PSALM 128
1974-02-15
De lachende kerk - Jaargang 18
- nummer 7
Voor een one-man-show en toch een lachende kerk moet je bij Fons Jansen zijn. Hij bezit de wonderlijke gave ons te laten lachen om onszelf. Bij een overvloed van lachwekkende zaken maakt hij van de kerk geen lachertje.
Wij leveren hem zelf de ingrediënten en zijn daarna bereid er nog voor te betalen op de koop toe! De wéreld wil bedrogen zijn - de Kèrk betaalt een vaste vrijwillige bijdrage voor de vrolijke noot. Weliswaar komt deze bijdrage niet terecht bij de penningmeester van de kerk maar bij de cassière 'van de schouwburg.
En 't vermakelijke is dat die bijdrage niet aftrekbaar is voor de belastingen, maar dat we er vermakelijkheidsbelasting overheen betalen. Al met al dragen wij behoorlijk bij voor Fons Jansen - is het niet met baar geld dan wel met onbedoelde vrolijke noten (en wat is de verleiding groot om niet te schrijven baarlijke nonsens).
Vóór u de wenkbrauwen fronst over deze on-degelijke taal, moet u bedenken. dat wij onszelf niet zien zitten (of staan!) in de kerk.
In (niet naar) de regel zijn wij ter plekke vervuld van een bijna dodelijke ernst. maar dat valt doorgaans alleen een buitenstaander op: die kan relativeren, en wij maken het hem echt niet moeilijk zich enigszins te distantiëren.
Lachen in de kerk dient beperkt te blijven tot een heilig lachen - wie zei dat wij de tegenstelling tussen natuur en genade te boven waren? Veel meer dan een rimpellachje kan er dan ook niet af, wanneer die oude, bijziende voorlezer (met nu al een heel lange baard) de "zonen als olijfplanten" in Ps. 128 transformeert tot dito olifanten.
De vrolijke noot
Intussen sprak Ps. 126 al van een droomlachende kerk en begint in de tweede cyclus van de opgangsliederen gaandeweg de vrolijke noot te overheersen - zonder dat er sprake is vim triomfalisme! Ps. 128 begint met een felicitatie, een geluk-wens voor "ieder die de HERE vreest". Daar zijn geen stoppels mee bedoeld en evenmin mensen die in voortdurende angst voor God leven. Die "vrees" is merendeels een uiting van diep respect, eerbied en ontzag, en zij uit zich in het "wandelen in Zijn wegen".
Zo leefde het eerste mensenpaar aanvankelijk, en daarom konden zij zo onbevangen met de HERE spreken, wanneer deze in de hof wandelde in de avondkoelte (Gen. 3: 8).
De profeet Zacharia maakt duidelijk wat dit "wandelen in zijn wegen" inhoudt: Spreekt waarheid onder elkaar... beraamt in uw hart elkanders onheil niet. Het is niet zo vreemd dat later èn de rabbijn èn de jonge kerk over de leer, de thorah, het evangelie spreken als over "de weg".
Zo simpel is dat dus. Maar het is wel voorwaarde voor het eten van de opbrengst zijner handen. Dat dit laatste niet vanzelfspreekt (zoals niet alleen vakbonden plegen te denken, Hagg. 1 : 6; Zach. 8: 9-13) wordt wel duidelijk uit Lev.27; Deut. 7 en 28. Trouwens: Israël heeft dat ruimschoots ervaren in bijv. de tijd van de richters.
Hadden zij gezaaid, ànderen maakten zich met de oogst uit de voeten! Zelfs de dappere Gideon staat stiekem zijn haastig bijeengegriste aren in een diepe wijn pers leeg te kloppen... Alleen wie de HERE vreest, weet dat het hem welgaat (Ps. 1) en valt geluk te wensen. Hij zal met gejuich maaien, zelfs al heeft hij met tranen gezaaid.
Land van wijn en olie
Het land van belofte vloeit niet alleen over van melk en honing, maar ook van olie en wijn. De barmhartige Samaritaan verzorgt er zijn joodse naaste mee, de dichter van Ps. 128 heeft aan het beeld genoeg als balsem voor de wonden. Zijn vobaculair is niet gauw uitgeput. Het uitgeputte Israël leeft op bij zijn bloemrijke gelukwens: uw vrouw - als een vruchtbare wijnstok in uw huis, uw zonen - als olijfscheuten rondom uw dis. Het huis (Ps. 127) is afgebouwd en heeft een zinvolle bestemming gekregen. Onvervalst geluk keert weer voor Israël.
Voor Israël. God doet geen half werk als Hij zijn volk verlost. Hij geeft hun, op zijn woord van eer, uitzicht op een volkomen vernieuwd bestaan. Hij denkt aan hun. toekomst als volk, aan het voortbestaan van Israël ook in náám. Precies als in Egypte, toen Israël in zijn prille volksbestaan uitgeroeid dreigde te worden (Ex. 1, m.n. vs. 7 en 12).
Houdt dit nu een waterdichte garantie in voor de door Israël zo begeerde kinderzegen? Maar nooit en nergens is er in de bijbel sprake van een automatisme. Evenmin van individualisme. Men denkt in samenhangen: familie, volk, stam. Ook op dit punt kreeg Israël van zijn God voorbeeldig onderwijs - al was het alleen maar in de vorm van het leviraatshuwelijk.
Zijn volk vormt een levende gemeenschap. Détailopnamen krijgen we alleen te zien als zij een duidelijk beeld geven van Gods ondernemend handelen: Sara, Rebecca, Rachel, de vrouw van Manoah, Hanna Elisabeth.
Maar waar staat, dat er verder geen kinderloze huwelijken in Israël waren of ongetrouwde mannen en vrouwen die óók graag een gezin hadden gesticht?
Een stuk uit het geluk
Ook uit de geschiedenis van Israël valt niet weg te denken de ellende, die het gevolg is van de intree der zonde in de geschiedenis der mensheid. Konden Israëlieten niet ziek worden, verarmen, onvruchtbaar blijken, sterven?
Waren er voor niets priesterartsen, kundig om bijv. melaatsheid van andere ziekten te onderscheiden?
Werden in Israël nooit gebouwen door schimmel aangetast, zodat de priesterlijke bouwpolitie er aan te pas moest komen? Waren alle akkers even vruchtbaar of kon je terecht na de verdeling van het land zeggen: de meetsnoeren vielen mij in liefelijke dreven, ja, mijn erfdeel bekoort mij? Was het lot voor iedereen even gunstig, elk jaar opnieuw? Kwamen er nooit en nergens kleine vossen die de wijngaard bedierven?
De vraag stellen is haar beantwoorden.
De niet te schenden blijdschap heeft God ook voor zijn volk voorbehouden voor het feest van de jongste dag. Maar bij die zekerheid kun en mag je leven terwijl de aanvangen nu en hier al zichtbaar worden.
Niet voor niets leert God zijn volk (weer) denken in samenhangen, in levensverbanden. Overal, in elk huis, is er wel een stuk uit het geluk weggebroken. Niet ieder deelt in àlle facetten van de zegen.
Maar belangrijk is dat Gods volk als totaliteit in de totale zegen deelt.
Noch Eliza noch Jezus heeft alle melaatsen genezen en er bleven kreupele, lamme, blinde bedelaars.
Niet iedere weduwe zag haar zoon uit de dood herreizen.
Maar het begin is er: de "vrede van Israël" begint in déze wereld gestalte aan te nemen.
Het goede van Jeruzalem
Als, naar Zach. 8: 4, 5, de oude mensen op de pleinen zitten te genieten in de zon, genieten ze ook van de ravottende kinderen.
Zijn het niet hun eigen "kindskinderen", dan is toch de ergste pijn van het schrijnend verdriet van vroeger al wat weggeëbd. Ze kunnen van hun laatste dagen in Sion genieten en bevestigen: als één blij is zijn allen blij.
Zij zien "het goede" van Jeruzalem.
Hoe concreet dat is horen we uit Neh. 2 : 10 (vgl. Ps. 122 : 9; 85 : 13; Esth. 10: 3). Nehemia komt naar Jeruzalem met het uitdrukkelijke doel de stad te herbouwen.
En dan zijn Sanballat en Tobia "er zeer hevig over ontstemd, dat er iemand gekomen was om het goede voor de Israëlieten te zoeken.
Als dus Jahweh's zegen inhoudt "dat gij het goede van Jeruzalem moogt zien, al uw levensdagen", dan kun je daar best vrede mee hebben.
Je leven lang betrokken zijn bij de wederopbouw van Jeruzalem is een stuk levenswerkelijkheid dat er niet om liegt. Als kind profiteer je ervan, als volwassene mag je er aan meewerken, als bejaarde mag je er van genieten. Zo wordt de zegewens waar: de HERE zegene u uit Sion. En 't laatste woord is: vrede zij over Israël!