"Van mijn hand overkomt U dit"

1974-01-11
  • Jaargang 18
  • nummer 2
In verband met de wereldomvattende economische crisis die we momenteel beleven en waarvan niemand kan zeggen waarop die zal uitlopen wordt nog al eens als over een "oordeel Gods" gesproken.
Men ziet dan de situatie waarin we nu zijn beland ongeveer zo: De westerse mensheid, die van Europa en Amerika, leeft duidelijk in het "post-christelijke tijdperk".
Die mensheid heeft het eerst en het meest intensief het Evangelie ontvangen. Ze heeft in grote mate de zegen daarvan genoten.
Nergens kwam het mensenleven tot zulk een bloei als in het Westen. Het kwam onbedreigd in ieder opzicht aan de top van het leven der volkeren.
Maar de westerse mens heeft Christus de rug toegekeerd. Christus wordt in de westerse wereld graf beledigd, of, wat nog erger is, volkomen genegeerd.
En zie, dáárom komt nu het oordeel van God over het Westen.
Religieus beschouwd moet daarom de economische verwarring en neergang met alles wat daaraan vast zit en daarin meekomt als een oordeel Gods worden getaxeerd.

Deze vlotte redenering roept als van zelf wel een aantal vragen op.
In de eerste plaats deze: Is het niet opmerkelijk dat men over een oordeel Gods gaat spreken als de mensen er wat hun stoffelijke levensomstandigheden betreft wat minder florisant voorstaan?
Moet niet daarbij gevraagd worden of die achteruitgang wat het materiële betreft ook een zegen kan zijn? Als geld en goed voor de mensen een afgod zijn geworden is het dan geen zegen als die afgod wordt stuk geslagen?
Is dat dan op zijn minst niet het banen van een weg die tot een zegen leiden kan?
En daarbij komt nog wat!
Prof. Huizinga heeft er eens op gewezen dat het een bedenkelijk verschijnsel was dat de westerse mens de culturele ontaarding van vóór de wereldoorlog pas ging opmerken toen deze zich eindelijk ook in de economische omstandigheden liet merken. Cru gezegd: toen die zich ook in de portemonnaie liet voelen.
Zou het dan niet een veel ernstiger zaak zijn als christenen pas dán iets van een oordeel Gods gewaar zouden worden als eten, drinken, kleding, comfort en recreatie enz. hun niet meer zo royaal ten deel vallen als een paar jaar geleden?
En er is nóg meer te vragen.
Als men in materiële achteruitgang, in economische crisis, in armoede en gebrek een oordeel Gods ziet, moet men dan niet in materiële voorspoed, dus in welvaart en rijkdom, zonder meer een zegen van God zien? En hebben dan die Amerikanen, die op grond van de enorme welvaart die er in hun land heerst, over Amerika spreken als "Gods most blessed country" - het door God meest gezegende land - niet gelijk?

Het is nuttig - en nodig! in verband met de in geding zijnde spreken over het oordeel Gods te luisteren naar wat de Schrift zegt over de aanvang van de geschiedenis der mensheid.
In het donkerste uur van de wereldgeschiedenis heeft Adam, het hoofd van de mensheid de gehoorzaamheid aan God opgezegd en naar Satan geluisterd.
Hij heeft daardoor de gemeenschap met God verbroken en een vrijwillige alliantie met Satan aangegaan.
Daardoor is hij in de macht van de Boze gekomen. Die is sindsdien naar het eigen woord van Jezus de "overste - de baas van deze (mensen)wereld".
God heeft in het paradijs aan de mensen, als zijn oordeel over hun zonde, opgelegd wat ze eerst in volle vrijheid zelf hadden gekozen.
De daad van de mensen werd het hun door God zelf opgelegde lot.
God zei in feite tot Adam: Gij hebt de gehoorzaamheid aan, de gemeenschap met Satan gekozen boven het verbond met Mij - gij zult nu in de macht van Satan zijn en blijven,. ook wanneer gij die in alle tijden en wijzen vervloekt!
Er is zo een huiveringwekkende rechtvaardigheid in het oordeel van God over de zonde der mensheid.
De mens die zondigde brengt zichzelf door zijn zonde in de ellende.
Een ellende die tegelijk altijd zelf ook weer vol zonde is. Van die ellende is hij zelf, en hij alléén, de oorzaak. Hij heeft die ellende zelf "gemaakt", zoals hij de zonde zelf heeft "gedaan".
Maar in die ellende-en-zonde handhaaft God zijn recht. Handhaaft Hij zichzelf. En vergeldt Hij aan de mens wat deze heeft misdreven.
Zó voltrekt zich Gods oordeel, zijn gericht over de mensen.

En wat in de aanvang der geschiedenis plaatsvond ging onveranderd en onverzwakt verder.
De mensen bleven de oerzonde van hun eerste voorouders handhaven en voortzetten. Ondanks alles wat God tot intoming en overwinning daarvan deed.
De Schrift dreunt het ons toe dat wij "van nature" vijanden, actieve, agressieve vijanden van God zijn.
Als Paulus de mensheid, alle mensen de Goddelijke spiegel voorhoudt waarin ze hun ongecamoufleerd beeld kunnen aanschouwen, dan horen we dit: "Niemand is rechtvaardig, ook niet één, er is niemand die verstandig is, niemand, die God ernstig zoekt; allen zijn ze afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die doet wat goed is, zelfs niet één.
Hun keel is een open graf, met hun tong plegen zij bedrag, addervergif is onder hun lippen; hun mond is van vloek en bitterheid vol; snel zijn hun voeten om bloed te vergieten, verwoesting en ellende zijn op hun wegen, en de weg des vredes kennen zij niet.
De vreze Gods staat hun niet voor ogen.
Omdat de mensen - wij allen van nature zó zijn, geschiedt als ze in de zonde volharden precies hetzelfde als wat in het paradijsverhaal wordt verteld.
De mensen brengen door hun zonde zichzelf in de ellende waarover ze jammeren, waartegen ze in opstand komen, die ze vervloeken.
Die ellende is ten volle hun eigen werk! Ze zijn gestort in de afgrond die ze zelf hebben gegraven. Ze bloeden uit wonden die ze zichzelf hebben toegebracht.
Maar in dat alles voltrekt zich tegelijk en bovenal het oordeel Gods over hun ongerechtigheid.
In dat alles is ook de Goddelijke vergelding van hun bedreven kwaad.
In dat alles handhaaft God zijn recht, Zichzelf, betoont Hij zich als de rechtvaarde Rechter.

Er is inderdaad Goddelijk gericht in alle ellende, die door de daden, het zijn er mensen in de mensheid wordt veroorzaakt.
Maar we zullen die alleen juist taxeren in het licht der Schrift.
En daarin lezen we o.a. het flitsende woord waarin wat we in dit verband moeten weten en zeggen op beeldende, compacte en indringende wijze wordt gezegd: "Zie gij allen die vuur ontsteekt, u met brandpijlen uitrust, gaat in de vlam van uw éigen vuur en onder de brandpijlen die gij aangestoken hebt.
Van mijn hand overkomt u dit, in pijn zult gij neerliggen!" (Jes. 50 : 11).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief