Uithuisplaatsing

1974-02-01
  • Jaargang 18
  • nummer 5

"Een gesloten deur ..• een open venster.":
de zorg voor de geestelijk gehandicapte naaste.


De vraag die veel ouders met zorg bezighoudt is: Wat moet er met ons geestelijk gehandicapt kind gebeuren, als wij er niet meer zijn? Een oplossing is dan een gezinsvervangend tehuis.

* De knellende vraag voor ouders kan zijn: Moet hun kind nu, terwijl ze zelf gezond zijn al naar een tehuis, of moeten ze nog wachten?
De ouders hebben vaak toekomstangsten: Het kind zal in een omgeving komen die het niet kent ...
bij mensen die het kind niet kennen; bovendien raken ze het kind aan wie ze de meeste zorg gaven, kwijt ...
Wanneer de eindfase van een gezin nadert, (dat wil zeggen, als de meeste kinderen het huis verlaten), moeten de ouders nagaan of hun probleemkind niet óók het recht heeft op een aan hem aangepast milieu.
"Ikke ook gloot." "Ikke ook kamers wonen"... zei een jochie, dat alleen was achtergebleven nadat zijn broers en zusters het huis waren uitgegaan.
Voor de ouders echter kan die stap dan juist extra zwaar worden: hun kind, de énige die ze nog overhouden, die hun zorg en aandacht nog daadwerkelijk nodig heeft ...
Toch is het erg verstandig de imbecille jongens en meisjes die wel verzorging maar geen verpleging nodig hebben, reeds op te nemen in de tehuizen, wanneer de ouders nog gezond zijn. Ze kunnen langzaamaan wennen aan hun nieuwe omgeving; kunnen, wanneer het heimwee hun te machtig wordt, terugkeren naar hun huis, waar ze alles nog bij het oude vinden.
Wanneer dan eenmaal de tijd aanbreekt dat de ouders overlijden, of niet meer in staat zouden zijn hun kind te verzorgen, zijn de kinderen reeds gewend aan het huis en zijn ze dit als hun 'thuis' gaan beschouwen, temeer daar de gezinssfeer in het tehuis zoveel mogelijk wordt benaderd.
Acht tot maximaal twintig personen vormen één grote familie.
Het tehuis kan als een verlengstuk van de zorg en de toewijding van de ouders worden gezien.
De Ouderverenigingen helpen de ouders de eerste drempel overschrijden door samen met hen en het gehandicapte kind een bezoek aan het tehuis te brengen.

* Ook voor de tijdelijke uithuisplaatsing geldt voor sommigen dezelfde drempelvrees.
Ook dit kan een ingrijpende gebeurtenis zijn in het leven van ouders èn· kind.
Deze laatste wordt in een shortstay-home (kort-verblijf tehuis) geplaatst, wanneer thuis moeilijkheden van, tijdelijke aard zijn, als ziekte van de moeder of wanneer er gezinsuitbreiding was e.d.
Deze tehuizen zou men kunnen beschouwen als pleeggezinnen in het groot. Ze worden dan ook vaak gezien als een tussenvorm tussen het pleeggezin (waar kinderen worden opgenomen die plotseling door een ongeluk beide ouders verloren, en ook zij die door ziekte of zwakte van de moeder tekort komen aan liefde en verzorging) en het internaat (waar vooral kinderen komen die thuis vanwege hun gedragingen of handicap niet te handhaven zijn).

* Wanneer ouders eenmaal hebben besloten tot uithuisplaatsing van hun kind, blijven ze toch vaak met de vraag zitten: Deden we er wel goed aan? Gelukkig worden z,e dan weer begeleid door de Oudervereniging.
In plaats van achterom te kijken moeten de ouders proberen vóóruit te zien.
De lege plaats thuis blijft evenwel, en vaak vragen de ouders zich af, of het goed is geweest dat ze hun kind uit huis hebben laten gaan.
Een voorbeeld hiervoor is een gedicht dat een vader eens schreef: "Wij hebtn oes dochtertien niet meer in hoes Ze zeeden: 't was beter Veur heur en veur oes.
Wij hebt heur doe votbracht; 't kun ook niet meer Maor die dag in de winter Vergeet ik nooit weer.
Mien vrouw hadde 't wichien bij zuch op schoot Wij zeeden gien woord ...
Want de bliedschap was dood."
Daarom zouden de ouders betrokken kunnen worden bij het welenwee van hun kinderen in de tehuizen. Wanneer een goede relatie tussen ouders en leiding ontstaat, wordt de drempelvrees overwonnen en met een gerust hart kunnen de ouders hun kinderen dan achterlaten in de wetenschap dat in het tehuis de herinnering aan het ouderlijk !huis levend wordt gehouden.
Vaak gebeurt het dat na de uithuisplaatsing van het zorgenkind het "thuisgebleven" gezin beter gaat funktioneren, andere kinderen beter tot hun recht komen.
Kind èn ouders kunnen dan gelukkig verder gaan. Het kan dan voorkomen, wat ik van een ontnuchterd en tegelijk nuchter ouderpaar hoorde: Hun zoon was het huis uit, maar kwam eens in de twee weken thuis. Zondagsavonds ging hij dan weer weg.
Na de zondagmiddagdienst werd koffie gedronken bij kennissen; na verloop van tijd werd Joop echter onrustig en vond "dat ze maar eens moesten opstappen."
Ondanks geruststellingen van ouder- en kennissenkant wilde hij weg, want, zo zei hij: "Anders kom ik niet op tijd thuis."

* Werkvoorziening. Bij veel van de tehuizen, die voornamelijk door de Ouderverenigingen zijn opgericht, is een bijbehorende werkplaats. Het werk dat hier verricht wordt, is niet gericht op de prestatie, niet op de kwantiteit.
Het gaat erom dat de kwaliteit van het af te leveren werkstuk uitstekend is.
De bewoners van het tehuis mogen zich ervan bewust zijn dat zij -- met hulp -- een plaats in de samenleving innemen. Zij krijgen een plaatsje in de werkvoorziening omdat zij er ècht bij horen, deel uitmaken van die samenleving!
Het werkende kind is dus in het bedrijf geplaatst, staat niet in dienst ervan.
Dat laatste is wel het geval bij de zogenaamde Sociale Werkplaatsen in Nederland. Deze dragen meer het karakter van de grote bedrijven.
Wanneer dan ook een gehandicapte op deze werkplaats geaccepteerd is, moet men oppassen dit kind in zijn mogelijkheden niet teoverschatten. Een 45-urige werkweek is te lang voor de geestelijk gehandicapte, en daarom ben ik ervan overtuigd dat het goed was dat daartegen voor radio en tv geageerd werd, vorig jaar.
Wanneer er zorgvuldig werk voor de jongens en meisjes wordt gezocht, lijkt het me dat ouders deze werkvoorziening zullen accepteren en achter de woorden van H. Roland Holst zullen staan: "Arbeid is de vreugde der sterken en de zwakken worden sterk door hen."


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief