De brief van Jakobus

1974-01-11
  • Jaargang 18
  • nummer 2
Bid om wijsheid
(1 : 5-8)

Het begin van deze verzen lijkt in strijd met het slot van de vorige.
Vers 4 eindigde met: zodat ge in niets tekort schiet.
Vers 5 begint met: als ge echter in wijsheid tekort schiet ...
Dus toch een tekort?
Ja zeker, maar niet je daar lijdelijk bij neer te leggen, alsof het Gods schuld was, alsof je dat tekort op Zijn rekening kon schrijven.
Bid dan! en het zal je gegeven worden!
Maar je ontvangt niets, als je niet bidt of als je met een innerlijk verdeeld hart bidt.
Er worden hier prachtige dingen gezegd over het bidden. Fundamentele dingen. Eerst over God, die aan allen geeft, wie je ook bent, en zonder verwijt, wie je ook geweest bent, hoe je verleden ook was. Zijn hart is zo wijd, zijn goedheid zo mild. Hij ziet alleen maar een mens in nood. Hij verwijt ons ons tekort niet, maar vervult het!
Dát wordt hier eerst over God gezegd. Zo'n God hebben we!
En dan wordt er iets over de bidder .gezegd. Die staat er minder mooi op.
"Ongestadig in al zijn wegen".
"Een golf der zee gelijk". "Twijfelaar".
"Innerlijk verdeeld".
God geeft zo "eenvoudigweg" (vers 5), - baden wij altijd maar zo "eenvoudigweg". Wij zitten vaak zo met onszelf in de knoop.
Maken alles zo gecompliceerd.
Hebben "gebedsproblemen", maken ze of laten ze ons aanpraten.
Jakobus prijst hier bepaald de twijfel niet aan.
Het lijkt tegenwoordig wel, dat je niet meetelt als christen als je mag getuigen van de zekerheid van het . geloof. Je bent dan maar een vreemde eend in de bijt. Twijfel schijnt zo'n beetje bij het geloof te horen.
Jakobus was te eenvoudig voor zulke ingewikkelde redeneringen.
Voor hem stond het eenvoudig zo: je kunt niet bidden met twijfel in je hart.
Wie twijfelt lijkt op een golf. Een golf is geen schip. Een schip kan op kompas varen, koers houden, is bestuurbaar, - een golf niet.
Er is een man geweest die het schip verliet en op de golven stapte.
Dat ging goed zolang hij het beeld van Jezus in 't oog hield.
Maar hij zonk weg, toen hij naar de golven keek, want op dat moment zag hij zijn eigen beeld. Golven, - totale ongewisheid,beeld van de twijfel. En dan zinkt hij weg in de golven waar hij bij past en thuis hoort, "innerlijk verdeeld", "ongestadig. op al zijn wegen".
Gelukkig steekt Jezus hem de hand toe en helpt Petrus weer op de been en op weg, want "Ik ben de Weg". Ook door de stormen en de beproevingen heen.
Maar nu dat tekort.
Waar bestaat het in? Wijsheid.
Daar komt een mens nu niet zo gauw op. We hebben geld tekort, we hebben gezindheid tekort, we hebben promotiekansen tekort enzovoort.
Maar wie denkt aan dit tekort, en wie bidt om wijsheid?
Salomo.
En Salomo was ook rijk en machtig, maar het was om zijn wijsheid, dat hij zo beroemd geworden is.
Altijd bedoelt de Bijbel dan: de praktische levenswijsheid, waar b.v. het Spreukenboek vol van staat. Mensen zonder diploma's, zonder graden en titels, - kunnen gelukkig toch heel verstandige mensen zijn. Wijze vaders en moeders. Verstandige ouderlingen.
Die op het juiste moment het goede woord spreken, ruzies kunnen bezweren, twisten kunnen beslechten.
Wijsheid, die ze putten uit de Bijbel. Verderop in zijn brief geeft Jakobus dit getuigenis van de wijsheid die van boven is: ze is rein, vreedzaam, vriendelijk, gezeggelijk.
vol ontferming, onpartijdig, ongeveinsd en vol goede vruchten. (3 : 17) Om eens een poosje over na te denken!
Schiet u tekort in deze wijsheid?
Geen nood: bid en u zal gegeven worden.

Arm en rijk in de gemeente
(1 : 9-12)

Nog altijd heeft Jakobus het over het geloof en over de vreugdevol Ie ervaring om staan te blijven.
We moeten dat verband goed vasthouden, als het nu gaat over armen en rijken in de gemeente.
Jakobus springt dan niet op een ander onderwerp over. Hij laat alleen zien, op welk gebied de beproevingen lagen voor zijn eerste lezers. Ze leefden in de verstrooiing.
Verdreven van het voorvaderlijk erf, waar de Israëliet zo bizonder aan gehecht is. In bittere armoe terecht gekomen. Anderen hadden een kapitaaltje, dat ze hadden mee kunnen nemen. En begonnen weer zaken op te zetten, landerijen te kopen, en zich te verrijken.
Het heeft er veel van dat de rijken zich weinig bekommerden om hun arme broeders, en dat was een bittere ervaring in die verstrooiing.
De vreugde, waar Jakobus van sprak (vers 2) dreigt helemaal te ontbreken, zowel bij de arme broeders der gemeente, als bij de rijke. Want ze hebben geen stand gehouden, de één niet in de verzoeking van de rijkdom, de ander niet in de beproeving van de armoe.
Ze dreigen er allebei onder te komen, de één onder zijn minderwaardigheidsgevoelens, omdat hij zo weinig heeft, - de ander onder de gedurige vrees iets te moeten afstaan, omdat hij zoveel heeft - (de rijke jongeling).
En ze schieten allebei tekort in de wijsheid.
Roemen in vreugde - is er bij beiden niet bij.
En nu gaat Jakobus iets moois zeggen: overeind blijven staan, en niet onderliggen, weten wat je waard bent, dat kun je alleen als kind van God en als broeder in de gemeenschap van Christus.
De arme kan het niet, maar de rijke evenmin. Alleen de broeder.
Met die schoonste aller titels heeft Jakobus zijn lezers al aangesproken in vers 2 en nu noemt hij hen in vers 9 weer broeders. Als alle waarden devalueren houdt deze broedernaam en broederpositie zijn waarde, eeuwig.
Broeder, - dat is uw waardigheid in Christus.
Wèg met alle minderwaardigheidsgevoelens en meerderwaardigheidshoudingen in de gemeente!
Het gaat er niet om dat je beter bent of rijker of knapper dan een ander, - maar om wat we in Christus zijn en hebben.
Dat reinigt je denken, zuivert je begeerten en saneert de verhoudingen.
Laat daarom de geringe broeder roemen in zijn hoogheid!
En de rijke? Is het Evangelie alleen voor de armen? Neen, ook de rijke mag in de gemeente van geluk spreken, hij mag roemen in zijn geringheid, want hij is als een bloem, die verwelkt onder de zonnehitte, zo zal ook de rijke verwelken met al zijn ondernemingen.
Het is goed dat hij wat onderneemt. Hij kan het doen, heeft er het kapitaal voor, helpt anderen weer aan werk en houdt ze in het leven, - maar het houdt geen stand. Straks is hij even gering als de geringe broeder nu al is. De vraag is niet of zijn rijkdom stand houdt, maar of hij zélf, als christen, en als broeder in de gemeente van Christus stand houdt.
Jakobus gaat niet de inkomens en bezittingen nivelleren, maar hij saneert de onderlinge verhouding tussen armen en rijken in de gemeente, door ze beiden, de één met zijn armoe en de ander met zijn rijkdom, op één en hetzelfde niveau te plaatsen van de broederschap.
Dáár kunnen de maatschappelijke verschillen nooit uitgroeien en zich verscherpen tot tegenstellingen.
Als ze zo beiden weer leren roemen, dan komt de vreugde ook terug, door het standhouden in de verzoeking van de rijkdom en de beproeving van de armoe.
En beiden geldt dan in de gemeente de ene zaligspreking van vers 12: zalig de man die in verzoeking stand houdt, want als hij de proef doorstaan heeft zal hij de kroon des levens ontvangen (d.i. het eeuwige leven als kroon), die Hij beloofd heeft aan wie Hem liefhebben.
Denken we ons gelukkig met de kroon die we onszèlf opzetten?
Zijn we ongelukkig van jaloersheid om de kroon van een ánder?
Echt gelukkig zijn we pas als we God liefhebben.
Arm of rijk, - maar dan heeft Hij voor ons een kroon klaar liggen.
Aan armoe of rijkdom komt een einde, - aan het eeuwig leven nimmer!
De arme mag hoog reiken naar die kroon. De rijke bukke diep ervoor.
Maar God heeft het beloofd. En Hij is een Waarmaker van zijn Woord.
Al vallen alle bloemen en al verdort het gras, het kroon-belovend woord des HEREN blijft in eeuwigheid!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief