RAFELFIGUREN

1974-01-25
  • Jaargang 18
  • nummer 4
Vele jaren geleden - lang voor de vrijmaking ons beroofde van kerkgebouwen en orgels - was ik nog organist. Het was wel niet zo'n enorm belangrijk orgel - maar het was een órgel, waar ik wekelijks mijn kerk bij mocht laten zingen. Een orgel, weet u wat dat is? Dat is als een levend wezen met duizend monden; een wezen dat kan vleien en spreken, dat kan roepen en gillen, dat kan kreunen en juichen.
Ja, vooral juichen - daar is het orgel goed in.

Graag bleef ik na kerktijd een uurtje orgel spelen. Dat nam mijn jonge gezin blijkbaar niet zo erg kwalijk. Bovendien mocht ik de sleutelen van het kerkgebouw behoren: ik kon naar believen in- en uitgaan. Als de koster de tent op slot had gedraaid, kon ik er altijd nog uit.

En toen gebeurde het, dat er iemand met mij de kerk uitging - ongeveer een uur na kerktijd. Die iemand had zich laten opsluiten en was onzichtbaar toehoorder geweest. Hij was een stuk ouder dan ik en ik kende hem maar oppervlakkig. Geen kerklid, misschien ooit in een doopregister ingeboekt, maar verder zelfs van de kerkelijke franje afgevallen. Een kunstenaar - niet iemand die naar een preek kwam luisteren. Dat zei hij ook maar openhartig: ik kom hier om naar orgelmuziek te luisteren, zei hij. Ik heb die preken niet nodig, zei hij.
Zo iets is voor een jong gemoed wel erg verleidelijk. Dat een erkend kunstenaar naar "mijn" orgel kwam luisteren, liever dan naar een preek van een echte dominé, was natuurlijk erg vererend. Maar tegelijk drong het tot mij door: dat die eer aan de Koning van alle evangelieverkondiging ontnomen werd. En dat de kunstenaar zelf daar de dupe van dreigde te worden.

Ik heb getracht, iets in die richting kwijt te raken. Wist ik veel? Ik was geen getrainde evangelist, kon mijn verhaal nog maar moeilijk onder woorden krijgen. En dan: wie was ik, jonge kerel, tegenover een man, wiens gezicht door het leven gegroefd was? Hij was wellevend genoeg om me minzaam aan te horen; maar bleef erbij: als u me in de kerk ziet is het om de muziek; de rest mag u houden. En ik was toen al listig genoeg om te denken: als hij maar eenmaal in de kerk komt, wie weet doet God vandaag nog wonderen.

Oude calvinisten zeiden: wil je nat worden dan moet je in de regen lopen; en wil je wedergeboren worden, dan moet je in de kerk komen.
De evenredigheid is boeiend genoeg, vindt u niet? En iets in die richting dacht ik vermoedelijk ook: áls die man dan maar in de kerk komt; het zal hem nooit kwaad doen. Terwijl het voor mij een aansporing was om zo goed mogelijk te spelen en hem niet teleur te stellen.

Daar werd enkele jaren geleden een populair liedje op de markt gebracht.
Als ik me niet sterk vergis moet het van ene Ben Cramer zijn.
Dat gaat over zo'n zwerver, die een kerkgebouw binnenliep - aangelokt door orgelklanken. Luister maar. Mag het even?

Dit is uw orgel, Heer, dit is uw kerk.
Ik Loop zo maar binnen, Heer, net van mijn werk;
niet voor de priester, Heer, of het antiek
kom alleen maar, Heer, voor de muziek.

Is het bezwaarlijk, Heer, dat ik hier zit?
Maakt het wat uit, 0 Heer, dat ik niet bid?
'k Ben niet hervormd of zo, niet katholiek
ik kom alleen maar, Heer, voor de muziek.

Ik kom hier vaker, Heer, haast elke week;
nooit bij een zondagsdienst, nooit voor de preek.
Als je alleen bent, Heer, zonder publiek
nou dan geniet je meer van de muziek.

Ik had een rotdag, Heer, 't lukte niet best,
'k werd door collega's, Heer, ook nog gepest.
't Komt door uw orgel, Heer, door uw trompet
ik kwam haast ongemerkt tot een gebed.

Goed, dat gedicht is een draak. Accoord, het is een ballade van Jan Kalebas. Inderdaad, wij stoere calvinisten grinneken om zulke flauwe kul. Wij weten wel beter. Het gaat in de kerk om het woord, het Woord, het WOORD alleen - en de muziek is weinig meer dan een noodzakelijk kwaad. Als het orgel speelt kunnen we tenminste kletsen, maar als het Woord bediend wordt gaan we er voor zitten. Dan laten we ons geen knollen voor citroenen verkopen.

Allemaal van u te verdragen, beste broeder, lieve zuster. Als u maar in de kerk komt. En als u zich maar openstelt voor Gods Woord door wie en in welke verpakking het ook bediend wordt. Wilt u wedergeboren worden, dan moet u erbij zijn. En áls het mocht komen te staan te gebeuren, dat het wonder van de wedergeboorte zich aan u ging voltrekken; voor het eerst, of bij vernieuwing, mogelijk bij veelvuldige herhaling, zodat het tot een dagelijkse bekering mocht worden .....

dan zult u vermoedelijk die zwervende kerkganger met andere ogen gaan bezien. Dan zult u die gereformeerde hoogmoed ten aanzien van de "buitenkerkelijke" daklozen misschien nog eens kwijtraken.
Want de Schrift zegt dat vele laatsten de eersten zullen zijn; en dat velen van de eerste rij, die wekelijks "Heere Heere" hebben gezongen, buiten de relatiekring van de Heiland zullen vallen.

De vorige week spraken we met een paar jonge kerels. Ze gaven een vrije zaterdag, om een chronische zieke een leuke dag te bezorgen.
Informerend naar de relatie tussen hen beiden en de zieke bleek die relatie deze te zijn: ze waren sedert kort onder de lichtschijn van het Evangelie geraakt en nu zochten ze mogelijkheden om iets te doen voor een medemens. Omdat ze hun vreugde-in-de-Heere (kennen we die term eigenlijk nog?) omdat ze hun blijdschap in daden moesten omzetten. Daarom.

En zulke gekke dingen zie je de laatste tijd ook in andere plaatsen, Dat jonge mensen, bevrijd van de drugs, de kerk binnen lopen en open staan voor het evangelie. Het valt als een druppel op een. hete plaat, als regen op een dorstig land. Zulke mensen hebben wat in te halen, reken maar. Ze grijpen driftig om zich heen - want liefde maakt ziende voor alle nood. Ze brengen een bloemetje hier en behangen een kamer daar; ze houden een huwelijk heel en redden een vriendje van de ondergang elders. Ze rekenen niet met eigenbelang, maar letten op het leed van de ander. Ze behoeven geen kerkelijke papieren te verdedigen - want die raken hen niet. Ze proberen wel in korte tijd de Bijbel te leren kennen en verbazen zich elke dag over de ontdekte bronnen van welvaart, die je voor twee tientjes kan kopen.

Zulke randfiguren, zulke kerkelijke zwervers, zulke daklozen, hebben beloften van voorrang in het koninkrijk der hemelen. Misschien ziet u ze in de Waterloopleinkerk in Amsterdam. Misschien in de zomerse tentzending. Misschien in een Pinkstergroep, of op een studentencongres, of in een of andere Abri .....
Ik heb eens een collega gehad, die communist was. Ellendig kon hij tegen de fijnen te keer gaan. Maar na jaren kwam hij bij me aan: hij moest het aan me kwijt dat hij in de kerk verzeild was geraakt en met zijn vrouw wekelijks het Evangelie indronk; dat ze dagelijks zich bedronken aan de Bijbel, en dat ze kerkelijk werk zochten: evangelisatie en zangkoor en zo. Ze hebben zich te pletter gezongen.

Een half jaar later kreeg ik bericht van zijn vrouw: na een operatie was haar man plotseling overleden. Maar vast in het geloof in Gods genadige schuldvergeving.

En nu terug naar de oude kunstenaar, die vele jaren geleden zich in de kerk liet. opsluiten om naar "mijn" orgel te luisteren. Ik mocht de preken wel houden, zei hij; hij kwam alleen voor de muziek.
Ook zo'n rafelfiguur. Ook een van de laatsten. Maar ook een, die beloften van voorrang had op het geordende kerkvolk.
Wel, u dacht dat deze man er een keer genoeg van had gekregen?
Want dat alle verhalen geen gelukkige afloop behoren te hebben?
Dan moet ik u teleurstellen. Het verhaal had wél een gelukkige afloop.
De man is tot bekering gekomen en heeft de Heiland dankbaar aanvaard. Zo is hij gestorven. 't Kwam door 'uw orgel, Heer, door uw trompet. Hij kwam haast ongemerkt tot een gebed.

Eigenlijk een gek verhaal. Bekeringsgeschiedenissen en zo horen in de kerstboekjes thuis, die op zondagschool werden uitgereikt.
Die zijn een eeuw over tijd. In het klimaat van welgeordende kerken, met formulieren en kerkordeningen, met enigheid en onenigheid, met vastigheden van instituut en organisatie en al die ellende meer .....

Maar pas even op. De regel van voorrang voor kerkelijke zwervers, die Gods genade aanvaarden; en de regel inzake vuurvaste verbondschristenen, die Gods genade in hun vestzakje meedragen; die regel gaat nog altijd op. U hoeft geen rafelfiguur te worden, om het koninkrijk der hemelen binnen te gaan. Maar als we de rafelfiguren met stoffer en blik tegemoet komen ..... dan staan we vrij ver van dat koninkrijk af. Lijkt me.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief