De vrees voor het "robotisme"

1974-02-15
  • Jaargang 18
  • nummer 7
In de discussies over de kerkelijke samenleving speelde ook een rol de afkeer van een vernieuwde aanleg of bestrating van de zogenaamde kerkelijke weg. Misvormt de gang op deze weg het geloofsleven niet tot een handelen naar een stereotiep gedragspatroon, tot het beoefenen van een juridische vaktechniek? Zien wij levende christenen daarbij niet verstarren tot geprogrammeerde robots?

Ook hier kan niemand zeggen, dat de vrees uit de lucht gegrepen is.
Hoe is het immers telkens weer met en op die kerkelijke weg gegaan?
Daar kwam een conflict. De weg van het appèl werd gekozen. Naar art. 31 K.O. Als men dan om zo te zeggen het slot van art. 31 bereikt had zonder in het gelijk gesteld te zijn, dan begon men _ verongelijkt als men immers nog steeds was! - weer bij het begin.
De lijn van art. 31 werd verbogen tot een spiraal. En die spiraal werd een inflatiespiraal voor het christelijke leven. Het ging van beroep tot beroep. En daarna kwam de "revisie" binnen het gezichtsveld.
Het werd "wettig" - de term is op zichzelf al een verschraling! - om maanden onverzoend naast elkaar voort te leven. Soms werd het Avondmaal gevierd bij de gratie van het feit, dat men nog op de kerkelijke weg was.
Een vreemde machinale voortzetting van het samenleven. De partijen zagen elkaar niet meer aan.
Elders werd hun zaak immers behandeld.

Wanneer de Here Jezus zijn discipelen onderricht omtrent hun toekomstige dienst, dan horen we Hem zeggen: "Ziet toe, dat gij niet één dezer kleinen veracht!" (Matth. 18: 10); "Weid mijn lammeren!", "Hoed mijn schapen!" (Joh. 21: 15-17). Steeds weer de rechtstreekse betrokkenheid van de herders op de leden van de gemeente - de kleinen, de lammeren, de schapen. En met temeer nadruk wordt deze rechtstreekse zorg in het licht gesteld, als de discipelen een "hoge vlucht" verkiezen in hun vraag naar de eerste plaats. Mogen we daaruit niet afleiden, dat in het gehele kerkelijke leven de rechtstreekse betrachting van de broederliefde een eerst eis is? En dat het verkeerd gaat, wanneer het rechtstreekse contact sterft en plaats maakt voor een afhandeling-op-afstand?

Waarom heeft men dan op die kerkelijke weg telkens weer de verkeerde ontwikkeling gekozen?
Waarom heeft men telkens weer berust in een overname van het werk door kerkelijke instanties-op-afstand?
Hier zien we wat ons vlees is. In conflicten bereikt men zo gemakkelijk het punt, waarop het gelijk belangrijker is dan de gerechtigheid en de bevrediging dan de vrede. Dan wordt het aanlokkelijk de zaak voort te zetten zonder de noodzaak elkaar werkelijk te ontmoeten.
Kerkelijke vergaderingen zijn dan ook niet meer een eerlijk begeerde instantie van arbitrage, maar een zwaardere geschutsbatterij die ter overwinning dient te leiden.

Het is bepaald kortzichtig om de schuld hiervan aan art. 31, of aan de kerkenordening, of aan het kerkverband te geven. Het touw draagt niet de schuld aan de knopen die ik erin leg! Het is de mens, die telkens weer de spiraal begeert, het mechanische, de lange duur. Hij wil winnen, al duurt het lang. Zonder de moeite van de rechtstreekse liefdebetrachting jegens zijn "wederpartijder".

In art. 35 staat het voorgestelde vernieuwde akkoord van kerkelijk samenleven staat een bepaling van belang: Hierbij (dit slaat op de weg van het appèl) geldt als regel, dat na één appèl de zaak beslist is. Een enkel uitzonderingsgeval wordt genoemd.
Wanneer deze bepaling serieus wordt genomen, dan zal ze een goede tegenkracht zijn tegenover de ontwikkeling van mechanisme en robotisme.
Hier wordt de spiraal gebroken.
Mechanisme en robotisme hebben niet de tijd zich te ontwikkelen.
Spoedig komen de partijen terug tot een rechtstreeks contact.
In deze bepaling komt ook uit, dat de zusterkerken hier een echte instantie van arbitrage bieden.
Van zulk een instantie dient men gebruik te maken in een geest van nederigheid en bereidwilligheid.
Een scheidsrechterlijke beslissing behoort serieus te worden genomen. Hieraan kan men slechts toekomen, als men beheerst wordt door het verlangen naar een goede oplossing en naar echte vrede.
De kerkverbandelijke hulp wint aan kracht en verliest aan duur.
Ze helpt op gang en ze breekt de structuur van het gewone kerkelijke en christelijke leven niet meer. Spoedig zien de partijen elkaar weer terug Natuurlijk, geen enkele bepaling biedt een garantie voor de kerkelijke welstand (evenmin als het ontbréken ervan). Zonder het geloof en de liefde zal het niet gaan, màg het ook niet gaan.
Maar hier hebben we wel een aanwijzing hoe het kerkverband een goede hulp kan zijn in de kerkelijke huishouding. Zonder te worden tot een "ijzeren long", die de levensfuncties van het lichaam der gemeente probeert over te nemen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief