
Omdat de relatie tussen oud en jong door Gods Verbond wordt bevrijd van overbelasting en kramp, komt er ook ruimte om de fouten van de ouderen eerlijk te benoemen. Sterk dat dit in de Bijbel zo openhartig gebeurt, zonder dat de ouderen daarmee hun eerbiedwaardige positie verliezen. Want die positie is dankzij Gods Verbond niet gebaseerd op kwaliteit en verdienste, maar geworteld in de genade. Zo hebben Sem en Jafet dat tegenover hun dronken vader in praktijk gebracht (Genesis 9:23). En Psalm 78 roept enerzijds op om Gods daden en geboden door te geven aan het volgende geslacht, met het doel dat die hun vertrouwen op God zal stellen (vers 8), maar waarschuwt vervolgens openlijk de kinderen om de zonden van de vaderen te onderkennen en die juist niet na te volgen (vers 9).
In diverse voorbeelden tekent de Bijbel de ouderen in hun zwakheid en falen.
Neem Eli, die uit zwakheid faalt om zijn zonen serieus de weg van de Heer voor te houden, maar die toch bereid is om ten gunste van Samuel en Gods werk door een kind een stap terug te doen. En schrijnend is het optreden van de oude profeet uit 1 Koningen 13, die het klaarblijkelijk niet kan verkroppen dat hij wordt gepasseerd ten gunste van een jongere collega. Door een glasharde leugen onder misbruik van Gods Naam probeert hij toch deelgenoot te worden van dit werk van God. Met rampzalige gevolgen.
Zo ver kan het komen dat ouderen omwille van eigen positie en eer het werk dat God door de jongeren wil doen proberen te annexeren, te ontmoedigen of zelfs te saboteren. Daarbij kan alles dat heilig is te grabbel worden gegooid. Laten ouderen erop bedacht zijn dat God vaak via jongeren ingrijpt omwille van de voortgang van het Evangelie en daarbij de ouderen passeert, inclusief het oordeel dat daarin besloten kan liggen. Denk aan Mozes, die plaats moest maken voor Jozua. Denk aan Eli en Samuel, aan Saul en David, aan het dorpsmeisje Maria dat gezegend werd boven alle vrouwen, aan God die uit de mond van kinderen de macht van de boze breekt (Psalm 8). Wat een zegen als ouderen met hun hart gericht op God royaal een stap terug kunnen zetten en met hun wijsheid de jongeren helpen, zodat Gods werk door kan gaan, ook als dat anders gaat dan vroeger. Zie je trouwens ook in de kerkgeschiedenis niet dat reformaties vaak door jongeren gestart zijn?
Belofte
Misschien wordt wel nergens de noodzaak van een goede relatie tussen oud en jong voor Gods Rijk meer onderstreept dan in Maleachi 4:5-6 (NBGvertaling 1951).
Daar wordt voorzegd dat Elia zal komen om de harten van de vaderen terug te voeren tot de harten der kinderen en het hart der kinderen tot hun vaderen. Uitgerekend in een tijd dat Gods Verbond werd verwaarloosd en de huwelijksverbonden werden verbroken – met alle schade van dien, in het bijzonder voor de jongeren – mag de profeet aankondigen dat God door de kracht van Elia hierin een keer zal brengen.
Door Lucas (1:17) wordt dat aangehaald en toegepast op Johannes de Doper, met de toevoeging: ‘en zo zal hij het volk gereedmaken voor de Heer’. In de vloek van scheiding en desintegratie mag door Gods genade een nieuwe en hartelijke toewijding tussen oud en jong groeien. Zoals God zich met ontferming gaf voor zijn dwalende wereld, zo mogen de generaties zich aan elkaar geven in de kracht en de Geest van zijn verzoenende liefde (Handelingen 2:17).
Als gemeente van Christus en als toegerust volk van de Heer hebben we een wereld te winnen in de relatie tussen oud en jong. Eer je vader en je moeder, dat is nou en of ‘het eerste gebod met een belofte’ (Efeziërs 6:2)!
Ds. Ton Vos is predikant van de NGK Assen en lid van de redactie van Opbouw.