Correspondentie

1974-02-08
  • Jaargang 18
  • nummer 6
Wanneer u wekelijks de kolommen van dit goede blad tot opbouw van het gereformeerde leven doorkruipt, doorleest of doorsnuffelt, zult u misschien wel eens denken aan de werkzaamheden, die aan zulk een uitgave voorafgaan. Ik voor mij vind elk blad een wonder. De uren van Schriftstudie, welke nodig zijn om u een minuut van stichting bij te brengen. De dagen arbeid, om dit blad te zetten, te drukken en te verzenden. De weken inspanning, om een serie Bijbelstudies voor onze Bijbelclubs te leveren. De jaren van levenservaring, die aan een onnozele opmerking ten grondslag liggen. Een predikant, destijds redacteur van dit blad, had eens een opvallend goede preek geleverd. Hem werd gevraagd: hoeveel tijd hij hier nu voor nodig had gehad. Zijn antwoord luidde: ongeveer 55 jaar. En daarom herhaal ik: elk blad is elke week voor mij een wonder.
Want uw schrijvers mogen niet alleen wekelijks door een paar kolommetjes dartelen. Daarbij komen ook de reis- en vergaderuren, de telefoongesprekken met gelijk- en andersdenkenden, de briefwisseling met hun lezers. Nu moet u niet denken, dat elke brief om een antwoord vraagt. Er zijn van die brieven, die je met een dankbaar hart in een mandje onder de schrijftafel bewaart. En andere brieven, die je in hetzelfde mandje deponeert, met een gevoel dat varieert tussen lichte wrevel of een knetterende uitdrukking. Maar er zijn ook brieven, waar je graag op terugkomt, omdat er een gedachtenwisseling ontstaat, die de zaak verder brengt. Vandaag een paar van die brieven.

Een broeder uit Eindhoven is pijnlijk getroffen door de wijze, waarop ik in een artikel "Versobering" een reeks Dat arbeiders ten tonele heb gevoerd (14 december jl.). Hij wil niet ontkennen, dat collega's van hem bij DAF iets dergelijks gezegd kunnen hebben, maar vraagt zich af of het dienstig is tot opbouw van het gereformeerde leven, dat over die onderneming op dergelijke wijze wordt geschreven. Hij meent dat op deze wijze allen, die bij DAF werken,een etiket opgeplakt krijgen, dat ze naar zijn stellige overtuiging niet verdienen. "Temeer daar br M. toch samen met mij en met een reeks DAF-arbeiders", zo schrijft hij, "belijdt wat staat in Zondag 43 HC over de eer en goede naam van mijn naaste" - "hoopt hij van harte, dat br M. de christelijke wil kan opbrengen om te begrijpen wat ik bedoel. En dat hij op grond daarvan bereid is in een volgend artikel recht te doen aan DAF-medewerkers in het algemeen en aan zijn zuidelijke broeders binnen DAF in het bijzonder. Dit is niet gemakkelijk, want ongelijk bekennen is niet de sterkste zijde van de gereformeerden, ook al belijden ze Zondag-S HC. Maar graag ga ik ervan uit dat br M. in dit opzicht een buitenbeentje is". Hij maakt van de gelegenheid gebruik, redactie en medewerkers Gods zegen voor 1974 toe te wensen.

Zo, dat was dat. Misschien herinnert u zich het artikel Versobering?
Des te beter. Dan weet u, dat ik over de algemene noodzaak van nationale en internationale versobering schreef; daarbij een reeks voorbeelden aanhalende. In die reeks: een televisieverslag van hoe het bijvoorbeeld bij DAF aankwam. Dat zijn van die ervaringen, die een schrijver ongevraagd tegenkomt en noteert. Maar laat me een stuk antwoord mogen weergeven.

"Wanneer getuigen nog altijd betekent: verklaren wat een man gezien en gehoord heeft" - zo schreef ik die broeder - "dan verklaar ik dat ik persoonlijk aan de televisie gehoord en gezien heb, dat drie tot vier arbeiders in de werkplaatsen van DAF categorisch de verslechterende toestand in het DAF-bedrijf, tegen de achtergrond van de nationale toestand als oliecrisis etc., en bagatelle namen. De uitdrukking inzake WW (uitkering ingevolge de Wet op de Werkloosheid) werd vrijwel letterlijk genoteerd."

"Dat is vervelend voor DAF, ik geef het toe. Maar als ik iets publiceer, dat categorisch schijnt, lijkt het me goed de bron te noemen.
Anders gelooft men mij niet. Dat lang alle DAF-medewerkers het hier niet mee eens zijn, wil ik voetstoots geloven. Maar dat de TV nu net uitgerekend die 3-4 man aan de tand voelt, die iets voor de DAF onaangenaams moeten zeggen, is me niet duidelijk. Tenzij de TV een grote reeks arbeiders uithoorde, en hiervan zou hebben geselecteerd hetgeen men gebruiken kon. Ik geef toe: zo werken de nieuwsmedia soms wel, geloof ik. Maar dan vraag ik u: waarom laat uw directie dat toe? Wanneer er een overval in mijn bankkantoor is, verbieden mijn instructies mij categorisch ook maar 1 persmuskiet of TV-man binnen te laten!"

Toch wil ik deze gelegenheid gebruiken, onder de aandacht van onze lezers te brengen het feit: dat lang alle DAF-mensen niet zo lichtzinnig zijn als de reeks, die door de TV ten tonele is gevoerd. En dat we met vreugde kunnen vaststellen, hoe zeer Daf-mensen in het geweer komen, wanneer de DAF ongunstig in het blauwe kijkkast je wordt gezet. "Overigens incasseer ik gaarne uw goede wensen, welke ik spoorslags reciproceer, voorzover dat beneden de rivieren nog is toegestaan na Driekoningen", zo besloot ik. En nu maar hopen, dat geen collega-persmuskiet me Zondag 43 voor de neus gaat houden .....

Een andere brief kwam van een zuster, die verontrust is door mijn artikelen over dromen-en-zo, Ze schreef onder meer:

"Begeven we ons niet (bewust of verreweg meestal onbewust) op occult terrein? Dingen, waarvoor de meeste mensen gevoelig zijn; wat onverklaarbaar, geheimzinnig is, interesseert ons wel; het blijft altijd min of meer hangen. Veel meer dan verklaarbare dingen; wel een bewijs, hoe riskant dat kan zijn. Want - zo kan je redeneren - als dit mogelijk is, waarom dát ook niet? En dan ga je van lieverlee rekening houden met onverklaarbare mogelijkheden. Want er is veel meer tussen hemel en aarde dan wij weten; dat geef ik direct toe. Maar tegelijk weten we, dat wij als Christgelovigen daar wel heel huiverig voor moeten zijn. 't Beïnvloedt ons denken en doen veel meer dan we zelf vermoeden. Wat zou het leven beangstigend worden wanneer je bijvoorbeeld rekening moest houden met een nare droom; zelfs wanneer je zo'n droom terugkrijgt."

Deze zuster vertelt verder, dat een gedroomde sterfdatum haar tot een obsessie geworden is. En ze eindigt: "ik geloof dat we met ingevingen, dromen enz. heel voorzichtig moeten zijn. En hoe kunnen wij dit alles toetsen aan Gods Woord? Waar ligt de grens tussen verklaarbaar en occult?"

Uit mijn antwoord haal ik de essentie als volgt aan.

"Onder occult wordt verstaan: hetgeen bedekt, ongeweten is. Maar de heilige vrees voor het ongewetene, voor het numineuze, is in wezen ongelovig, heidens. Niet alleen verdwijnt de vrees voor het onbekende, wanneer dat bekend geworden is. Maar bovendien is er niets in de schepping, waarover de mens niet als onderkoning, dus als ontdekker (ónt-dekker), exploitant, explorant is gesteld. Wanneer wij de onbekende onderdelen van de schepping komen te ont-dekken, zijn ze niet langer occult, vreesaanjagend - maar bekend, bruikbaar of verwerpelijk."

"Wij begeven ons dus bewust op occult terrein; na wetenschappelijke exploratie is dat niet occult meer, maar goed of slecht te noemen.
Veel huiver is pas nodig, wanneer het uitgesproken demonisch blijkt te zijn. Maar vele goede gaven van onze goede God vervullen ons nog ten onrechte met vrees en huiver. Daar moeten we van af".

"Het leren omgaan met onze dromen kan daar veel aan bijdragen. Wie min of meer geleerd heeft zijn dromen aan te tekenen, te ontleden, te gebruiken -leeft blijer, opener en meer bewust. God spreekt vaak tot ons in dromen. De Bijbel staat er vol mee. Denk aan Jozef, de zoon van Jacob. Ook aan Jozef, de man van Maria."

"Toetsen aan de Bijbel? Och kenden we de Bijbel wat beter, dan zouden we van dromen niet schrikken. Job zei zelfs van koortsdromen: deze dingen doet God twee of drie maal in een mensenleven, om hem tot bekering te brengen (!)"

Onze geachte zuster is door het bovenstaande allerminst gerustgesteld.
Ze verwijst naar Deuteronomium 29: 29 waar staat: "De verborgen dingen zijn voor de Heere onze God - maar de geopenbaarde zijn voor ons en onze kinderen".

Jawel. Wie de kerkstrijd over de veronderstelde wedergeboorte heeft meegemaakt, herinnert zich deze tekst levensgroot. Die was goed om onze valse profeten te bestrijden, welke leerden dat wedergeboorte een soort theologische denkconstructie kon zijn. Maar ik zou deze tekst niet graag als een slagzin zien gebruikt ten aanzien van alle dingen, welke (momenteel) voor ons verborgen zijn. Ik zou geen nieuw boek durven lezen. Ik zou de krant niet durven openen. Want alles, wat vandaag voor ons verborgen is, kan ons morgen bekend zijn.
En als ik ermee zou moeten rekening houden, dat God het voor mij verborgen hield? .....

Het betreden van de maan (door vele mensen als summum van menselijke zondige hoogmoed gezien; door profeten een ten dode opgeschreven expeditie geacht) is er nu net een bewijs voor: dat de Heere ons toestaat, zijn schepping te onderzoeken, te bouwen en te bewaren.
Zo komen er steeds meer dingen aan het licht, welke voorheen in het donker lagen. En wie bang is, bedekte dingen te ont-dekken, is bang voor het van God gegeven leven. Lijkt me.

Tenslotte een tersluiks gelezen correspondentie tussen onze tekkel Babs en een van haar fans. Onze Babs ontving van een lief meisje de volgende brief: "Beste Babs, hartelijk gefeliciteerd met je verjaardag! En een gelukkig nieuwjaar voor jou en Noortje en je baas en bazin. Dat je nog maar een ontzettend oude hond mag worden hoor.

Het spijt me dat ik je een hele tijd niet heb geschreven. Ik was je helemaal vergeten. Jij bent 12 hè? Ik pas 11.

Zeg Babs, ken jij Irjan?
Op welke school zit jij? Zeker op de Honden Burger School? Ik op de Lagere School en dan misschien naar het gymnasium.

Dag Babs! Een stevige poot voor jou en Noortje en de
groeten aan je baas en bazin". Was getekend: Ellen. Waarop Babs, mede namens haar dochter Noortje, het volgende terugblafte: "Lieve Ellen, wat aardig van je om aan mijn verjaardag te denken.

Dank je wel voor je leuke kaart! Met Noortje gaat het goed maar ik word een dagje ouder. Gehoor, gezicht en hoesten ..... Praat er niet van! Ik ben niet meer op school, Ellen; vroeger wel, op de Hogere Blaf School. Ik deed het goed al zeg ik het zelf. Zie je die reiger aan de ommezijde? Die heeft alle goudvissen uit de vijver opgevreten, de schoelje, en ik maar blaffen. Groetjes terug aan Irjan en tot later.

Je Babs".

Jawel, zo staat het er. Ongeveer.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief