INGEVULD OM TE LEVEN

1974-02-15
  • Jaargang 18
  • nummer 7
Er is door de dichters die wij de vijftigers noemen, een gebruik van de taal ontstaan dat, meer dan vóór die tijd, is gericht op het onverwachte vergezicht dat een woord opent door zijn rangschikking in de zin.
Je leest en je gedachten gaan een bepaalde richting uit, maar de zin breekt af en het eerste woord van de volgende zin schokt je denken weer een andere kant op.

Een voorbeeld. Gerrit Kouwenaar begint een gedicht:

Een dode dichter is dichter
bij dan een levende: zijn taal
is volstrekt
gevuld met grond
dat zij bestaat.

Als je dat eerste zinnetje leest denk je dat gezegd wordt dat een dode dichter echt nog een dichter is - en dat wil ook gezegd zijn - maar direkt bij de volgende zin wordt de zaak heel anders.
Dan blijkt dat tweede woord "dichter" de betekenis te hebben (of te krijgen) van "nader". En het woord "volstrekt" aan het eind van de tweede regel suggereert eerst het besliste, het voor geen tegenspraak vatbare, maar krijgt door het eerste woord van de derde toch een andere betekenis.
Het zegt dan dat de taal van de dichter haar waarde dankt aan het enige wat zeker is, dat is de.
materie, de grond van het bestaan.
Afgezien van de strekking, is dit vers vooral door de rangschikking van de woorden een exposé van het typische van de dichters van de jaren vijftig.
Aan het bovenstaande dacht ik toen ik las in de, mij ter bespreking toegezonden, dichtbundel: "Ingevuld om te leven" van Coert Poort.
Deze in 1922 te Rotterdam geboren dichter, debuteerde in 1953 met de bundel "Twee gedichten", waarop nog volgden "Een kleine dag voor mijzelf" 1955; "De koning van Wezel" 1958; "Mannenwerk" 1961, en een bundel verzamelde gedichten in 1970.
Coert Poort is een woordkunstenaar, bij wie ook de wonderlijke woordschikking vaak voor verrassingen zorgt. Maar ook voor moeilijkheden, want de gedichten van Coert Poort zijn niet zo gemakkelijk toegankelijk.
Na het lezen en nog eens en nog eens lezen blijft er genoeg over om )allerontdekt te worden.
"Ingevuld om te leven", waarin de gedichten geen opschrift hebben, begint:

Ik probeer hier
van enkele woorden
het gebruik
te beperken
maar de taal
waartoe zij behoren
mag het niet merken

De dichter zegt dat hij "hier" van enkele woorden het gebruik probeert.
"Hier", dat zal in dit gedicht zijn of in een gedicht waar hij mee bezig was. Hij experimenteert met die enkele woorden. Wat zijn ze veelzeggend. Wat kun je ze, voor veel wat je zeggen wilt gebruiken.
Maar, wacht even, als je doorleest bemerk je dat hij juist het gebruik probeert te beperken.
Hij wil zuinig zijn op die woorden.
Een woord is zo kostbaar, je mag er niet mee strooien.
Maar de beperking van het gebruik moet wel zodanig zijn, dat de taal toch de voluit sprekende taal blijft. De taal mag het niet merken.
Dat is wat ik er in lees. Maar 't is heel goed mogelijk dat de dichter er iets anders mee zeggen wilde.
Of ook dat U er iets anders in leest. Mij best. Gedichten zijn voor velerlei uitleg vatbaar. Het lezen ervan is een ontdekkingsreis.
Trouwens, dat geldt ook voor het schrijven van een gedicht.

Je ziet nu nog
alleen maar
de letters
de pootjes
van honderden woorden
ik ben bezig
ze om te draaien
ik ben bezig
te zien
waar ze horen

Nu hoort U het van de dichter zelf. Hij weet ook nog niet wat er komen gaat. Hij is bezig te zien, om straks te kunnen horen.
Maar hoe dan ook, dichten moet hij. 't Is een zware opgaaf. Altijd weer is er de invallende gedachte die een weg zoekt.

Ik zou wel
een deur willen zijn
voor gedichten
ieder ogenblik een die mij
zonder te denken
benut
die mijn mogelijkheid te bewegen
herhaalt
die er niet kan stilstaan
en leven
die er niet kan uitpraten
en sterven
en nog meer van kan maken

ja een deur voor gedichten
waaraan niet wordt gekocht.

De gedichten die naar buiten willen, zijn zelfstandige creaties. De dichter hoeft ze in feite alleen maar uit te laten. Als hij alleen maar een deur was, was hij eigenlijk al klaar. Maar dan ook verder geen drukte. Aan de deur wordt niet gekocht.
U merkt wel dat ik niet te veel zei toen ik beweerde dat de gedichten van Coert Poort niet zo gemakkelijk toegankelijk zijn. Ze zijn, zoals er achter op het kaft staat "voor een beperkte groep ingewijden" zo boeiend, dat de dichter voor hen "de prins is van onze na-oorlogse dichters".
Dat is heel goed mogelijk. Poort heeft inderdaad een bizondere zeggingskracht. .. Maar hij gebruikt die, althans in deze bundel, bijna alleen om iets over gedichten te zeggen. En dat is mij toch te eng. Er is meer met het gedicht te doen dan te filosoferen over het gedicht zelf. Hoe mooi dat overigens ook zijn kan.
Mooi ... maar wie maakt dat uit?
Ook daar zegt de dichter iets over.

Mooi
of lelijk
dat zul je nooit weten
want je wordt niet
geboren op hoogten
waar zulke woorden bestaan
en je komt niet binnen
in kamers
waar zoiets van je gezegd wordt

zelfs in de hand
in je eigen spiegel
heet het nog
vroeg of laat
en nooit mooi of lelijk
waar je zo naar velangd hebt.

Het onzekere inzake mooi of lelijk komt hier prachtig tot uitdrukking.
We zijn niet zo hoog van intelligentie dat we dat objectief kunnen uitmaken. En zeker niet als het gaat over onszelf, of, al wordt dat niet apart gezegd, over iets van onszelf. Over ons werk, over degenen die wij liefhebben.
Hoe ervaren anderen ons en ons werk? Daar kom je nooit achter.
En misschien maar goed ook.
Tenslotte dit. Als je luistert naar dichters hoor je graag, althans zo gaat dat mij, hoe zij staan in het leven.
Ik wil iets horen over hun blijdschap en verdriet, ik wil iets weten val). hun hoop en hun wanhoop, ik wil iets vernemen over hun liefde en hun afkeer, ik wil van ze weten hoe ze staan in deze wereld met haar angstaanjagende tegenstellingen. Waar staan ze?
Aan welke kant?
Daarover hoor je van Coert Poort, vind ik, te weinig.
Maar van zijn woordkunst, dat moet gezegd zijn, valt voor de liefhebber, de "ingewijde" vee! te genieten.

Ingevuld om te leven.
Uitgave Kok, Kampen

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief