De brief van Jakobus

1974-01-18
  • Jaargang 18
  • nummer 3
Goed spreken van God
(1 : 13-15)

Jakobus' manier van schrijven is zó, dat hij van het één op het ander komt. Hij heeft het nog altijd over beproevingen/verzoekingen.
Maar als hij de neiging opmerkt om God van die verzoekingen (met alle nare gevolgen van dien) de schuld te geven, dan komt hij als vanzelf op die typisch joodse zonde-met-de-tong, waarover hij met name in hfdst. 3 breed uitweidt.
Het kwaadspreken over elkaar is erg, maar het ergste is: kwaadspreken van God.
Dat heeft het oude Israël al menigvuldig gedaan tijdens de woestijnreis.
God heeft hen meegelokt Egypte uit en de woestijn in, en nu zitten ze in de narigheid. Zonder eten en drinken. Ze hebben zich laten verleiden door God om de vleespotten van Egypte vaarwel te zeggen. Zeggen ze.
Datzelfde kwaadspreken van God hoort Jakobus ook nog in zijn dagen, onder de joden-christenen, die zeggen: we worden van Godswege verzocht.
En horen wij het ook niet in onze dagen (ook in ons eigen hart soms): het kwaad van de zonde en de zonde komt van de duivel en de duivel is een gevallen engel en de engelen zijn door God geschapen ... dus ... Of ook: God moet bij de schepping van de mens een constructiefout gemaakt hebben, anders had de mens niet fout kunnen gaan. Dus... God is de auteur en heeft de schuld van de zonde.
Wat wordt er veel kwaad gesproken van God!
Maar wat doet het dan Gods kinderen goed als iemand als Jakobus goed spreekt van hun hemelse Vader!
God kan door het kwade niet overvallen, verzocht en schaakmat gezet worden -, en Hij brengt ook niemand in verzoeking.
Wie God beschuldigt verontschuldigt zichzelf.
Maar wie zichzelf verontschuldigt geeft God de gelegenheid niet hem te ontschuldigen door het bloed van het Lam, dat onze zonde op zich nam.
Wie eenmaal in geloof gezien heeft, hoe God de rekening van onze schuld aan zijn eigen Zoon gepresenteerd heeft en betaald gezet op Golgotha, beklaagt zich niet meer, dat hij kind van de rekening van Gods schuld zou zijn.
Zovaak iemand verzocht wordt komt dit voort uit de zuiging en verlokking van zijn EIGEN begeerte, zegt Jakobus. Het is ons EIGEN oog, dat ons tot zonde verleidt, onze EIGEN hand, onze EIGEN voet, ons EIGEN verstand, onze EIGEN verbeelding. (verg. Matth. 18 : 7-9). We zullen er altijd het EIGENE in moeten herkennen. Dat is het "dieptepsychologisch"
inzicht van satan (door Jakobus waarschijnlijk met opzet hier niet genoemd, om ons niet de kans te geven alles nog op satan af te wentelen) dat hij ons tot zonde brengt -over de brug van het EIGENE, langs de geleiding van het EIGENE.
Wacht u voor ... uzelf!
En als het over de schuldvraag gaat: pas op voor uitwijkmanoeuvres!

Illustreer een en ander aan Eva, David, Judas, Petrus.
In vers 15 tekent Jakobus het afschuwelijke geboorteproces der zonde. Uit ons toegeven aan de begeerte wordt de zonde geboren en uit de zonde de dood. Als onze EIGEN begeerte haar zin krijgt, is de ZONDE haar dochter en wordt de DOOD haar kleindochter. Verg. "het rad der geboorte" in 3 : 6. En als tegenhanger van dit afschuwelijk geboorteproces een heel ander, heerlijk voortbrengingsproces in 1 : 18!

Maar Jakobus gaat nog verder' met zijn goed spreken van God: dwaalt niet, mijn geliefde broeders.
(Let op deze veelvuldig voorkomende hartelijke aanspraak van Jakobus, de man met een pastoraal hart). Van God kan alleen maar GOED komen. Hij is de Vader der lichten, en bij Hem is geen verandering of zweem van ommekeer. (vers 17) Dit is een moeilijk te vertalen vers. In de griekse tekst schijnen termen gebruikt te worden, die aan de sterrenkunde ontleend zijn. God is de Schepper van de hemellichten, zon, maan en sterren. Bij de hemellichamen is verandering en soms zelfs beschaduwing door omkeer.
Maansverduistering ontstaat immers door de schaduw van de aarde. Maar God als hun Schepper is daar ver boven verheven.
Hij is niet nu eens licht en dan weer duister. Hij is niet de oorsprong van goed èn kwaad. Maar de Bron van alle goed èn de Vader van zijn kinderen. Want naar zijn wilsbesluit heeft Hij ons voortgebracht door het woord der waarheid. De griekse tekst heeft daar hetzelfde woord als in vers 15 met "baren" is vertaald. God heeft ons gebaard, ter wereld gebracht, door het Evangeliewoord.
.Jakobus doelt hier op de wedergeboorte.
Door het Woord. Zoals ook de schepping geschied is door het Woord (Gen. 1 en Joh. 1) zo ook is de herschepping, de wedergeboorte.
En zo mogen de weergeboren kinderen Gods eerstelingen zijn van de nieuwe schepping.
Dat .Jakobus erbij zegt: in zekere zin, - is, omdat hij het offer van de eerstelingen van de oogst, dat Israël den HERE bood (Lev. 23 : 10) als beeld gebruikt voor de gemeente der gelovigen. De eerstelingen vertegenwoordigen èn beloven het geheel, de toekomst, en zo is de gemeente, zo is elk wedergeboren mens een begin van de nieuwe schepping.
Deze gemeente van joden-christenen wordt "eersteling" genoemd, zoals ook Israël al onder dit beeld werd aangeduid (Jer. 2: 3), omdat het Evangelie het eerst tot hen gekomen is. En in deze eerstelingen ligt de verlossing van de hele schepping reeds besloten en vast.
Tussen de regels door blijft toch doorschemeren de achtergrond van de verzoekingen. Dat was de aanleiding voor dit schrijven van .Jakobus en dat staat hem ook voor de geest bij vers 18.
Wie een eersteling mag zijn van Gods nieuwe schepping, moet zich niet zo gauw van de wijs laten brengen door allerlei beproevingen/verzoekingen op het gebied van arm-rijk. Daar gaat ver boven uit onze positie als BROEDER (vers 9) en nog meer als KIND van God, ter wereld gebracht door het woord der waarheid, en onze positie als EERSTELING, veelbelovend begin voor de toekomst!
Daarbij vergeleken valt rijkdom in het niet! En hoe zou armoe daar afbreuk aan kunnen doen?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief