Een Europees verdrag in de kijker

2005-05-20
  • Jaargang 49
  • nummer 10
Op 1 juni a.s. is het referendum over de Europese grondwet. Dhr. Mink, wonend en werkend in Brussel, stuurde ons een artikel waarin hij ingaat op de geestelijke achtergrond van het verdrag. Wie meer wil weten over allerlei politieke en structurele afwegingen kan terecht op de sites van politieke partijen, zoals www.cda.nl en www.christenunie.nl. En dan zijn er nog twee (!) stemwijzers www.referendumwijzer.nl en www.echtereferendumwijzer.nl, waaruit eens te meer blijkt dat zelfs een stemwijzer niet het laatste woord kan hebben.

Binnenkort mogen kiezers hun mening geven over het voorgestelde constitutionele verdrag voor de Europese Unie. Het zal de eerste keer zijn dat een raadgevend referendum in Nederland plaatsvindt. Het lijkt een goed moment om iets te schrijven over de (geestelijke) achtergrond van dit verdrag en de betekenis daarvan voor de Europese Unie.

Voor het eerst zal de stemgerechtigde burger zich direct uitspreken over het project ‘Europa’. Het risico ligt op de loer dat allerlei onlustgevoelens een rol gaan spelen bij de stembepaling. Het verdrag kan echter ook beoordeeld worden op zijn intenties en op de richting waarin de Europese samenwerking wordt gestuurd door dit verdrag.

Een halve eeuw onderweg
De eerste stappen in Europese samenwerking liggen zo’n halve eeuw achter ons en kregen aanvankelijk vorm in de Europese Kolen-en Staal Gemeenschap.
De gedachte was dat, om verdere desastreuze oorlogen in Europa te voorkomen, het van belang was om op de strategische gebieden van energie (kolen) en primaire industriele grondstoffen (staal) tot een intensieve samenwerking te komen tussen de voorheen vijandige naties. Deze samenwerking werd al spoedig verdiept in het Verdrag van Rome (1958), waarin de zes landen van de Europese gemeenschap beloofden samen verder op te trekken, met name door te streven naar economische integratie.
Daarna groeide de samenwerking stapsgewijs uit tot de huidige Europese Unie, die gestalte heeft verkregen via de verdragen van o.a. Maastricht, Amsterdam en Nice. Het aantal deelnemende landen is, zoals bekend, ook aanzienlijk toegenomen.

Verenigde Staten van Europa?
De spanningen die van meet af aan ingebouwd zaten in het proces van integratie zijn meer en meer zichtbaar geworden. Ten eerste komt dat doordat samenwerking betekent dat de lidstaten een deel van hun bevoegdheden overhevelen naar een supranationaal niveau. Maar hoe ver moet dit gaan? Er is altijd een idealistische onderstroom geweest van federalisten die het proces van samenwerking zagen als een proces van integratie op weg naar de ‘Verenigde Staten van Europa’. Hoewel er nooit principieel gekozen is voor zo’n federale structuur en de standpunten daarover ook vandaag ver uiteen liggen, betekende elk volgend Europees verdrag wel een opschuiven naar de federale positie.
Het huidige ontwerp-verdrag is daarop geen uitzondering. Leidde het verschil in visie (samenwerkende natiestaten of een federatie van regio’s) in het verleden al geregeld tot spanningen tussen de oorspronkelijke lidstaten, de toetreding van landen uit Centraal Europa betekende een nieuwe spaak in het wiel van de federalistische droom.
Deze landen zijn om begrijpelijke redenen zo blij met hun nieuw verworven onafhankelijkheid dat ze allerminst behoefte hebben om veel nationale competenties door te schuiven naar ‘Brussel’.

Zielloos Europa?
Ten tweede is de oorspronkelijke samenwerking in Europa gebaseerd op een economische samenwerking en het streven naar een geïntegreerde markt. Zo’n beperkte doelstelling heeft het risico, dat samenwerking opgaat in het streven naar meer welvaart. In de Europese praktijk draaide het de afgelopen decennia ook maar al te vaak om materiële of zelfs materialistische belangen. Deze verengde blik op meer ‘marktwerking’ heeft tot gevolg dat een groot deel van de Europese regelgeving doortrokken is van een neoliberale geest. Dat werkt zo ver door, dat in de praktijk ook Commissarissen van socialistische huize in Brussel uitgroeien tot kampioenen van een neoliberale marktwerking. Maar zo’n beperkte materiële doelstelling zou op termijn kunnen leiden tot ongewenste concurrentie tussen lidstaten en platte afgunst en dit zou het einde kunnen betekenen van de bevlogen Europese droom der federalisten. Deze constatering heeft in de loop der jaren geleid tot de roep om het Europese project ook een sociale en juridische poot te geven ten einde een evenwichtiger en omvattender beleid te kunnen voeren.
Deze ontwikkeling is voornamelijk vastgelegd in het Verdrag van Maastricht. Jacques Delors, de voormalige Commissievoorzitter, heeft dit destijds prima verwoord door te stellen dat ‘Europa behoefte heeft aan een ziel.’ Echter, hoe geef je Europa een ziel als er geen Europese identiteit, geen Europees volk en geen gemeenschappelijke geschiedenis is? Delors heeft getracht de Europese ziel te definiëren door het instellen van een denktank. U voelt wel dat dit geen echte oplossing is.

Neutraliteit
Deze summiere schets maakt duidelijk voor welke uitdaging de instantie, die het constitutioneel verdrag voorbereidde (de Conventie) zich gesteld zag. Het geheel kwam onder leiding te staan van de franse oud-president Giscard d’Estaing en zijn invloed op de huidige voorstellen moet niet onderschat worden.
Hij bracht niet alleen veel liberaal gedachtegoed mee naar de onderhandelingstafel, maar ook een uiterst franse opvatting van ‘laïcité’ (neutraliteit).
Dit begrip stamt uit de ideeën van de franse revolutie (1789) en is vervolgens in de franse wetgeving uitgewerkt tot het concept, dat de staat strikt neutraal is en zich niet achter de kar van een kerkelijke dictatuur laat spannen.
Positief uitgedrukt gaat het om de scheiding van kerk en staat, maar praktisch betekent dit dat elke geloofsovertuiging wordt ingeperkt tot het strikte privé-domein, waar de politiek geen boodschap aan heeft (de franse reformatorische kerken kunnen hierover meepraten!). Maar daarmee wordt ook de vormende invloed van 20 eeuwen christendom op de Europese ‘normen en waarden’ driftig aan de kant geschoven.

Eenheid zonder wortels
In de preambule van het voorgestelde verdrag was dan ook geen plaats meer voor een erkenning van God’s gezag over het staatkundige leven, of toch op zijn minst voor de erkenning dat de joods-christelijke wortels van onze cultuur van fundamentele invloed zijn geweest op het Europese gedachtegoed.
Hevig protest vanuit diverse lidstaten en o.a. vanuit het Vaticaan, mocht niet baten. Het franse concept van ‘laïcité’ liet niet toe dat naar de christelijke wortels van de Europese geschiedenis mocht worden verwezen in een politiek getint document. Zowel Frankrijk als Belgie hebben daarbij met een veto gedreigd. Het is mij eerlijk gezegd een raadsel dat andere lidstaten zich hierbij hebben neergelegd.
Het resultaat is de volgende formulering in de preambule: ‘… geïnspireerd door de culturele, religieuze en humanistische tradities van Europa, die ten grondslag liggen aan de ontwikkeling van universele waarden van de onschendbare en onvervreemdbare rechten van de mens en van vrijheid, democratie, gelijkheid en de rechtsstaat’.
Alleen de broederschap ontbreekt nog.

Strikt privaat
Wel vind je hier en daar passages, die een poging lijken om aan de stevige kritiek tegemoet te komen. Zo bijvoorbeeld artikel (I-52), dat als volgt luidt: ‘De Unie eerbiedigt de status die kerken en religieuze verenigingen en gemeenschappen volgens het nationaal recht in de lidstaten hebben en doet daaraan geen afbreuk.’ (men zou zo denken: dat moest er nog bijkomen).
En even verder: ‘De Unie voert een open, transparante en regelmatige dialoog met die kerken en organisaties onder erkenning van hun identiteit en hun specifieke bijdrage.’ Dat laatste klinkt weinig concreet en de onderliggende gedachte blijft dat kerken en ‘organisaties’ hun private gedachtegoed best mogen ventileren, maar dat de Unie daar in politieke zin geen boodschap aan heeft.

Twijfelachtig
Concluderend merken we op dat dit verdrag elke verwijzing naar de bijbelse wortels van recht en gerechtigheid heeft vervangen door een humanistische visie op de onschendbare rechten van de mens. De commentaren van deelnemers aan de conventie die ik heb mogen beluisteren bevestigen deze taxatie. De opmerking van een prominente afgevaardigde namens Nederland spant wel de kroon: ‘Het probleem van de ‘invocatio Dei’ (aanroeping van God) krijgen we wel onder controle.’ Over hoogmoed gesproken! Het lijkt mij daarom niet gepast een verdrag met zo’n twijfelachtige basis positief te verwelkomen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief