VET PRIJZEN

1974-01-11
  • Jaargang 18
  • nummer 2
Weet u wat "vet prijzen" is? Waarschijnlijk niet - en geneert u zich vooral niet. Vet prijzen is een gezelschapsspel op het Veluwse platteland, waarbij beurtelings het geslachte varken geprezen wordt en beurtelings de kruik rond gaat. Na ieder glas is het varken nog vetter geworden, is er meer bout afgekomen, is de hoofdkaas lekkerder gemaakt dan verleden jaar. Men valt van de ene verbazing in de andere.
Tjongejongejonge, zo'n best varken. In de hele omtrek niet zo gezien.
En schenk nog es in. En kijk nou zulke hammen.

Zo, nu weet u wat vet prijzen is. Gisteren hebben we dat spelletje van onze Gart geleerd, de tuinman. Nu kennen wij dat ook.

Hij is anders knap ziek geweest, die Gart, en zowel hij als wij waren van gedachte, dat het zijn laatste ziekte kon zijn. Dat zou Gart wel goed geweest zijn: hij heeft een lang leven achter de rug en om hem hoeft het geen honderd jaar te worden. Hij heeft de kinderen van zijn kindskinderen gezien en vrede over Israël. Maar ziedaar, Gart is niet in de kuil gezonken, zoals de psalmist zegt. Hij mocht er weer boven uit krabbelen. Door Gods genade, zegt Gart. Hij was wel deze week tegen de internist opgelopen en die wilde hem nog wel eens een poosje terug hebben in het ziekenhuis. Maar Gart vond het welletjes; zoals 't nu ging kon het wel en we gingen het voorjaar tegemoet, vond hij. De dokter zag dat voorjaar nog niet direct zitten maar was wel onder de indruk van Gart's vastbeslotenheid. En zo scharrelt Gart weer wat aan, doet wat beverig, werkt halve dagjes (alleen voor z'n plezier, want stilzitten kan hij niet) en fietst niet meer naar de kerk van Elspeet maar gaat naar de kerk in ons eigenste dorpshuis.
Want dokters weten ook niet alles.

Vorige week is hij naar een vergadering van de dorpsgemeenschap geweest. Die slaat hij nooit over. Vooral wanneer de uitslag van de algemene tuinenwedstrijden wordt bekend gemaakt. En verduld ja, de tuin van H.M., die wekelijks door Gart wordt onderhouden, won weer een prijs. H.M. was ziek en haar man was thuisgebleven - maar Gart nam de prijs rechtmatig in ontvangst. Het was "zijn" tuin en de hele bevolking van ons durp applaudisseerde. Om half elf belde hij op: ben je nog niet naar bed? Stap dan gauw in de wagen en kom de eerste pries halen. Nee, morgen kan niet, nu direct! Ik heb je fruitmand in de gladdigheid hier naar huis gedragen en nu haal jij hem op voor mevrouw, vanavond nog! - En zo is het gebeurd. Want· wat Gart in zijn kop heeft, dat zit bij hem niet ergens anders.

Maar gisteren kwam hij voor het vet prijzen. Was het geluk toch even met ons geweest en was een best wild varken precies in mijn kogelbaan terecht gekomen! Daarvoor ben je een jaar lang je eigen jachtschut om één maal per jaar de oogst binnen te halen.

Vrijdagavond kwam ik er mee thuis - vraag niet hoe. Gebeld naar onze onmisbare Gart, die deksels goed weet hoe je met zo'n zwartkiel moet omgaan. Maar Opa was al naar bed, zeiden de kinderen; of ze hem zouden waarschuwen? Voor geen geld, zeiden we, laat Opa slapen en vertel hem morgenvroeg dat er een varken is geschoten.

Een grofwildjager laat zich trouwens niet kennen. Die ontweidt zijn stuk zelf wel. Nadat hij het alleen uit de auto heeft gehaald, op een ladder gebonden en overeind gezet heeft. Hoe meer hij daarbij zijn verstand gebruikt - des te minder voelt hij zijn rug na dato. Net als die kerels van Lips met hun kluisdeuren.

Zo. En daar kwam Gart op zaterdagmorgen aanfietsen. Zwijgend ging zijn pet af, zwijgend trok een grijns van oor tot oor, zwijgend kwam een hand naar voren. Dat is zijn manier van weidmansheil wensen.
Maar zijn dag was goed: de dag van de oogst. HIj had zijn mes al geslepen en pakte meteen aan. In vijf minuten hing de keiler met gespreide achterpoten in de katrol en met de auto werd hij omhoog getrokken.
Tot werkhoogte. Tjongejongejonge, wat een best varken.
Heel allemachtig, zo'n gloepens deftig varken. Zo zie je ze ook niet vaak, hier op de Veluwe. Hoe heb je dat thuis gekregen, meneer?
Ja Gart, als jij niet helpt dan moet ik het zelf wel klaren.

Maar nu is Gart er en hij helpt onstuimig klaren. Steeds moet je hem remmen. Want we zijn zuinig op onze man. Hij pakt rechts aan en ik links. Samen pellen wij het varken uit zijn zware bontjas. En dat is moeilijk werk, waar scherpe messen aan te pas komen. Langzaam, langzaam glijdt de vacht over de kop en komt zijn blanke onderhuid te voorschijn. En steeds weer prijzen we het beste zwijn. Om de beurt.
Geen spek, zeg ik, alleen vlees. - En botten, zegt Gart slim. - Hoeveel zoudie wegen? Ik heb hem voorzichtig op 175-180 pond geschat.
Gart denkt al van meer, maar wil het nog niet zeggen. We zullen straks alle onderdelen wegen, stellen we vast.
Tegen de middag is het zwijn uitgekleed. En na de boterham werpen we ons met nieuwe moed erop. Nu gaat het om het demonteren, het uitponden en uitbenen zogezegd. Gart heeft nu zijn vriend Sjef meegebracht: een oud-politieman uit Mokum. Die heeft nog nooit een "echt varken" gezien. Tjongejongejonge, wat een beest. En wat een slagtanden. En zo'n onmenselijke kop. En zo'n ruige huid. En dat je een varken moet villen, had hij nog nooit gehoord. Wat doe je met die huid? - Een mooi haardkleed van maken, zegt Gart. Hij weet het.

De voorhammen zijn intussen correct volgens de vliezen gedemonteerd.
De kop gaat er netjes af, volgens de natuurlijke lijnen. Dan komt de zaag, om de ribstaikken weg te nemen. De rug gaat in vier stukken. De achterhammen komen het laatst. Alle stukken worden zorgvuldig gewogen op de "familieschaal". In ponden. Dat is op de Veluwe beter dan in kilo's.

Dan wordt onder doodse stilte in de keuken de telling opgemaakt van de stukken. Geen onderdeel vergeten? Nee, alles staat er op. Nog een keer tellen. Een paar pond naar boven afronden voor het verlopen bloed. En dan staat het cijfer op 200 pond.

Asjeblieft, zegt Gart, héb ik het niet gezegd? - Nee Gart, je hebt niets gezegd. - Jamaar, wel gedacht, zegt Gart; ik dacht: op z'n kop af 200 pond en 't is nog waar ook. - Dat is geweldig. En daar moet op gedronken worden. Sherry of jonge? De mannen willen wel jonge: recht op en neer. Dat smaakt, na al dat ruwe werk in zo'n ijsregentje.
Alle pret om 't leuke werk komt in de warme keuken los. Tjongejongejonge, zo'n best varken. Nog nooit zo iets gezien, zegt Sjef nog eens. En dat die jou nou net voor je buks moest komen. Maar H.M. begint de bouten schoon te peuteren uit de vliezen. En meneer moet de telling toch nog eens nagaan. Alsjeblieft - nu weegt het varken al 220 pond. Waar zo'n glaasje niet goed voor is!

De vreugde is algemeen. Dat is nou vet priezen, roept Gart. Er wordt een tweede glaasje geschonken. Niet al te vol: want op één been kunnen ze niet thuis komen, Gart en Sjef, maar een beetje mank gaat nog wel. En op de gezondheid van alle duizend Veluwse varkens gaat het glas met kleine teugjes achter het, vorige aan. Sjef zal ook de specificatie van het gewicht nog eens nagaan. Hij komt al op 235 pond, zegt hij, maar niemand gelooft hem. Je krijgt toch geen derde glas, zegt H.M., al maak je er 250 pond van.

Wat ze wel krijgen? Een deel van de buit: wat van de rug, wat van de bouten, wat van de kop, van dit en van dat en van alles wat. Dat is nu "van het hele varken". Een hutspot je, noemt Gart dat. En ten hoogste bedankt.
H.M. wil hem zijn werkuren uitbetalen. Maar dat slaat Gart met grimmigheid af. Werken is werken, zegt hij, maar met meneer een varken slachten is een plezier. Laat me er dan nog wat bij inpakken, zegt H.M. gedwee en dat mag.

Gart vertelt nog wat uit het verre verleden. Dat doet hij graag na gedane arbeid en na een borrel. Uit de arme tijd van de sociale tegenstellingen.
Die heeft diepe indruk op Gart gemaakt; hij is er wat de Evangelist noemt "arm van geest" door geworden. En dat ze op de Veluwe een versje opzeiden, toen prinses Juliana geboren zou worden:

Zeven en twintig wiegen voor een klein koningskind, terwijl men 't kind der armen op 'n bed van stro maar vindt.
Zeven en twintig wiegen, die staan nu reeds klaar
want onze konigginne verwacht de ooievaar.

Het had hem echt nooit gestoken, dat er 27 wiegeri aan de koningin waren aangeboden. Daar was ze koningin voor geweest. Maar dat bedje van stro, dat had hij goed gekend. Daar waren ze Veluwse bosarbeiders voor geweest. Zijn eerste kindje -Gart had er een kistje voor getimmerd, dat op de beddeplank kon staan. Het was zo'n klein popje geworden, zo klein - dat de dokter zei: direct naar het ziekenhuis, in de "coiffure.". Maar Gart dacht aan geen couveuse. Die legde kruikjes in het kistje met stro en een glasplaat er boven op en het was wàt een knappe meid geworden. Want dacht je dat zo'n dokter nou alles wist? Dan zou hij zelf ook nooit ziek zijn.

O ja, en Gart was naar de receptie van de buren geweest: die waren veertig jaren getrouwd. De dominé en een oude ouderling waren ervoor uit Elspeet gekomen. Terwijl de dominé een toespraakje hield was de vrouw naar de keuken gelopen. Al die mannenpraat ook. En toen de wazige ouderling de bruigom had gefielseteerd keek hij naar de lege plaats en vroeg: leeft uw vrouw ook nog? - Mensen, ze hadden het huis afgebroken van de pret. Niet om die ouderling te bespotten hoor, want die is een eerbiedwaardig man. Al zegt ie het soms wat gek. Want denk eens in: als die een vergadering van de schoolvereniging opent zegt hij: dames en heren en verdere aanwezigen.
Waarbij Gart zich afvraagt, wie met die verdere aanwezigen bedoeld kunnen zijn.

Zo. En nu is het tijd om te gaan. Wat zal zijn dochter blij zijn met dat malse vlees. Het is ook zo'n mooi varken. Tjongejongejonge, zo'n best varken. Zo heeft hij er nog niet veel gezien.

En het gewicht? Nou - dat loopt hard naar de driehonderd pond, als je de laatste berichten uit ons durp geloven moet.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief