De brief van Jakobus
1974-02-01
Niet alleen horen, maar ook doen- Jaargang 18
- nummer 5
(1 : 22-27)
Hier komt Jakobus tot het eigenlijke onderwerp van zijn brief: weest daders des Woords en niet alleen hoorders, dan zoudt ge uzelf misleiden.
We moeten niet over het woordje "alleen" heen lezen, dan krijgen we een verkeerd dilemma: horen OF doen. Neen. het is: horen EN doen.
We moeten trouwens niet alleen het woord "daders" onderstrepen, maar minstens (in onze tijd) zo sterk "des Woords". We moeten wel weten WAT we gaan doen, en daarvoor dienen we toch eerst rustig te luisteren naar Gods Woord. Daarom werden dan ook allereerst HOORDERS gevraagd (vers 19-21), maar dan nu óók DADERS. Dat horen natuurlijk DEZELFDE te zijn. 't Is geen kwestie van voorkeur en we gaan de gemeente ook niet opsplitsen in 2 groepen: luisteraars en "doeners".
Een Pauluskerk en een Jakobuskerk.
"Doeners" die niet eerst geluisterd hebben naar de HERE worden "zelfdoeners". Pas op voor "zondagchristendom" , dat het zondags gehoorde niet in praktijk brengt, - maar pas ook op voor "maandagchristendom" , dat de zondagse kerkgang overbodig vindt, omdat het immers maar aankomt op "praktisch christendom".
Leest u in dit licht nog eens de geschiedenis van Maria en Martha (Luk. 10: 38-42). En sla eens de volgende teksten op: 1 Sam. 3: 10; Ezech. 33 : 32; Matth. 7 : 24; Rom. 2: 13.
Als het horen niet tot daden leidt misleiden we onszelf, zegt Jakobus.
Vrome zelfmisleiding. Je in slaap laten wiegen op de kadans van de eindeloos zichzelf repeterende prediking. Uit de gelijkenis van de man die zijn huis op zand bouwde kunnen we weten hoe geváárlijk het is. Je kunt n.l. van het horen van het Woord Gods .nooit zeggen: baadt het niet het schaadt ook niet, - neen; als het niet baadt en ons brengt tot de daad dan schaadt het wel degelijk!
Het is vrome zelfmisleiding te denken dat we duizend preken kunnen hebben aangehoord, zonder dat het ons schaadt. Als WIJ het Woord niet doen, doet het nog wel iets met ons, n.l. ons schuldig stellen in het eindoordeel. Als wij niet toelaten dat het Woord ons leven mag vernieuwen, dan zal het ons leven vernielen.
Bertolt Brecht vertelt in één van zijn boeken een veelzeggend verhaal in een paar regels: "Een man die mijnheer K. lange tijd niet gezien had begroette hem met de woorden: U bent helemaal niet veranderd! 0, zei mijnheer K. en verbleekte."
Deze mijnheer K. is er in ieder geval nog beter aan toe dan de man uit vers 23, 24. Hij kijkt in de spiegel, ziet nog altijd hetzelfde gezicht, waarmee hij geboren werd, draait zich om en wordt er niet "anders" van.
Deze spiegelkijker is beeld van de grenzenloos-oppervlakkige hoorder van Gods Woord. Hij wordt er niet anders van! Leg daar eens naast Ef. 20-24! Als je in Gods Woord èn jezelf èn Christus hebt leren kennen, dan gaan er won dere dingen gebeuren in je leven: verjonging, verandering, vernieuwing!
Bij vers 25 bedenken, dat Jakobus met "de volmaakte wet, die der vrijheid" nog altijd over Gods Woord spreekt. Hij duidt dat naar de wijze van Israël aan als de Thora, de 5 boeken van Mozes.
Jakobus was bezig, zonder dat hij 't wist, het eerste boek voor het N.T. te schrijven. De "twaalf stammen in de verstrooiing" waren voor "Gods Woord" nog helemaal op het O.T. aangewezen.
Maar in die Thora (het hárt van het O.T.) zag een man als Jakobus "wet" en "evangelie" dooreen geweven. De "volmaakte wet"
is het Woord van God, dat ons in de vrijheid zet, zoals het opschrift boven de 10 Woorden des Verbonds onze vrijheid in Christus proclameert.
Dat Woord maakt vrije mensen van ons, vrij van obsessie van de armoe en vrij van de obsessie van de rijkdom. Vrij van alle verslaving.
Wie meent dat hij vrij man wordt als hij barrikaden opwerpt, revolutie propageert, van het kapitaal der rijken een flink portie naar zijn eigen zak laat overvloeien - misleidt zich (vers 22).
Alleen als Christus u vrijgemaakt heeft zult ge wáárlijk vrij zijn. (Jak. 2 : 12, Joh. 8 : 36, Gal. 5 : 1, Rom. 8: 2) Het "zich verdiepen" en "blijven" staat natuurlijk tegenover die oppervlakkige blik in de spiegel en dan vergeten hoe je er uitzag.
Op de vrome zelfmisleiding komt Jakobus nog weer terug in vers 26.
"Waardeloos" noemt hij de godsdienst van iemand die meent heel godsdienstig te zijn, maar zijn tong niet in toom houdt (zie vers 19, 21; 3 : 1-12; 4: 1, 11, 12; 5 : 12).
"Zijn godsdienstigheid stelt niets voor" (vert. van Groot Nieuws) Zie Luk. 10 : 31, 32.
"Zuivere en onbevlekte vroomheid in de ogen van onze God en Vader IS: wezen en weduwen opzoeken in hun nood, en zichzelf vrijwaren voor de besmetting van de wereld".
(Willibrordvertaling van vers 27) Goed zijn voor je naaste (wees en weduwe)goed zijn voor jezelf (onbesmet bewaren)en dit alles "voor God".
Prof. Smelik in zijn kommentaar op dit vers: "In de geschiedenis der kerk zijn zulke uitspraken gebleken gevaarlijk eenzijdig te zijn, wanneer ze de schijn wekken alsof het in de godsdienst alleen ging om de naaste en om zichzelf. Er scheen dan voor God geen plaats meer over te blijven, religie werd humanisme. Maar daar kan Jakobus, als men heel zijn brief leest, niet aansprakelijk voor gesteld worden".
Wat Jakobus in vers 27 met "wereld" bedoelt, daarvan geeft hij een illustratie in 2: 1-4: het gedragspatroon van de wereld, die denkt in termen van macht, geweld en zelfhandhaving, rijken en machtigen naar de ogen ziet en onderdrukking van ekonomisch zwakken en politieke minderheden als vanzelfsprekend aanvaardt.
We houden ons niet onbesmet van de wereld door uit de wereld te gaan, en ons volkomen afzijdig te houden van de wereldproblemen.
Lees Joh. 17: 11-19. We zijn niet uit de wereld, maar worden wel gezonden in de wereld.
Jezus' bede is, dat we in de wereld bewaard blijven voor de boze, geheiligd worden in de waarheid; en onszelf onbesmet bewaren in de wereld.
Alleen ais. we onbesmet blijven van de wereld, kunnen we wat zijn voor de wereld.