Niet stampen maar antwoorden

2013-01-26
  • Jaargang 57
  • nummer 2
Het is niet dat Jezus opdracht gaf alle kinderen van 12 tot 18 jaar catechisatie te geven. Toch heeft de Bijbel veel over onderwijzen en leren te zeggen. Bijvoorbeeld dat leren wat anders is dan verzen in je hoofd stampen. Het echte geloofsleren doe je met elkaar, thuis en in de gemeenschap. Niet om kennis te vergaren, maar om erdoor veranderd te worden. Een paar fundamentele gegevens uit de Bijbel op een rij.

Als iemand mij zou vragen wat de meest fundamentele tekst in de Bijbel is als het gaat om onderwijzen en leren, dan zou ik Matteüs 28:16-20 noemen. De tekst staat bekend als het doopbevel, maar dit gedeelte bevat veel woorden die met leerling, leren, onderwijzen en onderhouden te maken hebben.
Het begint al met die terloopse opmerking dat Jezus en zijn leerlingen samenkomen op de berg waar Jezus hen had onderwezen. Hij geeft daar zijn leerlingen de opdracht de wereld in te gaan om te dopen. Jezus heeft alle macht op aarde gekregen, maar de leerlingen moeten geen volk van onderdanen dopen, maar een volk van leerlingen.
De opdracht aan de leerlingen is dat ze de mensen leren dat ze zich aan zijn woorden moeten houden. Leren heeft, en dat is een lijn die in de hele Bijbel te zien is, veel meer te maken met het doen, het onderhouden van wat gezegd is, dan met het weten. Het weten of begrijpen is niet voldoende, het gaat om het doen, het toepassen in het leven van elke dag. In het Koninkrijk van God ben je leerling. En verder zul je het ook niet schoppen, want er is er maar één die de Meester is.

Moeder
Paulus geeft in Romeinen 1 een prachtig voorbeeld van hoe dat werkt. Hij verlangt om naar Rome te gaan om de mensen te ontmoeten, te sterken en te laten delen in een geestelijke gave. Dit laatste kun je je heel goed voorstellen. De apostel Paulus, van wie bekend is dat hij een echte schriftgeleerde is en vele gemeenten heeft onderwezen, zal zeker in staat zijn om een geestelijke gave te geven.
Maar hij zegt: ‘… of liever, om door elkaar bemoedigd te worden: ik door uw geloof en u door het mijne’ (vers 11 en 12). Kijk, dat is de stijl die past in een gemeenschap van leerlingen.
Leerlingen kunnen van elkaar leren, of je nu geleerd bent of een gewoon gemeentelid.
In Paulus’ onderwijs komt deze vorm van wederkerig leren vaker voor. In Kolossenzen 3:16 staat: ‘… onderricht en vermaan elkaar in alle wijsheid’. Het is een tekst waarin benadrukt wordt dat onderwijzen en leren in een gemeenschap gebeurt.
Leren in gemeenschap is een wezenlijk kenmerk van het christelijk geloofsleren. In het kader van geloofsleren is het nuttig om onderscheid te maken tussen het primaire en het secundaire onderwijs.
Het primaire onderwijs vindt thuis plaats. Maak maar een vergelijking met het leren van de moedertaal. Niet voor niets wordt dat ‘moedertaal’ genoemd, want het is zeer waarschijnlijk dat de moeder daar een grote rol in heeft gespeeld. Het is moeilijk om precies te verwoorden hoe je je moedertaal eigengemaakt hebt.
Dat zal min of meer vanzelfsprekend gegaan zijn, zonder dat je bewust aan het leren was. Vanaf je geboorte hebben mensen tegen je gepraat. Als vanzelf ga je door te luisteren een verband leggen tussen een voorwerp en een woord.
En daarna begin je de eerste woordjes te spreken. Je leert door er gewoon te zijn, samen met andere mensen. Het leren hoeft niet apart georganiseerd te worden, want het is de omgeving waarin je elke dag opgroeit die je de kennis bijbrengt.
In deze vormen van onderwijs is sprake van echte overdracht. Het is een vorm van kennis die je nauwelijks kritisch kunt verwerpen. Want de taal spreken is een voorwaarde om te kunnen communiceren en om lid te zijn van de groep.
Of deze kenmerken ook gelden voor het leren van godsdienstige kennis, is afhankelijk van hoe in het gezin gepraat wordt over geloof. In elk empirisch onderzoek naar de godsdienstige vorming blijkt het belang van de thuissituatie. Als gevraagd wordt naar de persoon die de meeste invloed heeft gehad op de ontwikkeling van het geloof van de ondervraagde, wordt consequent de moeder als eerste genoemd.
En pas daarna de vader, de catecheet of anderen die hebben bijgedragen aan de godsdienstige vorming.
Dus, waar leer je het geloof? In het gewone leven in het gezin. Het ‘prent ze uw kinderen in’ (Deuteronomium 6:7), een tekst die nogal eens gebruikt wordt om te hameren op parate kennis, staat, als je de context erbij haalt, helemaal in het kader van de dagelijkse omgang in het gezin. Je moet steeds over de inzettingen van God praten, als je thuis bent of onderweg, als je naar bed gaat en als je opstaat. Er is dus geen moment waar het er niet over gaat.
In het secundaire of formele onderwijs, waarbij je kunt denken aan het godsdienstonderwijs of aan catechese, kun je alleen maar aanvullen en zoiets als de grammatica van het geloof leren. Maar de belangrijkste basis is gelegd in het gezin.
Een kerk die zich bezorgd maakt over het kennisniveau van jongeren of over de betrokkenheid bij het geloof, zou met name moeten investeren in de gezinnen. Ouders helpen, ondersteunen bij de godsdienstige opvoeding, moedermorgens over dit thema organiseren, ouders betrekken bij vervolgonderwijs: het zijn voor kerkelijk beleid waardevolle aandachtspunten.

