Instrumentale kerkmuziek

1974-02-01
  • Jaargang 18
  • nummer 5
Vraag uw organist: waar de oorsprong ligt van onze instrumentale kerkmuziek. Hij zal diep nadenken. Met een beetje geluk en wijsheid zal hij antwoorden: 1639 - Het orgel in de Hooglandse Kerk te Leiden vergezelschapt de gemeentezang voor het eerst. Dat antwoord is goed, maar niet voldoende. Want de oorsprong van onze instrumentale kerkmuziek ligt niet zo'n slordige 31/2 eeuw terug in de geschiedenismaar zeker meer dan 12 eeuwen. Lang voor de middeleeuwen was de trompe, nu beter bekend als de franse jachthoorn, tot in de liturgie.
doorgedrongen.

De heer Olivier Alain dateert deze kerkelijke trompe in de 8e eeuw.
Dat doet hij bij het verschijnen van een grammofoonplaat, welke een klassieke Hubertusmis voor elf trompen doet horen, begeleid door niemand minder dan de beroemde franse organiste Marie-Claire Alain - op het orgel van de kathedraal van Méaux.

Marie-Claire Alain begeleidt die Hlubertusmis, inderdaad. En als tussenspelen geeft ze een reeks orgelstukken uit een nagelaten suite van J. F. d'Andrieu, gestorven in 1738. Laat die orgelsuite nu toevallig in D grote terts staan, dezelfde toonhoogte, welke de franse trompen ook hebben. De onderdelen van de mis (introitus, kyrie, offertoire, magnificat, élévation, domine en zo voort) worden telkens afgewisseld met een stuk voor orgel solo. In totaal zijn dat 22 nummers.

Deze grammofoonplaat (Erato STU 70350 f 23,50) is niet alleen belangrijk om Marie-Claire in een bizondere creatie te horen. Maar is vooral belangrijk om de betekenis van het getempereerde orgel tegenover de natuurlijke boventonen van natuurinstrumenten te beleven. Ondanks het sublieme spel van deze organiste op een subliem orgel, en ondanks de sublieme posthume suite van d'Andrieu, is aan het orgel een bescheiden, zo niet een bedenkelijke rol toebedeeld. Nummer 20 bijvoorbeeld laat het orgel horen als imitator van de trompes de chasse.
Tegenover de échte trompes, hier tegenwoordig, verliest het perfecte orgel de strijd erbarmelijk.

En nu vraagt u: waar komt die trompe eigenlijk vandaan?

Reeds in overoude tijden kende men de cornure: een aan de rams- of runderhoorn ontleende hoorn, die u bijvoorbeeld bij Brenghel de Oude tegenkomt, en die de menselijke stem groter kracht en draagwijdte verleende. Meest in ritmische signalen gebruikt, in zekere zin ook wel met hoogteverschil van enkele tonen, was hij een genoegzaam contactmiddel tussen mensen-op-afstand. Bijvoorbeeld in de jacht of in de strijd. In zoverre is de cornure vergelijkbaar met de oudtestamentische bazuin of sjofaar, eveneens van runder-, rams- en gazellehoorn gemaakt.

Daarnaast echter kende men van overoude tijden de metalen trompe.
Mozes bijvoorbeeld, zie Numeri 10, malakte zilveren trompetten, kleine trompen. Hierop kon men meerdere boventonen produceren, zoals de Bijbel ook duidelijk aangeeft. De statenvertaling spreekt van een "gebroken klank"; in de muziekleer spreken we van een gebroken accoorden bedoelen hetzelfde: een reeks bij elkaar behorende tonen.
Iedere organist kan u vertellen, dat de boventonen van een orgelpijp of hoorn des te gemakkelijker klinken, naarmate zijn doorsnee nauwer is. Een sjofaar, runderhoorn of cernure is door zijn dikte boventoonarm, sterk van grondtoon. Maar een koperen trornpe, die men zo nauw kan maken als men wil, is boventoonrijk, zwak van grondtoon.

Welnu, de koperen trompe de chasse die vandaag in Frankrijk en België, langzamerhand ook in Nederland, bekend is - heeft een lengte van meer dan vier en een halve meter en heeft de D uit het groot octaaf (de laagste van uw harmoniumklavier) als grondtoon.
Volgens de natuurlijke reeks kan de trompe achtereenvolgens deze tonen geven (en laat dat nu even in universele termen gezegd mogen worden.) do - sol - do - mi - sol - do - re - mi - fa - sol - la - (si) - do.
Steeds opklimmend, zoals u al begrepen hebt. En dit zonder kleppen of ventielen, of andere hulpmiddelen dan de mond, de wangen en de adem. Een omvang van vier octaven, een benedenregister van een grote drieklank, een zangregister van een hele toonladder. Door verschillende mondstukken (en monden!) te gebruiken, krijgt men bashoorns en discanthoorns. De trompen worden dan ook vier- tot vijfstemmig geblazen.

Voor u dit artikel nu weglegt als voor u ongeschikt zij u verzekerd, dat dit geen hobby van een hobbyist betreft, maar een stukje achtergrond en geschiedenis van uw eigenste kerkmuziek, welke uw voorvaderen hebben beoefend, en waarvan de Heere uw God gediend wilde zijn!

Nu is de Sint-Hubertusmis wel een der oudste en meest bekende voorbeelden van kerkmuziek, welke van lang voor de middeleeuwen tot ons is overgekomen. Van oude tijden af zijn er missen gecelebreerd voor Sint Hubertus, de bekeerde jager, die later bisschop van Maastricht is geweest en die nog steeds als beschermheilige geldt tegen hondsdolheid en alle ziekten van wild en vee; al is zijn datum van de kalender afgevoerd sedert enkele jaren. Wie ooit de plechtige Hubertusviering in België of in Frankrijk meemaakte. is voor zijn leven onder de indruk gekomen van de primitieve religieuze extase, welke hierin te vinden is. Als regel komt het orgel er heel niet aan te pas. Zelfs de menselijke stem treedt terug. Met Sint Hubertus dragen de trompen gezamenlijk de mis op, zij "sonneren" de mis in al zijn onderdelen. Die onderdelen zijn letterlijk mondeling overgeleverd: de meeste blazers kennen het notenschrift niet eens.

Een sonneur zei me eens: hebt ge muziek gestudeerd? Vergeet dan al uwe muziek, meneerken, en laat uwe natuurlijke oren werken Het is een feit dat de trompe, beter bekend als de trompe de chasse, naar de jacht is teruggedrongen. Ze weet zich nauwelijks staande te houden' in het leger: bij de afdeling Jagers wel te verstaan. Maar eens in het jaar wordt zij bij de zuidelijke broeders weer in het kerkelijke leven ge-incorporeerd, op de plaats die haar vroeger toekwam.

De trompe is een gevaarlijk instrument. Niet alleen omdat zij speler en hoorder ademloos maakt. Maar ook omdat zij gevoelens in de cultuurmens loswoelt, die door vele eeuwen van beschaving zijn overwoekerd. De trompe hoort bij het vrije veld, bij de jacht, bij de natuurmens. Zij heeft een ontembaar karakter: kan menselijke vibrato's geven, hartstochtelijke crescendo's en diminuendo's, vleiende smorzando's, felle sforzato's, gemene staccato's en bliksemende klankexplosies.
Heel het palet van gevoelens, die bij de middeleeuwse mens behoren - met zijn religieuze extase en zijn bijgelovige angsten, zijn hongersnoden en epidemieën, zowel als zijn uitbundige feesten - u vindt het bij de trompe terug.

De franse trompe is dan ook vrouwelijk. Merkwaardig, dat hoorn in onze taal mannelijk heet. De franse menselijkheid heeft de vrouwelijke stem nodig om zich te uiten; maar de nederlandse calvinist verheft den hoorn. Hij doet dat welbewust en ontneemt aan de trompe alle elementaire hevigheid alvorens haar tot een gecultiveerde mannelijke waldhoorn te verheffen. En daar staat ons orgel als onzijdig tussen in .....

Want ja, wat blijft er eigenlijk van dit orgel over? Tegen zo'n dithyrambische, ongetemde wijl ontembare, klankenzee is ons mooiste orgel een dooie diender. Zelfs de reine kwint, de zuivere derde natuurtoon, kunt u er ternauwernood in een mixtuur aantreffen. Maar wie de reine kwarten en kwinten uit de trompe hoort zal, als hij over de schrik heen is, een onvergetelijke indruk behouden. Die merkt dat de tonen, die wij van ons klavier kennen, zeer ver van de zuivere natuur zijn geraakt; dat de wetenschap aan de natuurtonen enorme verminkingen heeft opgelegd. De g" bijvoorbeeld van de trompe klinkt bijna als een gis" van het orgel; maar klinkt meer geloofwaardig dan de getempereerde toon uit een gepolijste orgeltoets.

En welwillend komt de sonneur (d.i. de bespeler van de trompe de chasse) aan Marie-Claire tegemoet, door met zijn hand aan de kelk van de trompe de kwart ietwat te verlagen, zodat de organiste niet meer voor schut zit.
Want wat is de kwestie? Eeuwen lang heeft men op de clavecymbels en oude orgels slechts in weinig toonaarden kunnen spelen: daar buiten kwamen bij meerstemmig gebruik onaangename samenklanken te voorschijn, die buiten het muziekboekje vielen. Het was de orgelbouwer Silbermann, die ten tijde van J. S. Bach het octaaf in 12 gelijke afstanden knipte, tempereerde zogezegd, zo dat plotseling in alle toonaarden gespeeld kon worden. Bach was zo onder de indruk van deze vinding van Silbermann, dat hij zijn "Wohltemperiertes Klavier" schreef: een reeks van 24 preludes en fuga's in alle opvolgende toonaarden. Zo toonde hij aan, dat - door een beetje wetenschappelijk aan de natuur klanken te snoeien - alle toonaarden bruikbaar waren geworden, zonder de hinderlijke bijverschijnselen, die door meerstemmigheid ontstonden. Van zuiver enthousiasme schreef hij meteen een tweede deel, met nog eens 24 preludes en fuga's. Beter advocaat voor de getempereerde stemming kon men niet vinden.
Maar het is een onmogelijk samenspel, de Rallye Louvarts de Pa ris met zijn elf trompen, tegen een kathedraal-orgel dat getemd, wijl getempereerd is. De trompen kunnen het orgel maken en breken.
Niet alleen in klankvolurnen, in helderheid, in overtuigingskracht; ook in natuurlijke schoonheid en natuurlijke zuiverheid. Het is niet toevallig, dat we spreken van "reine" stemming. Elke organist moest dit fenomeen beleven om objectiever tegenover zijn instrument te staan. Het zal hem wat deemoediger doen spreken over het "koninklijk instrument".

Deze groep sonneurs, in de kerk opgesteld, maakt een levenslange indruk op u. Zij brengen de muziek van 12 eeuwen geleden tot leven.
Zij vormen een hecht verband van trefzekere instrumentale zangers van eeuwenoude, overgeleverde, anonieme zangen. Wie de tekst van de mis kent (bijna enkel bijbelgedeelten) herkent de woorden.
Maar de woorden zijn in koper gegoten zangen geworden: kreten uit diepten van ellende en een jubilus, die de hemel doet scheuren.
En alles, wat daar tussen in ligt. Alle delen zijn, zelfs de fanfare-postludes, van een diepe religieuze bewogenheid.

Een kyrie of een cantique du sonneur, door een solist geblazen, is als een persoonlijk gebed namens allen te beschouwen. Maar de meeste delen zijn meerstemmig, choraal. Of eenstemmige frasen, door een afsluitende cadens beëindigd. Of canons, of echokoren, of refreins, Alles is schoon, alles komt over u als credo's uit verre verten.
Augustinus zou er bij hebben geweend van ontroering, reken maar.
En als u het geluk hebt zulk een muziek te beluisteren: luister dan met onbevangen oren naar deze confrontatie van middeleeuwse mystiek en hedendaagse orthodoxie. En verwondert u hier, mensen.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief