De brief van Jakobus

1974-02-15
  • Jaargang 18
  • nummer 7
Voeg de daad bij het geloof
(2: 14-20)

'k Zou de bespreking van dit gedeelte van Jakobus' brief willen beginnen met een citaat van prof. De Graaf: "De kerken verkeren in een krisis.
Velen verstaan de boodschap niet meer. Sommigen willen uit solidariteit met de wereld maar verder zwijgen over God en Christus, over verzoening en verlossing, genade en geloof.
De Jakobusbrief wijst in een andere richting ..
Het is niet verkeerd om te geloven in God en Christus, in verzoening en verlossing, en om daarvan te getuigen, maar het is verkeerd als dit geloof niet funktioneert. Anders gezegd: de "moderne mens" (wie is dat eigenlijk?) neemt het de christenen niet kwalijk, dat zij christenen zijn, maar dat ze het niet zijn met-ter-daad."

In wat nu volgt voert Jakobus als het ware twee sprekers in, die het tegengestelde beweren. Hij doet dat om zijn betoog te verlevendigen.
A. zegt, dat hij geloof heeft ... maar hij heeft geen werken. (14) B. zegt, dat hij werken heeft, en dat dat heel goed kan, dat de een geloof heeft en de ander werken.
De één is "sterk" in geloof, de ander is "sterk" in werken. Zou je het zo niet kunnen zeggen?
Iedereen kan toch niet álles hebben?
(18) Jakobus maakt met een voorbeeld duidelijk, dat geloof-zonder-werken niet baat, niet behoudt (14), ja, dood is (17). Wat baat het om tegen iemand die aan alles gebrek heeft te zéggen: ga heen in vrede (bekende joodse groet), houd u warm en eet goed, - als u de daad niet bij het woord voegt en hem van eten en kleding voorziet?
Wat koopt die ander voor uw schone groet en vrome wens?
"Het is slechts een vergelijking; want het voorbeeld is niet ontleend aan het geloofsleven, maar aan de houding tegenover de medemens.
Het punt van vergelijking is de tegenstelling tussen de innerlijke gezindsheid, die zich slechts in woorden uit, en de uitwendige daad." (Keuiers ) Zo is het nu ook met het geloof.
Als daar de daad niet uit resulteert, blijkt het dood. "Geloof-ansich" is een onmogelijke zaak. Een doodgeboren kind.
Vers 18 is en blijft moeilijk weer te geven, hoewel niet moeilijk te verstaan. Zegt die "iemand" tegen Jakobus: gij hebt geloof en ik heb werken?
Men zou eer het omgekeerde verwachten: gij, Jakobus spreekt zo schoon over de werken, maar ik heb geloof. De WiIlibrordvertaling heeft het ook zo, met een wijziging van de grondtekst. Maar noch de "gij", noch de "ik" hoeven op Jakobus te duiden.
De bedoeling is in ieder geval wel duidelijk: je kunt geloof en werken niet over 2 christenen verdelen.
Ge gelooft toch dat God één is? (19) Maar dan is dát geloof ook een geloof uit één stuk, daar kunnen de werken niet van gescheiden worden, daar komen de werken zonder meer uit voort, bij elke ware gelovige.
Ziet u kans uw geloof te tonen, zonder de werken?
Maar ik kan u mijn geloof tonen uit de werken, zegt Jakobus. (18) Hij gaat dit nu illustreren met voorbeelden, eerst negatief, uit de duivelenwereld, en dan postitief, uit de geschiedenis van Israël.
Deze voorbeelden zijn niet, zoals in vr. 15, 16 vergelijkingen uit een ánder gebied, maar echte voorbeelden uit het gebied van het geloof.
De joden-christenen worden herinnerd aan hun geloofsbelijdenis, Deut. 6 : 4. Een stereotype formulering van het specifiek-christelijk geloof was er toen kennelijk nog niet, wat wijst op zeer vroege ontstaanstijd.
Maar de boze geesten geloven dit ook, en... ze sidderen! Wanneer het geen toewending tot God bewerkt en uitdrijft tot het doen van wat Hem behaagt, worden de meest troostvolle waarheden tot een bron van vrees! Geloven is maar niet blote kennis, theoretisch toestemmen, maar: vertrouwen, overgave aan God en gaan doen wat Hij ons zegt. Zie voor het sidderend geloven der boze geesten o.a. Matth. 8 : 29.
Geloof zonder de uitwerking in werken die God behagen noemt Jakobus "leeg". Zo staat er in de grondtekst van vers 20: wilt ge weten, gij leeg mens, dat het geloof zonder de werken niets uitwerkt?
En dan komen de positieve voorbeelden: Abraham en Hagar.
(21-25) Abraham, uit werken gerechtvaardigd (2 : 21-24) "Onze vader Abraham", - bedenk aan wie Jakobus schreef: christenen uit de j6den. Dit voorbeeld moet hen wel zeer aanspreken.
Abraham, gerechtvaardigd uit werken, toen hij zijn zoon op het altaar legde. De bereidheid tot het offer geldt voor de daad. En 't was geloofsdaad. Want Abraham luisterde naar de HERE en deed wat Hij zei, gaf wat Hij vroeg. Hoezeer ook beproefd (1: 3) hield zijn geloof stand. Ja, zijn geloof bereikte de hoogste spankracht, door te overwegen dat de HERE bij machte was Izak als uit de doden op te wekken en daaruit heeft hij hem ook bij wijze van spreken teruggekregen (Hebr. 11 : 18, 19) U ziet hoe geloven en doen bij hem samengingen en dat het geloof van Abraham door zijn daad op de Moria tot z'n hoogtepunt kwam. (vers 22) en zo ging het Schriftwoord in vervulling: Abraham geloofde God en het werd hem tot gerechtigheid gerekend en hij werd een vriend van God genoemd.
(Gen. 15: 6, Jes. 41 : 9; 2 Kron. 20 : 7) Het Schriftwoord uit Gen. 15 werd "bevestigd en bekrachtigd bij de uitspraak des HEREN over Abraham op Moria, bij de volle ontsluiting van Abrahams geloofswerk; daar keurt en kroont de HERE Abrahams geloof" (Sikken Prof. Jager haalt hier met instemming aan Prof. J. Ridderbos (Abraham, de vriend Gods, p. 198) "Abrahams geloof is voor God reden om hem te beschouwen als een "rechtvaardige", d.w.z. als iemand, die voldoet aan de eis van die bizondere vriendschapsbetrekking, waarin God tot hem getreden is... En vraagt ge nu, wat de beslissende zaak is, waardoor Abraham als vriend en bondgenoot Gode aangenaam, dus rechtvaardig zijn zal, en in die betrekking der genade tot God zal kunnen blijven, dan wordt hier klaar en duidelijk gezegd, dat die alles beslissende zaak het geloof is" .
Een mens wordt dus niet gerechtvaardigd uit geloof-zonder-meer, uit geloof-dat-niet-leeft-in-de-werken.
Dit rechtvaardigen is: rechtvaardig verklaren, in de zin van rechtvaardig erkennen. God verklaarde, dat deze daad van Abraham Hem behaagde, dat het zó goed was; dat verklaart God van het gelóóf en ook van het geloofswérk, dat er onlosmakelijk mee verbonden is. (prof. Jager) Hier schijnt tegenstrijdigheid met Paulus in Rom. 4. Maar het gaat Jakobus niet om de werken-derwet (Rom. 3 : 28), die aan het geloof vooraf zouden gaan en waarmee men de zaligheid zou kunnen verdienen. Dáár gaat Paulus tegen in. Tegen geloofswerken heeft Paulus uiteraard helemaal geen bezwaar, hij dringt er in al zijn brieven op aan.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief