Revolutie
1974-02-22
- Jaargang 18
- nummer 8
Het boek van Mr Mulder dat we bespreken, en naar aanleiding waarvan we een en ander over Groen van Prins ter er zeggen, heet "Groen van Prinsterer, staatsman en profeet". Deze typering van Groen is bizonder raak. Mits men de arbeid van Groen als staatsman maar niet scheidt van zijn profetische activiteit! Groen was èn als staatsman, èn als historicus, èn als strijder voor kerkherstel èn als kampvechter voor een reformatorische, christelijk-nationale school óók en altijd profetisch werkzaam. Want het was hem in dat alles te doen om het aanwijzen van de betekenis, de kracht, de ernst, de aktualiteit van het Evangelie in de tijd waarin hij leefde. En, dat zeggen we er met nadruk bij: ook in onze tijd.
Wanneer men Groen's profetisch optreden zo scherp mogelijk in het vizier wil krijgen doet men het best na te gaan wat hij in bijna eindeloze herhaling in steeds puntiger omschrijving en met steeds scherper toespitsing op de aktualiteit schrijft over Revolutie Evangelie en Belijden. ' We willen daarover iets zeggen.
En wie verstaat van wat hij daarover zegt, en enigszins op de hoogte is van wat er in onze wereld te koop is, zal als van zelf beseffen hoe weergaloos aktueel ?roen's boodschap voor onze tijd is.
We willen eerst iets zeggen over de Revolutie.
Groen's spreuk: Tegen de Revolutie het Evangelie werd en wordt altijd misverstaan.
Steeds interpreteerde men dit Groeniaanse adagium zó, dat hij Zich daarmee tegen iedere staatkundige omwenteling keerde. En dat deze zinspreuk dus ook uitsluitend betrekking had op een politiek, een staatkundig gebeuren.
Noch het een, noch het ander is juist.
Groen veroordeelde zeker niet iedere staatkundige revolutie. Integendeel, hij waardeerde verschillende daarvan zeer positief.
Sommige revoluties, zo schreef hij reeds in 1831 - en later herhaalde hij dat altijd weer - "zijn even rechtmatig in oorsprong als in strekking geweest. Uit verregaande onderdrukking ontstaan, bedoelden en bewerkten zij het behoud van vrijheid en recht.
Door omwentelingen van die aard werd in Zwitserland en Holland een onafhankelijke Staat gevormd."
1) Groen verklaarde zelfs eens, dat hij op de titel revolutionair "naijverig" zou zijn, "zodra revolutie een rechtmatige en onmisbare hervorming, naar de eis van tijd en omstandigheden beduidt."
Speciaal waardeert Groen positief de revolutie die in 1688 in Engeland plaatsvond. Evenzo die waardoor de Verenigde Staten van Noord-Amerika zich in 1776 losrukten uit de tyrannieke macht van Engeland's imperium. 2) En onze opstand tegen Spanje typeerde hij zelfs eens als "onze glorieuze en heilige revolutie! 3)
Het is ook beslist onjuist te beweren - wat zijn tegenstanders steeds weer deden - dat Groen reaktionair, contra-revolutionair zou zijn in die zin dat hij de kerkelijke, staatkundige en sociaaleconomische situatie in ons land van vóór 1795 zou willen herstellen.
En dus o.a. weer begeerde dat de Gereformeerde kerk opnieuw de heersende, bevoorrechte kerk zou worden! Steeds weer keert hij zich en zelfs zeer fel tegen deze veronderstelling. Met grote nadruk predikt hij het "gelijk recht der Gezindheden". En in 'n kamerredevoering verklaarde hij van harte in te stemmen met het woord van Thorbecke: "Van de revolutie-geest onderscheide men de orde van zaken, welke sedert en onder de revolutie heeft plaats gegrepen. Op de bodem die de omwenteling heeft verwoest, kiemt een nieuw zaad, volgens een andere regel." Dit, aldus Groen, komt geheel over een met wat ik steeds heb betoogd en najaag. 4)
Groen's opvatting omtrent de Revolutie omvatte evenmin een gebeuren dat zich uitsluitend op het staatkundige of sociale terrein afspeelde. Revolutie was voor hem iets dat veel méér omvatte dan een plotselinge en gewelddadige verandering in staat of maatschappij.
En wat nog veel meer zegt: ze doelde op iets dat veel en veel dieper greep en veel verder reikte.
Om te leren verstaan wat Groen onder Revolutie verstond kan men niet beter doen dan te letten op zijn levensgang.
Daarin is vooreerst van betekenis dat hij een diep gelovig christen werd, die de Heilige Schrift kinderlijk geloofde en door en door kende. Daardoor kreeg hij een scherp oog voor de ontzaglijke en huiveringwekkende macht van de zonde, die mens en mensheid in al hun uitingen doortrekt en perverteert. Groen geloofde het paulinische woord: “Allen zijn afgedwaald, allen verdorven; niemand is er die het goede doet, zelfs niet één". Hij geloofde dat de "natuurlijke mens" - de mens zoals hij geboren wordt - een actieve en agressieve vijand van God is, dat hij God niet in zijn leven duldt en dat hij van nature geneigd is God en de naaste te haten! Groen beaamde ten volle Pascals bekende exclamatie: "De erfzonde verklaart alles, zonder de erfzonde verklaart men niets." 5)
In de tweede plaats is voor Groens beschouwing van het leven der Westeuropese mensheid van zijn dagen het beleven van de opstand in België van diep ingrijpende betekenis geweest.
Hij maakte die revolutie van zeer nabij mee. Hij leefde er als kabinetssecretaris van de Koning om zo te zeggen middenin. Alle stukken die er op betrekking had- .
den kreeg hij onder ogen. In opdracht van de koning woonde hij voorts in die dagen alle vergaderingen van de volksvertegenwoordiging bij. Hij moest daarover rapport uitbrengen aan de koning.
Groen huiverde van de revolutionaire krachten die daar tot explosie kwamen. Met de koning besprak hij ook, als diens intelligente secretaris, de situatie waarin het koninkrijk zich toen bevond.
Hij doorzag ten volle dat wat in België gebeurde in Frankrijk zijn oorsprong vond en van uit Frankrijk gevoed werd. 6)
En daarbij kwam in de derde plaats dat hij een diepgaande studie maakte van de Franse revolutie.
Daarbij was het hem er om te doen de eigenlijke, de diepste motieven van die revolutie te doorgronden. Groen besefte steeds scherper dat men in die revolutie met enorm veel méér te doen had dan met een staatkundige of sociale omwenteling.
Hij ontdekte met ontzetting dat daarin voluit demonische krachten werkzaam waren. Die revolutie werd voor hem de openbaring van een totale en radicale verandering van het geestelijk klimaat van Europa.
Het was de uitbarsting van de afval van de levende God, de consequentie van de verheerlijking van de oerzonde der mensheid; van haar wil tot autonomie, van haar eigen-wettelijkheid, haar zelf-vergoddelijking. Reeds lang was die zonde door vele Europese denkers als een evangelie gepredikt.
In de franse revolutie bracht ze haar giftige vruchten voort.
In de staatkundige en sociale revolutie die in Frankrijk woelde ontdekte Groen zo de Revolutie, de Revolutie met een hoofdletter!
Met Revolutie, zo schreef hij toen hij dit had onderkend, "bedoel ik niet een der menigvuldige gebeurtenissen, waardoor verplaatsing van het openbaar gezag teweeggebracht wordt; niet enkel de omwentelingsstorm welke in Frankrijk gewoed heeft: maar de omkering van denkwijs en gezindheid in geheel de Christenheid openbaar.
Met revolutiebegrippen heb ik het oog op de grondstellingen van vrijheid, gelijkheid, volkssouvereiniteit, maatschappelijk verdrag, conventionele herschepping, welke men als hoeksteen van staatsrecht en staatsgebouw vereert."
Neen, deze Revolutie is niet alleen maar een ontbindende en verwoestende macht, welke zich op het terrein van het staatsleven openbaart. Ze is "de ontwikkeling van een volslagen scepticisme, waarbij Gods Woord en wet ter zijde gelegd is." 7) Ze is niet minder dan "een wereldcrisis", die tegelijk ook "een crisis in de geschiedenis der christelijke kerk is." Ze is de "strijd tegen het Evangelie op het gebied van wetenschap en praktijk".
Ze is "systematisch ongeloof, waarvan het merk in een reeks van politische stelsels en van gruweldaden geprent is" 8) Ze is "een sociale omwenteling, wier natuur tegen elk gouvernement, tegen elke godsdienst gericht is."
Ze is "een sociale, of liever nog anti-sociale omwenteling, die zedelijkheid en samenleving ondermijnt en verwoest." Ze is "een anti-christelijke omwenteling, wier hoofdgedachte zich ontwikkelt in stelselmatige opstand tegen de geopenbaarde God." 9) Haar "kenmerk", haar "antichristelijk karakter", is haar "haat tegen het evangelie". En dat kenmerk is tegelijk "het teken van haar oorsprong, het merkteken der hel." 10).
"Tot haar eigenlijke oorsprong teruggebracht", zo schreef Groen in zijn prachtige studie De Anti-Revolutionaire en Confessionele partij in de hervormde kerk van Nederland, "is de Revolutie één enkel en zelfs belangrijk historisch feit; te weten de overmeestering der geesten door de leer van de volstrekte souvereiniteit van de mens, een leer die de mens tot bron en centrum van alle waarheid maakt, door zijn verstand en wil in plaats van de openbaring en de Goddelijke wet te schuiven. De Revolutie is de geschiedenis van de ongodsdienstige wijsbegeerte uit de vorige eeuw, ze is in haar oorsprong en uitwerking de leer die, tot vrije ontwikkeling gekomen, Kerk en Staat, samenleving en gezin vernietigt, wanorde brengt zonder ooit de grondslag voor de vrijheid te leggen of de zedelijke orde te herstellen en, op godsdienstig gebied, haar getrouwe aanhangers wis en zeker tot atheïsme en wanhoop brengt." 11)
Met profetische helderziendheid ontdekte Groen zo, dat, tegen het einde van de 18de eeuw in de toen, globaal genomen, nog christelijke wereld van Europa een vulkanische uitbarsting van demonische krachten plaatsgreep.
Het is die uitbarsting welke tot gevolg heeft dat onze eeuw, om met Noordmans te spreken, onze eeuw al meer aan "zelfverlaging" gaat lijden, "omdat zij de zelfverloochening, de zelfvernedering, de zelfvernietiging veracht." En dat daarom "het gemene" de overhand dreigt te krijgen. "Ons geslacht heeft de neiging lichamelijk en geestelijk, in holen te kruipen.
Het verdraagt de zon en de waarheid niet meer. De zielen verschieten van kleur en gruwen van haar eigen vaalheid, Een oude christenheid gaat tot verwezing over. Een geestelijk rotspectrum verhoogt de boog onder ons."
Dit was de Revolutie waarop Groen het oog had als hij er over sprak dat tegenover de Revolutie het Evangelie moet worden gepredikt, geloofd en in praktijk gebracht.
En deze Revolutie - men kan ook zeggen: deze radikale sekularisatie - werkt momenteel in heel Europa, en niet in het minst in ons volk, als een dodelijk vergif in al de geledingen van het menselijk leven en samenleven, een vergif, een verwoestende kracht, als waarvan Groen zelfs in zijn somberste momenten nooit heeft gedacht.
1) Ned. Gedachten, Eerste reeks II no. 33, 131.
2) Grondwetsherziening en Eensgezindheid, 1849,179/80.
3) Archives etc. Eerste serie, 1I, VIII.
4) Adviezen in de Tweede Kamer enz., 1857,56.
5) H. W. J. Mulder, a.w.. 73.
6) H. W. J. Mulder, a.w., 48.
7) Ongeloof en Revolutie 5, 1924,4/5.
8) idem. 120/1.
9) Idem, 231.
10) Idem, 171 11) Vert. A. J. Dam, 60