PSALM 127
1974-02-08
Een vreemde thuiskomst - Jaargang 18
- nummer 6
In 1965, dus twintig jaar na de oorlog, verscheen de novelle "Het huis hiernaast" van Marga Minco.
De novelle vormde de aanzet voor de in 1966 verschenen roman "Een leeg huis".
Een joods meisje, Jona (duifje), is ondergedoken geweest in de Achterhoek.
Na de bevrijding keert zij terug naar Amsterdam, terug naar het grachtenhuis waar zij is opgegroeid.
Maar bij aankomst vindt zij alleen nog de voorgevel en het geraamte van het huis - één grote, gapende ruimte. De duif keert terug naar de til, maar vindt die volledig uitgebroken. Je kunt je de ontreddering, de hulpeloosheid en machteloosheid voorstellen.
Eenzelfde gevoel van ontreddering, of nog er=er, moeten de evacué's van bijv. Wageningen gekend hebben, toen zij eindelijk weer thuis dachten te komen en er geen "thuis" meer was.
En hoe moeten we ons de thuiskomst van Israëls ballingen in het land van melk en honing en de stad van de vrede voorstellen?
Welterusten?
Zonder deze (of een dergelijke) historische achtergrond is Psalm 127 niet te begrijpen. "Tevergeefs zwoegen de bouwlieden" . .. "Hij geeft het immers zijn beminden in de slaap" - wat betekent dat?
Zien niet-gelovigen geen kans hun huis te bouwen, hun stad te bewaken, hun akker te bewerken?
Is hun werken gedoemd vruchteloos te blijven en worden Gods lievelingen slapende rijk?
Dan zou je elkaar het beste "welterusten" en "slaap lekker" kunnen wensen... laat die ànderen maar wérken!
Nog vreemder wordt het als we de meest letterlijke vertaling kiezen: Hij geeft zijn beminden (de) slaap. Slapen die anderen dan niet?
Natuurlijk: 't is wel duidelijk dat in eerster instantie Israël zélf wordt aangesproken door de dichter.
Een Israël dat inmiddels herstel van het volksbestaan en terugkeer naar het eigen land van de HERE had verkregen.
Maar daarmee is men er nog niet de tocht (bijna synoniem voor de verlossing) is nog niet voltooid.
Stad en land verkeren in een erbarmelijke toestand. Er wordt "met tranen gezaaid". Hyena's en jakhalzen huizen in de ruïnes. De omwonende volken zijn bepaald niet gelukkig met Israëls terugkeer.
Daarom is het parool: de handen uit de mouwen steken, tempel en stad, huizen en muren weer opbouwen, weiden en akkers opnieuw ontginnen, nieuwe wijngaarden aanleggen. En na een dag van hard werken, van vroeg opstaan en laat, zo laat mogelijk, zich aan tafel zetten. moet ook nog 's nachts de stad bewaakt worden. Handen die van 't puinruimen en 't onkruid trekken vol blaren zitten, moeten 's nachts ook nog het zwaard vasthouden - en dat terwijl de ogen bijna dicht vallen van slaap.
Bezint eer gij begint
Onbegonnen werk? Zo moeten hele huisgezinnen er na enige tijd wel over gedacht hebben. Maar de dichter spreekt op een àndere manter over onbegonnen werk en zinloze arbeid. Een drievuldig "tevergeefs" volgt op een tweevoudig plechtig "als niet de HERE ... "
Dat ene woordje "tevergeefs" bepaalt Israël heel dringend bij wat het weet over vloek en zegen. Als Israël de thorah kent (bijv. Lev. 26; Deut. 7 en 28), weet 't precies hoe het er bij staat. Je kunt nóg zo hard werken - maar als de HERE tegen je is, heb je er geen enkel profijt van.
Die waarschuwing werd niet voor niets gegeven: God kent zijn volkje - zelfs als het nog maar net uit Babel terug is. Zo'n vijftien jaar na de terugkeer stelt Haggaï (1 : 6) vast: gij hebt veel gezaaid, maar weinig binnengehaald . .. en wie zich voor loon verhuurde, ontving zijn loon in een doorboorde buidel, een portemonnaie met een gat erin. Zijn tijdgenoot Zacharia (8 : 10) zegt 't al niet anders.
Als de thorah, als de eerst-nodige vergeten wordt, als de gedachte postvat: wij moeten 't zèlf doen, dan waarschuwt de dichter: tevergeefs.
Want de HERE bouwt en de HERE waakt. Dat is tege-
lijk, midden tussen de ruïnes, Israëls troost. Niet dat God mirakels belooft: ze moeten zelf hard werken. Maar anderszijds: de HERE bouwt - wie zal Hem tegenhouden?
Zijn "lievelingen" zijn dan ook zij, die naar Hem luisteren, die van Hem houden.
Daargelaten dat het woord "lieveling" eigenlijk in het enkelvoud staat, valt er ook nog iets te zeggen over de rest van de zin.
In het tijdschrift Vetus Testamenturn (Vol. XXIV, no. 1, jan. '74) voert J. A. Emerton belangrijke argumenten aan voor de vertaling: surely, He gives high estate, or honour, to him whom He loves.
Vrij weergegeven: Hij verheft hen tot eer, tot een hoge staat (de "upper ten": en dan allemaal)Hij maakt hen tot mensen tegen wie je hoog opziet.
Hoe de vertaling ook moet luiden, duidelijk is dat het Gods beminde vergaat als de man van Ps. 1 : hij werkt niet tevergeefs, leidt geen mislukt leven.
De bruiloft wordt uitgesteld?
"Zie, zonen zijn een erfdeel des HEREN ... " - ja, maar in welk verband staan vs 3-5 tot het voorafgaande? Het "zie" wijst erop, dat hiervoor speciale aandacht wordt gevraagd. Maar waarom moest dit worden gezegd? Israël wist dat toch - de "kinderzegen" was in Israël toch zeer gezocht?
Inderdaad - maar onder alle omstandigheden (vgl. bijv. Klaagl. 5 : 11-14)? De vraag kan gerezen zijn, na de terugkeer, of het onder zulke omstandigheden wel verantwoord was een gezin te vormen - de risico's waren zo groot. Terecht noteert een exegeet bij - alweer - Zach. 8 (vs 4 en 5): "Oude mensen die zich in het zonnetje koesteren en ravottende kinderen zijn een beeld van welvaart en ongestoorde vrede... In het stadsbeeld van Zacharia ontbraken die nog. De pioniers waren van jongere en middelbare leeftijd; de harde levensomstandigheden maakten het huwelijk voor hen niet aanlokkelijk; de gespannen toestand met de naburen liet hen niet oud worden. Onbezorgde jeugd en ouderdom waren een wensdroom, geboren uit die tijd".
Dat we inderdaad aan jónge mensen zullen moeten denken, volgt uit de uitdrukking in vers 4: zonen der jeugd (i.t.t, zoon des ouderdoms, Gen. 37: 3).
Zal in deze verwoeste stad echt weer gehoord wórden de stem van de bruidegom en de stem van de bruid, die zegven: Looft den HERE, want Hij is goed ... (Jer. 33 : 11, i.t.t. 7 : 34; 16: 9; 25 : 10)?
Je kunt zeggen: wie gaat er nu zo, zonder huis, zonder lonende middelen van bestaan, in een gevaarlijke omgeving een gezin vormen? Maar omgekeerd: waarom mét de HERE een huis te bouwen en de stad te bewaken, als je toch niet van plan bent, voorlopig, er een zinnige bestemming aan te geven?
Het wapen der toekomst
Bovendien: het voortbestaan en de toekomst van Israël als volk staan op het spel. Is Kanaän het erfdeel der rechtvaardigen (125: 3) - zonen zijn daarenboven een erfdeel des HEREN, een kostbaar . bezit. Waarom? Zij zijn het, die in de kracht van hun jeugd, kunnen spreken met de vijanden in de poort (als voorbeeld valt hier te denken aan de tijd van Hizkia bijv,. beschreven in Jes. 36). Dat hier alleen zonen genoemd worden, hangt wel samen met het feit dat Israël in geslachten, en dus aan stamhouders denkt. Bovendien is de situatie militair getint.
Die zonen zijn als "pijlen": ze zijn voor Israël het wapen van de toekomst.
Wanneer ze bij de thorah zijn grootgebracht, zullen ze niet met de mond vol tanden "in de poort" staan. Ze zullen als David een Goliath tegemoet gaan "in de naam des HEREN" (1 Sam. 17: 45 v.v.). Dan weten de vijanden wie ze voor zich hebben: meer behoeft er niet te worden gezegd!
En dat is dan wérkelijk een ongedacht en onverdacht pleidooi voor verantwoorde gezinsvorming, zelfs in tijden van ontreddering.
Want wie moeten het straks "die anderen" vertellen, hun die (nu nog) vijanden zijn?