MENSELIJK LEVEN

1974-02-15
  • Jaargang 18
  • nummer 7

"Een gesloten deur ... een open venster.":
de zorg voor de geestelijk gehandicapte naaste.


"Alle werkelijk leven is ontmoeting".

Martin Buber

Een mens is pas echt mens wanneer hij in relatie staat met een ander.
Menselijk leven is dan ook leven waarin contacten gelegd kunnen worden, waarin ontmoetingen plaats vinden, waarin het kind reageert op de hem omringende wereld, en de wereld op het kind.
Wanneer een kind plezier heeft in het maken van bewegingen, geluiden en dergelijke, zodat het iets beleeft, is het zinvol bezig met de dingen om hem heen; zinvol bezig zijn is een vorm van contactname, menselijke contactname met de dingen! Het is bijvoorbeeld zinvol, omdat het kind in dit "bezig-zijn" een stukje verder-gekomen-zijn kan ervaren.
Dit kind is dan op menselijke wijze bezig, in dialoog met de hem omringende wereld.

* Eerste relaties, de dialoog

De relaties beginnen al bij de geboorte.
Ed. Hoornik zegt in zijn gedicht "Geboorte" zo mooi:

"Nu bloeien rozen op mijn wangen,
èn bloed èn water breken uit;
nu voel ik je ter wereld hangen,
- je eerst geluid.

De dag komt op;
twee stemmen zingen:
ben jij daar moeder? jij, mijn kind?
o ziel, die om het licht zal kringen,
uw vlucht begint."

Bij het geestelijk gehandicapte kind zal de moeder hetzelfde ervaren als de moeder in het bovenstaande gedicht. Maar niet lang zal het duren of de moeder merkt dat het kind slechts zeer langzaam de roep van de moeder tot zich kan laten doordringen. Het kind wordt in de dialoog geroepen, maar antwoordt niet.
De moeder wil in dialoog treden met haar kind. Dat is het enige waar het in de moeder-kind-relatie op aan komt, in het begin.
Hier nu ervaart men het anderszijn van het geesteliik gehandicapte kind: dit menselijke contact, dit ècht herkennen van de ander en van de dingen om hem heen, komt laat en onduidelijk.
Het komt slechts dàn wanneer we heel geduldig en vol liefde proberen het kind daartoe te wekken.
Het is niet zo, dat we het kind gelukkig maken als we het in zijn eigen wereldje laten wegzinken en dus niets met hem gaan proberen.
Vanuit het menselijk contact dat we willen opbouwen kunnen kinderen verder komen in hun wereld.
Maar we moeten ze naarbij zeer aktief terzijde staan en hulp bieden.
Dan komt misschien langzaamaan een vorm van een dialoog opzetten, hoewel het kind nog aan het groeien is in het mens-zijn, verder vertrouwd moet raken met de dingen en woorden uit onze wereld.
Mens-zijn is namelijk ook: mensworden!

Uit het bovenstaande is wel duidelijk geworden, dat de dialoog een grondhouding van ieder mens is.
In deze dialoog maakt de mens zich kwetsbaar, maakt zich afhankelijk van de ander en het andere.
Jammer genoeg is in de intermenselijke relatie vaak de ik-anderrelatie gestoord.
De mens realiseert zich, dat hij kwetsbaar is wanneer hij zich openstelt voor een ander of met een ander in de dialoog treedt.
Het menselijk leven ontstaat door de dialoog, in de dialoog komen moeder en kind tot hun recht.
Maar het kan zijn dat de dialoog stokt: één van beiden, die de dialoog op gang hield, is dan de dupe geworden en voelt zich weerloos, alsof hij tot object in de ogen van de ander is geworden.
Mens-zijn is menselijk samen-zijn en in relatie, dialoog, kunnen treden.
De geestelijk gehandicapte kan vaak zèlf niet in dialoog treden.
Wij moeten met hem gaan praten.
Als er geen antwoord komt, valt de dialoog uit; ... is nu de geestelijk gehandicapte tot object geworden?

* De geestelijk gehandicapte in de dialoog

Hoe vaak gebeurt het niet dat de zwakzinnige buiten de dialoog met andere mensen wordt gehouden, en dat er in zijn bijzijn óver hem wordt gepraat? Dan is hij wel degelijk door de omstanders tot object gemaakt!
Hoe vaak mislukt de dialoog niet tussen partners van gelijk niveau?
Hoe vaak worden de intermenselijke relaties gestoord door onbegrip of ongeïnteresseerdheid?
Zouden we dan op grond van het feit dat de relatie met de geestelijk gehandicapte gestoord is, kunnen zeggen, dat de vraag naar zijn mens-zijn in het geding komt?
Dit in geen geval. Zijn mens-zijn moet alleen maar worden beleefd als een andere vorm van menszijn.
We zouden hem kunnen leren, dat mens-zijn niet alleen een staan in de wereld is, maar ook een staan tegenover de dingen en zichzelf; dat de ene mens op de andere is aangewezen.
Niet zij moeten veranderen, maar wij!
In onze dialoog moeten we hem wel betrekken, al hoeven we geen direkt antwoord te verwachten.
Het wordt volgens Metz een andere dialoog dan we gewend zijn: "de dialoog met de zwakzinnige heeft het karakter van zelfonderzoek waarbij de zwakzinnige de kritische en zwijgende aanwezige is, om niet te zeggen: de examinator.
Dit zelfonderzoek moet worden voortgezet, totdat wij ons in hem en hem in ons herkenen."

* Ook wij kunnen het antwoord verzuimen en daarmee ons menszijn bedreigen.
De geestelijk gehandicapte werd geboren, tot mens-zijn geroepen, maar hij beantwoordde die roep niet zoals wij dat verwachtten: hij kon op die wijze niet antwoorden. Voor hem is het niet mogelijk een grens te overschrijden waar hij niet over heen kán!
Als de ouders merken dat ze het kind niet verder kunnen brengen in hun "pogen het een volwaardig menselijk leven te laten leiden, dan hoeven ze zich niet schuldig te voelen, want dan raken ze te emotioneel, te zwaar belast, of ze gaan onder in de zorg en de aandacht voor hun kind.
Ze kunnen dan, in plaats van liefde te geven en het kind met blijdschap te omringen, zó ondergaan in hun zorg, dat het kind de negatieve sfeer aanvoelt. De ouders zetten dan hun venster niet open naar anderen, die méé willen helpen hun kind een fijn leven te geven; bovendien laten ze het venster dicht voor hun eigen kind dat dan alleen blijde toekomst voor ogen heeft.
Dit kind vraagt om ouders die blij en moedig met hem ,,mens" willen .. zijn in de werkelijkheid van zijn bestaan dat zin heeft (iets, dat in de toekomst openbaar zal worden) en waar de ouders nu al aan mee mogen helpen om daar inhoud aan te geven!

• ZINVOL LEVEN EN CHRISTEN-OUDERS

"Hij die een gift ontvangt,
laat de ander toe in zijn wereld,
is bereid om hem
een plaats in zijn bestaan te geven"

H. J. M. Nouwen

Is er verschil in het bezien van een geestelijk gehandicapt kind?
Maakt het uit of het kind geboren is bij christelijke- of niet christelijke ouders?
Beiden ontvangen een kind.
De moeilijkheden die zich voordoen bij het tot aan vaardig komen van dit kind, dat geestelijk gehandicapt is, als MENS, zijn voor beide ouderparen even groot.
Beiden zullen zich afvragen of dit leven menselijk leven is, zodat het een menswaardig bestaan zal hebben op deze aarde.
Beiden ontvangen een kind.
De mogelijkheden die zich voordoen bij het tot aanvaarding komen van dit kind, dat geestelijk gehandicapt is, áls GESCHENK, doen zich slechts voor bij ouders die christelijk willen zijn, omdat zij veelal er van uit gaan dat zij hun kind uit Gods hand ontvangen.
Het leven van hun kind kan voor christen-ouders zinvol zijn wanneer zij bedenken, dat in de toekomst het leven alle zin zal hebben.
De toekomst- en eeuwigheidswaarde die het leven van de geestelijk gehandicapte krijgt, moet voor de ouders een troost zijn; een andere troost is, dat "voor God alle mensen gelijk zijn", zoals vaak wordt gezegd.
Veel ouders zullen het er moeilijk mee hebben, dat ze daar nu niets van kunnen bespeuren.
Maar zou niet de zin en de uiteindelijke toekomst van alle mensen slechts door openbaring kenbaar worden gemaakt?
Veel later zullen we de zin van veel dingen pas bespeuren.
Ouders mogen voor hun kind zorgen.
Deze moeilijke taak mogen ze zien als een uitdaging om er in Gods naam goed op te reageren. Door het verdriet en de onmacht heen mogen de ouders van de geestelijk gehandicapte hun blijdschap van het geloof proberen te houden en uit te stralen.
Het venster op de toekomst staat open, al is er een gesloten deur.
De toekomst van de geestelijk gehandicapte reikt nog verder dan naar de toekomst op deze aarde; wanneer de ouders het hoofd moedig geheven houden, opwaarts heffen en kijken, hoe hun kind eenmaal alle blijdschap mag hebben die er maar mogelijk is, dan kan het kind, met de ouders!, hier op aarde, - onbewust vaak - iets uitstralen van het geloof hetgeen bijvoorbeeld ook blijkt uit het hier volgende gedicht van J. Verhaar:

"Zorgenkind"

Mijn kind, toen jij geboren werd,
toen was voor ons verborgen
dat jij niet als een ander was
Dit gaf eerst later zorgen.

Want uiterlijk was je gezond
en was er niets te merken.
Maar toen jij allengs groter werd
ging onze vrees versterken.

Jij reageerde niet, zoals
wij dat van anderen zagen.
Voor ons was deze zware schok
in 't eerst moeilijk te dragen.

Toch mochten wij jou als ons kind,
als Gods geschenk ontvangen.
Om met dit opgelegde kruis
de reis weer aan te vangen.

Jij, met je tere kinderziel
jij hunkert van verlangen
naar liefde, die je zelf veel geeft
en mag terug ontvangen.

We zijn met jou ontzettend rijk.
God heeft dit kruis gegeven
om ons te voegen naar Zijn wil.
't Mocht zijn tot eeuwig leven.

We gaan gezamenlijk het pad,
met jou steeds in ons midden.
Zullen ook voor jouw zieleheil
tot God gedurig bidden.

Dit weten wij: God had een doel
met jou aan ons te geven;
als we uit genade dit verstaan
dan kon 't nog zijn tot zegen.


1. Wat is eigenlijk menselijk leven?

Deze vraag kwam naar voren naar aanleiding van het gezegde van Prof. Dr Van den Berg dat leven, dat oneindig lang wordt gerekt, niet zinvol en niet menselijk meer is te noemen. (Zie artikel 'Zinvol leven' in Opbouw van 8 februari j.l.)

2. Geraadpleegde litteratuur:

Dr W. Metz, Onnozel leven. Callenbach, Nijkerk 1972.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief