En toch .....

1974-01-11
  • Jaargang 18
  • nummer 2
* Taalwegen

“Ik heb van mijn vader een dubbel gekregen", deelde de kleine Margit ons triomfantelijk mee.
Het duurde even voordat de zin van deze apocriefe tekst tot ons doordrong. Klaarblijkelijk had zij ons onvermogen door. Onmiddellijk paste zij het trucje toe, waarmee wij in den vreemde ons in het nederlands verstaanbaar trachten te maken: ze herhaalde de tekst, nu op luidere toon en duidelijk scanderend.
't Begrip brak inderdaad door: een kostbaar muntstuk was haar ten deel gevallen. Dat grote mensen het verkleinwoord gebruiken, kon zij ook niet weten: begrip van devaluatie dringt pas op later leeftijd door. Zij zag haar bezit nog met grote ogen aan. Terecht: is een dubbeltje niet een dubbele stuiver?
De archaeologen van de toekomst wacht een moeilijk karwei, als zij aan de hand van stuivers onze geschiedenis willen reconstrueren.
Leven we momenteel in het bronzen tijdvak - dat werd voorafgegaan door een nikkelen en zinken.
Daarvoor was 't weer nikkel en dan belanden we in de zilveren eeuw. De eeuw waarin zelfs de stuivertjes van zilver waren: klein, fijn en rond. Kleiner nog, natuurlijk, dan de dubbeltjes. Zo klein, dat ze geschikt waren voor het Leger des Heils.
Heette het niet, dat dit Leger een evangelie beleed dat je op een stuivertje kon schrijven?
't Zal meegevallen zijn. Maar om bij dat beeld te blijven: dan is Jes. 30 een dubbel stuivertje. Israëls wel (vs 18) en wee (vs 1) staan er kort en goed in opgetekend.

* Dwaalwegen

We schrijven de tijd van Hizkia.
Ergens tussen 705 en 701 vóór Christus.
Israël is schatplichtig aan Assyrië, precies als zoveel andere volkeren.
Wanneer Assyrië's koning, Sargon, sterft, grijpen die vazallen hun kans.
Merodach - Beladan van Babel.
Maar ook Hizkia van Juda.
Op zijn beurt tracht hij nu een coalitie te vormen tegen Sanherib, Sargons zoon en opvolger.
Om te slagen wil hij zich verzekeren van Egypte's hulp, ook al op aandringen van Jeruzalems edelen. Zo hoopt hij de grootmachten aan de uiteinden van zijn rijk tegen elkaar uit te spelen.
Voor de zoveelste keer probeert Israël de politieke situatie in de geografische ligging van Kanaän uit te buiten. Het wil het spel van politiek en diplomatie spelen zoals de koningen der andere volkeren.
Alsof Israël niet een eigen, een unieke Koning heeft, gelijk de andere volken niet hebben.
Alsof de Almachtige niet hun koning is.
Maar Hizkia wedt op het paard van Egypte... Páárdén zullen redden - paarden in plaats van God. Profeten mogen dan al bijna overbodig in het midden brengen (31 : 3): de egyptenaren zijn mensen en geen God, hun paarden zijn vlees en geen geest, 't dringt al niet meer door.
Moedwillig snoert men "zieners" en "schouwers" de mond. Men wil Gods Woord zelfs niet meer hóren. God, de Heilige Israëls, kan verdwijnen, opkrassen (30: 11).

* Onmacht of onwil?

God krijgt zijn congé, want Israël wil prèttige dingen horen. Illusies, fata morgana's - 't kan niet schelen, als 't maar aangenaam in de oren klinkt.
Alsof de profeten geen aangename dingen zouden kunnen en willen zeggen. Alsof er niet een simpele weg is naar verlossing.
Een weg zonder vernedering, zonder kosten, zonder beschaming, zonder risico's (vs 1-7).
Maar Juda wil niet. Jammerlijke dwaasheid. Nu kan God geen goed doen. De Almachtige staat machteloos - zoals Jezus in Nazareth geen wonderen kon doen: vanwege hun ongeloof. Israël wil er zelfs niet van horen.
Wie niet horen wil, moet voelen.
't Volk krijgt waar het om gevraagd heeft. Ze mogen hun diplomatieke spelletje spelen. Sanherib sluit Jeruzalem in; Israël vlucht, bezeten van angst. Een eenzame seinpaal, een verlaten banier schilderen de toestand, net als de boodschappen op de scherven van Lachis.
"Gij hebt niet gewild": alles zit vast op de onwil van Juda. Hulp is vl akb ij, voor het grijpen. God staat klaar om te helpen. Maar als niemand er prijs op stelt, kan de Almachtige er ook niets aan doen. Geen beroep doen op God slaat zijn volk met machteloosheid, maakt hen een weerloze prooi van hun vijanden.

* Duidelijke taal

Denk niet dat God gniffelt over de ellende van Zijn volk. Hij kent geen leedvermaak, zoals mensen die gretig zeggen: 0 ja, dat hadden we wel gedacht. Integendeel: en toch (niet: daarom) verlangt de Here er naar u genadig te zijn en zal Hij zich verheffen (zijn rug rechten) om zich over u te ontfermen.
Dat "en toch" tekent de hele situatie.
Waar is 't wachten op? Op mensen die op Hém wachten, die naar Hém uitzien.
Ze behoeven maar een kik te geven.
Al is het met tranen in de stem vanwege hun ellende - ze behoeven maar te roepen. Dan komt Hii al. Om zijn naam eer aan te doen, zijn naam: Hij is er.
Hizkia behoeft de brief van Sanheribs maarschalk maar in de tempel uit te spreiden (37 : 14 v.v.) of God antwoord al.
Al is de stad ingesloten, al staat Israël op water (der verdrukking) en brood (der benauwdheid), nog is het niet te laat.
De maarschalk meent terecht zeker te kunnen zijn van de overwinning.
De stad verhongert en verdorst - daar kan zelfs Hizkia's vernuftig in de rotsen uitgehouwen watertunnel niets aan verhelpen. Alleen: hij heeft buiten Israëls waard gerekend.

* Taal naar Gods hart

Dat mensen het zover laten komen, zover, dat ze eerst overal hulp zoeken en dan pas bij God.
Zover dat ze voor hun laatste geld bondgenoten kopen en goden fabriceren van zilver en goud ...
En dan nog wil Hij genadig zijn.
Hij staat te popelen om in te grijpen - maar je moet het Hem wel vragen. Hij wil de erkenning dat Hij God is, Koning van zijn volk.
Maar dan verhoort Hij ook, en helpt.
Al te haastig zeggen wij dan ter verklaring: natuurlijk, dank zij Jezus Christus. Maar vergeet niet: Jezus' offer was Gods eigen gave - niet wij boden Hem dat zoenmiddel aan, maar Hij óns. Ook die erkenning van eigen onmacht vraagt Hij.
Maar dan recht Hij ook zijn rug om in te grijpen. De zon gaat weer schijnen over een volk dat in donkerheid wandelt. Kijk, de profeten komen weer te voorschijn en wijzen de enig goede weg. Het woord fungeert weer en vindt de weg tot het hart.
Zonder spijt worden gouden en zilveren afgoden als oud vuil weggegooid. Vruchtbaarheidsgoden?
Gód geeft regen en de (verwoeste) landouwen zijn bekleed met kudden, de (verwaarloosde) dalen tooien zich met koren.
Over de bezetters wordt niet eens meer gesproken - ze zijn finaal weg: hun belegeringstorens tot puin vervallen.
Het donker klaart op - de dag en nacht is het uitbundig licht, het licht van zeven dagen gebundeld op één dag. Wie het donker kent weet pas goed wat licht is, weet ook dat licht en vreugde hand in hand gaan. De vrede breekt door - vrede die herstel (vs 26) is van het gebrokene.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief