"Gerechtigheid die uit het geloof is"

1974-01-18
  • Jaargang 18
  • nummer 3
Lezing, gehouden in een radio-uitzending van de E.O.
Wanneer men luistert naar wat de Heilige Schrift zegt over de "gerechtigheid" of "rechtvaardigheid"
die "uit het geloof is", worden we geconfronteerd met de kern van het Evangelie en dus ook met het hart van het leven des geloofs.
Het is vooral de apostel Paulus geweest die na daarvoor door God speciaal voorbereid te zijn, dit essentiële moment van het heil, dat God aan de mensen schenkt, heeft verkondigd. En hij heeft dat zó gedaan dat de kerk, ook na bijna tweeduizend jaar, aan de volheid van wat hij daaromtrent predikte nog niet is toegekomen.
Zoals iedere bijbellezer weet heeft Paulus na zijn bekering zich met niets ontziende zelfovergave gewijd aan de verkondiging. van het Evangelie van Jezus Christus, in de eerste jaren concentreerde hij zijn missionaire activiteit rondom het oostelijke bekken van de Oude Wereldzee. Speciaal richtte hij zich daarbij op de cultuurcentra Antiochië, de steden van Anatolië, Efeze, Athene, Korinthe.
Overal stichtte hij gemeenten en bouwde die op. Paulus zag het evenwel als zijn levenstaak het Evangelie in de gehele, onder de pax romana" - de vrede van Rome - levende "oecumene", d.w.z. in de gehele destijds bewoonde wereld, uit te dragen. Als hij daarom tot de overtuiging komt dat zijn werk in het Oosten is voltooid, richt hij zijn blik naar het Westen, naar Spanje. Dat was het einde van de toen bekende wereld. De reis naar Spanje gaat evenwel via Rome, het schitterende middelpunt van het laatste wereldrijk, tegelijk ook de schakel tussen Oost en West. Paulus kent de in Rome weggedoken gemeente niet. En die gemeente kent hem niet. Met het oog op zijn aanstaand bezoek aan haar schrijft hij dan zijn brief aan de kerk van Rome. Hij wil zich daarmee bij zijn Romeinse broeders en zusters introduceren.
Zo ontstond de brief van Paulus aan de Romeinen. Die geweldige brief. Paulus legt daarin met het uiterste van zijn kennen en kunnen rekenschap af van de lengte en breedte, de hoogte en diepte van "zijn Evangelie", het Evangelie zoals hij dat verkondigt.
Geen enkele heidense schrijver uit zijn dagen rept ook maar met één woord van deze kleine, onopvallende Jood. Door de grote geesten van zijn tijd wordt hij niet opgemerkt. Maar het is in de loop der eeuwen overduidelijk geworden dat zich in deze rondtrekkende prediker een van de machtigste wereldbewegers over de wegen van het Romeinse imperium haastte. De brief aan de Romeinen is in omvang niet meer dan een kleine brochure. Maar hij is, vooral om wat hij over de "gerechtigheid die uit het geloof is" verkondigt een van de invloedrijkste geschriften der mensheid geworden. De grote levenwekkende bewegingen in de kerk toen zijn altijd aan deze brief ontsprongen.
Men moet evenwel tegelijk ook zeggen: die kónden ook alleen dááruit ontspringen. Want deze brief brengt de boodschap omtrent het hart van het Evangelie.
Reuzengestalten als Augustinus, Luther, Calvijn, Kohlbrugge hebben juist daarom zo'n grote macht gekregen in de kerk omdat ze door het centrale motief van deze brief werden gegrepen en dat verkondigden in de situatie van hun tijd. Maar zelfs deze zéér groten hebben de boodschap van deze brief ook nog maar ten dele verstaan. Want, nog eens, aan het volle verstaan daarvan kwam de kerk tot op vandaag nog niet toe.

De centrale inhoud van deze brief komt op ons af in een adembenemende worsteling, een geestelijke worsteling op leven en dood van Paulus met de Joden!
Neen, er is in deze brief geen spoor van haat tegen de Joden.
Er is niets in te ontdekken dat op antisemitisme gelijkt. Hoe zou dat ook kunnen? Paulus is zelf van top tot teen, in hart nieren, Jood. En hij heeft zijn volksgenoten, zijn broeders naar het vlees, zo lief dat hij zelfs wel voor eeuwig verdoemd wilde worden als hij hen daardoor zou kunnen redden van de ondergang.
Neen, de zaak ligt voor Paulus geheel anders. Sinds hij door Jezus Christus werd overwonnen en Deze voor hem "alles" is geworden ziet hij de Jood met ontzetting èn ontroering. Sinds zijn ontmoeting met de Christus wordt Paulus namelijk speciaal in de Joden op voor hem hartaangrijpende wijze geconfronteerd met wat men wel het religieuze oerprobleem der mensheid heeft genoed.
Om te doorzien waar het in dat oerprobleem om gaat, moet men er zich rekenschap van geven hoe Paulus de mens ziet. Paulus "kent" al het geschapene vóór alles als staande, levende coram Deo. Dat wil zeggen als staande en levende in de relatie tot God, tot de God van Abraham, Izak en Jakob, de Vader van zijn Heer Jezus Christus. Zó ziet Paulus ook en vooral de mens. Die is voor hem niet een wezen bestaande uit lichaam en ziel, begaafd met rede, gevoel, wil. De mens is voor hem ook niet, zoals de filosofen leerden, een redelijk-zedelijk wezen dat als zodanig de top van de scala der schepselen vormt. Neen, Paulus kent de mens vóór alles in diens afhankelijkheid van, diens gebondenheid - diens gegeven gebondenheid - aan God.
De mens is het door God in het aanzijn geroepen, door God van seconde tot seconde onderhouden, en tot het geven van een antwoord op Gods woorden en daden geroepen schepsel. Als Paulus mens zegt, zegt hij daarom ook en zelfs in de eerste plaats God. En dan verder: gebondenheid aan God en ver-antwoordelijkheid aan God. Voor Paulus is de mens kort en goed: het voor Gods aangezicht levende, tot trouwen liefde geroepene, maar sinds Adams val Hem vijandige en tegen Hem rebellerende schepsel.

Omdat Paulus - en we moeten er bij zeggen - de Heilige Geest - de mens zó ziet, komt het er voor een mens vóór alles op aan dat hij "gerechtigheid" bezit, dat hij "rechtvaardig" is voor God.
Wat is nu die gerechtigheid, die rechtvaardigheid voor God?
Is zij menselijke goedheid, barmhartigheid, weldadigheid? Intermenselijke rechtvaardigheid?
Zelfverloochenende medemenselijkheid?
Op deze vragen moetwant het gaat hierbij om alles of niets. om leven en dood - met een keihard "neen!" worden geantwoord.
Voor Paulus, die mens en mensheid als aan God gebonden, op God betrokken en alleen van God uit te verstaan kent, kan gerechtigheid nooit ofte nimmer een daad, een werk, een houding van de mens zelf ziin. Ze is juist de radikale tegenstelling en opheffing van alle menselijk werk.
Ook en bovenal van alle zedelijke en religieuze prestaties, hoe nobel en subliem die ook mogen wezen. Voor Paulus die er onverzwakt aan vasthoudt dat God in zijn verhouding tot het schepsel de éérste en láátste en énige is is daarom gerechtigheid een Zijn: een staat van de mens die gefundeerd is in een oordeel Gods. Het is een zijn, een staat van de mens die in het leven geroepen wordt door dat oordeel Gods. En die door dat oordeel van God ook permanent in stand wordt gehouden.
Gerechtigheid is kort en goed een zijn, een staat, een toestand van de mens voor God die maakt dat hij het in het gericht van God kan uithouden en daardoor tegelijk ook opgenomen is in de volle levensgemeenschap met God.
Gerechtigheid zou men een religieuze, een godsdienstige werkelijkheid, een religieuze, een godsdienstige kategorie, kunnen noemen.
Ja -als men bij dat woord religieus of godsdienstig tenminste maar niet denkt aan een werk, een kwaliteit, een prestatie van de mens maar alleen aan een uitgaan van, een gebonden zijn aan God. Gerechtigheid is zo dat zin van de mens dat zich voo; God handhaven kan, dat in het gericht van God kan bestaan!
Men kan deze gerechtigheid ook wel volkomenheid of volmaaktheid noemen. Ja, als men tenminste bij dit woord maar weer niet denkt aan iets uit en van de mens, aan een volkomenheid van onderen af, een volmaaktheid die door de eigen inspanning van de mens wordt bereikt en daarom zijn werk is. Neen, het gaat hierbij om een volkomenheid, een volmaaktheid van God en van de verbondenheid aan God uit. De rechtvaardigheid of volkomenheid waarvan Paulus spreekt en die het lichtend middelpunt van zijn prediking is, is alzo gerechtigheid van God, gerechtigheid die door God wordt geschonken. Het is goddelijke gerechtigheid, die daarom ook en ten volle voor God geldt.

In de greep van deze grandioze visie op de als gave van God geschonken gerechtigheid worstelt nu Paulus met de Jood.
In de Jood wordt hij namelijk, zoals ik reeds zei, geconfronteerd met het oerprobleem van de mensheid. En dat is een benauwend ding. Want in dat oerprobleem krijgt hij te doen met de hoogmoedige, in wezen demonische, poging van de mens, van de ongebroken mens, om in eigen kracht "gerechtigheid voor God" te bemachtigen.
Van deze ongebroken mens en zijn fanatieke pogen om zichzelf voor God rechtvaardig en zo acceptabel te maken is de Jood het meest representatieve type. Zeer zeker is ieder mens in de kern van zijn wezen Jood. Maar de Jood met wie Paulus in zijn brief aan de Romeinen worstelt is het meest representatieve en spectalaire type van die ongebroken mens. In hem krijgt dat streven naar een eigen gerechtigheid zijn meest navrante gestalte. De Jood streeft namelijk naar die eigen gerechtigheid met behulp van een geschenk dat God hem uit genade geeft.
Het is immers zo dat de Jood die eigen gerechtigheid probeert te verwerven door middel van de woorden van het Verbond"" de Goddelijke "Weisung" of onderwijzing"
die de HEERE daar Mozes aan zijn volk gaf. Naar hun typische aard vormen deze woorden een aanwijzing hoe de Israëlieten als kinderen van God moeten - beter gezegd: mogen!leven. Maar zoals gezegd: de Jood hanteert die woorden als een instrument om zichzelf rechtvaardig te maken. Hij kan dat evenwel alleen doen nadat en doordat hij die woorden heeft omgevormd tot een ijzeren "wet" die tot in de kleinste bizonderheden moet worden gehouden. Met behulp van déze, Gods woord tot in de kern perverterende wet" is de Jood nu rusteloos en fanatiek bezig zichzelf voor God acceptabel te maken. Die wet fungeert bij hem als een ladder waarlangs hij in eigen kracht tot God meent te kunnen naderen.
Maar wat die Jood in feite zo bereiken kan is niet meer dan een eigen gerechtigheid, een menselijke, al te menselijke gerechtigheid.
Het is een gerechtigheid uit de - eigen! - werken. Op zijn wet is de Jood trots. Ze is zijn bezit. En wat hij ermee bereikt is zijn werk. Maar tot welke indrukwekkende en verheven zedelijke en religieuze prestaties dit opereren met de wet soms ook moge leiden - het kan Voor God niet bestaan! Want het blijft steken in het roemen, het zich beroemen op de eigen prestatie als grond voor de volle gemeenschap met God.
Juist Paulus wordt door dit bedrijf hevig geschokt. Want hij kent het door en door. Hij heeft er vroeger met de volle inzet van zijn persoon aan meegedaan. Eerlijker, consequenter, fanatieker dan alle anderen. Maar in een verbijsterende ervaring heeft hij ook ontdekt naar welk een afgrond het voert. In de ontmoeting met Christus was hem het volle licht daarover opgegaan. En toen had hij er mee gebroken, even radikaal als hij er zich eerst in had gestort. En hij beschouwde dat voortaan als "schade en drek".
Paulus had in die levenservaring tegelijk ook gepeild welke oerdwaling der mensen zich in dat opbouwen van een eigen gerechtigheid manifesteerde. Het is deze dat zij die zich daarop toeleggen geen ernst maken met hun radikale verdorvenheid. Dat ze er geen oog voor hebben dat "alle mensen afgedwaald, allen verdorven zijn, dat er niemand is die goed doet zelfs niet één!" De oerdwaling die in dat zoeken van gerechtigheid uit eigen werk schuilt is dat de mensen niet beseffen dat ze van nature agressieve, vijanden van God zijn, die God niet in hun leven dulden en in al hun levensuitingen tegen Hem rebelleren!
Van deze oerdwaling is dat streven naar een zelf gerealiseerde gerechtigheid de meest gevaarlijke, wijl meest geraffineerde vorm!
Deze elementaire oerdwaling van de mens heeft zich door alle eeuwen heen en in heel de wereld gehandhaafd. Vooral ook in de kerk. We ontmoeten haar in het vaak zeer idealistische streven van de mens om zichzelf te verheffen en te vervolmaken. We stuiten er tegenwoordig op in de vergiftigende prediking over een nieuwe wereld die de mens zelf, langs lijnen van geleidelijkheid, eventueel door een revolutie, zal realiseren. Het gechristianiseerde marxisme 'en neo-marxisme is daarvan evenzo een duizenden hypnotiserende gestalte.
Midden in de wereld waarin allen op allerlei manier streven naar een eigen gerechtigheid, en dwars tegen dat streven in, predikt nu Paulus een radikaal andere gerechtigheid, de ware gerechtigheid.
En hij betoogt en betuigt dat die niet het effect is van enig menselijk streven, van enige menselijke prestatie, maar enkel en alleen en ten volle een gave van Gods vrije, souvereine genade.
En Paulus predikt daarbij ook hoe God deze gerechtigheid openbaart en schenkt.
Thans, in de volheid des tijds, zo juicht hij het bijna uit, is buiten de wet om, de gerechtigheid van God, de gerechtigheid die van God komt en die voor God geldt, geopenbaard geworden. Dat is geschied door de komst, de kruisdood en de opstanding van Jezus Christus. De goddeliike gerechtigheid heeft haar grond en oorzaak in Gods genade, maar het middel waardoor zij wordt verwerkelijkt en naar ons toekomt is het verlossende handelen van Jezus Christus. Jezus Christus is in de wereld gekomen om alles te doen wat wij moesten doen maar wat we in geen enkel opzicht volbrengen - namelijk het volmaakt leven naar de heilige wil van God. En Hij is daarbij ook gekomen om onze zonde te dragen en onze schuld over te nemen, om die te "zoenen", te bedekken, weg te wissen met zijn bloed.
Toen Hij aan het kruis uitriep: het is volbracht, had Jezus alles voldaan wat God van de mensen vroeg en vraagt en daardoor en zo voor hen de gerechtigheid verworven.
Jezus Christus, zo verzekert Paulus, is het "zoenmiddel", het middel waardoor onze zonde wordt "gezoend" en onze schuld wordt weggevaagd. In de kruisdood van Christus heeft God het gericht over ons voltrokken en spreekt Hij ons van zonde en schuld volkomen vrij.
En deze gerechtigheid, deze goddelijke vrijspraak ontvangen we niet door enig werk maar door dat wat daarvan de radicale tegenstelling is namelijk het geloof.
Het geloof in Jezus Christus is het enige middel waardoor, de enige weg waarlangs Gods gerechtigheid zoals die door God geopenbaard en door Christus verworven is ons ten deel valt.
Het geloof dat is: het vertrouwend aan zich laten geschieden van de heilsdaad Gods in Jezus Christus, in Wiens lijden, sterven en costanding God, de Schepper, uit vrije, souvereine erbarming de wereld met zichzelf verzoend en de weg tot de ware gerechtigheid geopend heeft!
In het licht van deze heilsdaad Gods wordt nu ook de krampachtigheid, de dwaasheid, de eeuwige resultaatloosheid van de "weg der werken" onthuld. Met het oog op deze heilsdaad Gods laat Paulus als een diepe orgeltoon de jubel horen: Wij dan, gerechtvaardigd door het geloof hebben vrede, eeuwige, onverwoestbare vrede met God door onze Heer Jezus Christus.
De boodschap van het Evangelie is dat wij staan in de genade en daardoor in de ware gerechtigheid en dat wij niet, op welke wijze dan ook, zelf de gerechtigheid veroveren.
Om deze gerechtigheid gaat het in het Evangelie - en daarom ook in de wereld en in het leven van ieder mens. Want ze is het hart van het Evangelie en daarom de grote schat van de kerk, van ieder kind van God.
Kort samengevat kunnen we het zo zeggen: deze gerechtigheid is geen menselijke prestatie maar een gave van God. Ze is niet verdiend maar uit genade geschonken.
Ze is geen eigen maar een vreemde gerechtigheid. Ze is een gerechtigheid die ons niet door eigen inspanning, maar alleen in de weg des geloofs ten deel valt.
Met de prediking van deze gerechtigheid staat of valt de kerk.
Deze gerechtigheid beslist over ons eeuwig wel of ons eeuwig wee!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief