PSALM 126
1974-02-01
Van dichters, edelstenen en stro "Himmelhoch jauchzend - zum Tode betrübt" schijnt een goede samenvatting van Ps. 126. Dit citaat van Goethe mag dan al uit een heel andere denkwereld stammen, de meeste exegeten zijn het er wel over eens, dat het begin van dit lied in majeur en het slot in mineur getoonzet is. 't Is ten dele waar. Afgezien daarvan - de psalmist moet een dichter bij de gratie Gods geweest zijn.- Jaargang 18
- nummer 5
In enkele strophen weet hij Israëls contrastrijke levenssituatie onnavolgbaar uit te beelden: wat heeft een goede dichter weinig woorden nodig!
De psalmen 120-134 vormen onbetwistbaar een eigen bundeltje binnen het psalmboek. 't Zijn o.i. (maar dat mag men rustig betwisten) de liederen van de optocht van Babel naar Kanaän.
Het is ook heel goed mogelijk, dat ze later als "pelgrimsliederen"
hebben gediend. Zou Israël niet zingen als het van heinde en ver Jeruzalem bezocht bij gelegenheid van de grote feesten.
Gods volk is een zingend volk het heeft (had?) dichters en dichteressen: liedboeken behoren tot de geregelde bagage. Zelfs al had Paulus nièt psalmen, lofzangen en geestelijke liederen als uitdrukkingsvorm van dankbaarheid genoemd (Col. 3: 16), Gods gemeente zou het zingen niet kunnen laten.
Paulus trouwens ook niet (bijv. Rom. 11: 33-36). Moge het werk van woord-begenadigden goud, zilver en diamant zo goed als hout, hooi of stro opleveren, de gemeente zingt, openlijk of "clandestien". Zij kan het zingen niet laten, al valt het te wensen dat zij stro van edelstenen weet te onderscheiden.
Het edict van Kores
Binnen het genoemde bundeltje vallen, naar onze bescheiden mening, dan nog weer tenminste twee groepen aan te wijzen. De eerste cyclus handelt over de eigenlijke tocht (Ps. 120-125) en eindigt met de zegewens: vrede zij over Israël. De tweede cyclus, beginnend met Ps. 126, wekt de indruk dat de eigenlijke tocht (wat 't aantal kilometers betreft) voorbij is. Van nu af gaat het om de verwerkelijking van Israëls vrede. Echt vrede is het pas, als de wederopbouw voltooid is.
Het lied begint met een herinnering aan het moment van vertrek uit Babel. Om nooit te vergeten!
Gebeden was er in Babel, gehoopt en geklaagd. Tot het vuur van het gebed gedoofd, de hoop uitgeblust was en de meeste bidders begraven. En als dan niemand meer durft te hopen, breekt het jubeljaar aan. Herauten boodschappen stad en land het edict van Kores (2 Kron. 36 : 22, 23; Ezra 1: 1-11). Opvallend is diens beweegreden: de HERE heeft mij bevolen Hem een huis te bouwen te Jeruzalem in Juda.
En - aansluitend -: wie nu onder u tot enig deel van zijn volk behoort - zijn God zij met hem, hij trekke op naar Jeruzalem ... en bouwe het huis van de HERE.
Israëls plaatsgenoten moeten aan hen, boven een eventuele vrijwillige gave, een gedwongen schatting in zilver en goud meegeven, terwijl Kores zelf het gouden en zilveren gerei van Jeruzalems tempel vrijgeeft, alles onder het motto: voor de tempel van de HERE te Jeruzalem. We weten dus waar we Israël, na aankomst zoeken moeten.
Het edict van Jahweh
Ook gaan de boeken open, bijv.
het tweede gedeelte van het boek Jesaja. Profeten gaan rond van huis tot huis met Góds edict: 0 alle gij dorstigen, komt ... (Jes. 55 enz.). Woorden die dood leken worden opnieuw levend: God hééft wat te zeggen! In gunst heeft Hij zich weer tot zijn volk gewend - er wordt een generaal pardon afgekondigd (Jes. 40).
En zo komt dan toch die dag waarvan ze tenslotte alleen nog maar gedróómd hadden - maar zijn dromen geen bitter bedrog (Jes. 29: 8, 9)? Déze keer niet: daar staan ze klaar, gepakt en gezakt, de beurzen zwaar van Babels goud. Dat zou je gedroomd hebben? Nee, 't is de ongelooflijke werkelijkheid - toen welde het lachen in hen op, blijdschap doorstroomde hen als nieuw leven.
Ach, wie zal het die dichter verbeteren: toen waren wij als degenen die dromen, toen werd onze mond vervuld met lachen, onze tong met gejuich.
Israël beseft: daar is iets groots verricht. Het is ongelooflijk. En zo denken ook de gojim (de nietisraëlieten) erover: Jahweh heeft grote dingen bij hen gedaan. Gods naam was bij de gojim bekend geraakt, zelfs bij Kores. Niemand zegt: die goocheme joden. Evenmin: die diplomatieke Kores. De eer is voor de Heer!
Tranen op het feest?
Maar net als je denkt: 't feest gaat beginnen, komen de tranen.
Waarom nu een klaagzang: HERE, keer ons lot als beken in het Zuiderland?
Natuurlijk: 't beeld is begrijpelijk.
De bruinrode steppen van de Negev tooien zich in een ogenblik met mals gras en bonte bloemenpracht als de uitgedroogde rivierbeddingen zich vullen met regenwater.
Maar waarom slaat de vreugde zo plotseling om? Want wie met tranen zaaien, zijn echt niet blij.
De wonderlijkste dingen zijn over dat "met tranen zaaien" gezegd.
Ze variëren van "een spreekwoord" tot "een oud kanaänietisch cultisch gebruik". 't Mag waar zijn: uit Egypte kent men het gebruik van "onder tranen zaaien". Men zag in het openploegen van de grond en het strooien van het zaad het begraven van een god (Osiris). Maar men mag toch niet aannemen, dat in één adem gesproken wordt van Gods grote daden èn van 't navolgen van kanaänietische godsdienstige gebruiken?
Ook hier is weer de simpelste verklaring de beste. Denkt u eens even in hoe op die lange tocht de ouderen de kinderen met enthousiasme het land van melk en honing en de stad van de vrede hebben geschilderd. Hóórt u het de kinderen, bij aankomst, teleurgesteld uitroepen: is dàt nu alles, moeten we dáár wonen, in die puinhopen?
Vergeet niet: de scepter der goddeloosheid rust nog steeds op het erfdeel der rechtvaardigen (Ps. 125 : 3). Edom en anderen hebben op verschrikkelijke wijze huisgehouden in het beloofde land. De aanblik van stad en land is om te huilen. De stad is één ruïne, de akikers zijn bezaaid met steen en puin, de wijngaarden verwoest (vgl. Jes. 5: 1-7).
Goed, dan zet je er samen de schouders onder. Je maakt de ruïnes zo goed en zo kwaad als 't gaat bewoonbaar voorlopig. Je ruimt het puin van de akker en de kinderen helpen dapper mee, Maar als de zaaitijd is aangebroken en nog de helft niet van de akker kon worden geploegd, zou je dan niet met tranen in de ogen het koren zaaien in de halve voren?
Geeft de herbouw van de tempel niet hetzelfde beeld (Ezra 3 : 10-13)?
Feest - ondanks de tranen
Nee, het gebed om een keer van het lot als beken in de Negev is geen overbodige luxe. Met tranen in de ogen gaat de zaaier over zijn akkertje. De kinderen zijn ontgoocheld: is dat nu het beloofde land? Is dat nu waar iedereen onderweg zo enthousiast over was?
Neem 't de jeugd niet al te kwalijk als ze, tot op vandaag toe, zegt: wat een puinhoop... zelfs in de kerk. De voormalige heidenen uit Efeze en Rome zagen 't op een gegeven ogenblik ook niet meer zitten ... lees er de brief aan de Hebreenën maar op na.
Maar niemand vergete: de HERE heeft grote dingen gedaan. En Hij doet ze nog steeds. Hijzelf ging met Israël terug (Jes. 55!) en Israël, jong en oud, mag meehelpen aan het herstel: God neemt ze zelf in dienst. Laten dan in 't beging de tranen in de ogen springen, straks, in de oogsttijd, komt de maaier juichend thuis: dragende zijn schoven. Zijn mond is tóch weer vervuld met lachen zijn tong met gejuich. De vrede: het herstel begint al vorm te krijgen!