Appellerend
Het christelijk geloof is te typeren als een doorgeefreligie. Zoals het in Psalm 78 staat: het ene geslacht vertelt aan het nieuwe geslacht over de grote daden van God. Want dat is de weg waarlangs mensen hun vertouwen op God gaan stellen. In vers 7 staat: ‘Dan zouden zij op God vertrouwen, Gods grote daden niet vergeten en zich richten naar zijn geboden.’
Hier worden woorden gebruikt die het resultaat zijn van een leerproces.
Het gaat over processen die zich afspelen in de kinderen, in de leerlingen.
Daar zit het verschil in accent: bij onderwijzen gaat het om het verkondigen, het brengen van de boodschap, bij leren gaat het meer om wat die boodschap uitwerkt in iemand.
Aandacht voor wat de leerstof uitwerkt is eigen aan de aard van godsdienstige kennis. De inhouden van het christelijk geloof hebben een appellerend karakter. Je bent er nog niet als je ze kunt onthouden – hoe waardevol ook. De inhouden gaan dieper, ze willen je als mens veranderen.
De daden van God worden doorgegeven als middel om ontzag voor God te krijgen. Het is niet een vorm van informatie waar je kennis van kunt nemen, het is informatie die echte persoonlijke kennis moet worden, met het effect dat je ook in je gevoel en in je wil wordt aangesproken.
Door die kennis besef je dat je afhankelijk bent van God en dat je naar de bedoeling van God moet leven.
Wie in de opvoeding het accent legt op leren, stopt niet met de overdracht, maar probeert ook te begeleiden wat zich afspeelt in de lerende.
Dat leerproces kun je beïnvloeden, vooral door zelf het goede voorbeeld te geven. Onderwijs dat op een betrokken en doorleefde manier wordt gegeven, doet een beroep op meer dan alleen het cognitieve: het spreekt het hart aan.
Het is een verbetering dat er in de geloofsopvoeding naast de aandacht voor overdracht ook aandacht voor dat leren is gekomen. Dat past ook bij het karakter van de leerstof zelf.
Die is gericht op persoonlijke acceptatie.
Het is een kenmerk van het onderwijs van de Here Jezus zelf. Hij onderwijst zo dat je er als persoon niet buiten kunt blijven staan. Een wetgeleerde die bij Jezus komt met de vraag wie hij moet beschouwen als zijn naaste, krijgt geen ingewikkelde of interessante definitie van de naaste te horen, maar leert van de gelijkenis van de Barmhartige Samaritaan dat het erom gaat hoe hij zelf concreet de naaste kan zijn voor iemand anders. Het is niet voor niets dat mensen soms kwaad bij Jezus weglopen om een verhaal dat Hij vertelt, omdat ze door hebben dat het over henzelf gaat. De kern van geloofsleren is dat je erop antwoordt.
Het onderwijs in de Bijbel, in het Oude en Nieuwe Testament, heeft altijd te maken met wat mensen in hun leven tegenkomen. Er is een relatie met de praktijk. Kennis helpt mensen bij het maken van keuzes.
Ze moeten leren de weg te gaan die God wijst, die niet altijd direct duidelijk is. Daar is wijsheid voor nodig, en dat begint met ontzag voor God.

Wolken
Zijn er uit deze bijbelse noties over onderwijzen en leren aandachtspunten af te leiden voor catechese en voor de keuze van catechesemethoden?
Ik denk het wel. Onderwijs moet aanzetten tot een houding waarin gelovigen willen blijven leren. Want gelovig zijn is leerling zijn.

Leren kun je van elkaar, of je nu veel weet of niet. En leren moet verbonden zijn met de levenspraktijk van elke dag. Het gaat er vooral om dat je weet welke keuzes je moet maken.
Het is geen dogmatische theorie die geleerd wordt. Het moet onderwijs zijn dat mensen persoonlijk raakt en betrekt bij de inhouden. Of, zoals iemand zei, het gaat niet om algemeen godsdienstige waarheden die als wolken hoog boven het alledaagse leven voorbij drijven. Het moet gaan over het concrete leven voor het aangezicht van God.

Hans Meerveld is docent catechese aan de Gereformeerde Hogeschool in Zwolle en aan de Theologische Universiteit in Kampen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief