De brief van Jakobus

1974-02-22
  • Jaargang 18
  • nummer 8
Rachab, eveneens uit werken gerechtvaardigd
(2: 25,26)

Wel een heel verschil: Abraham, met zoveel eerbied "onze vader" genoemd, en ... Rachab, de hoer.
Een vrouw, en wat voor één, uit de Kanaänieten.
En toch ... ook zij gerechtvaardigd uit werken. GELOOFSwerken!
Van haar geloof getuigt Hebr. 11 : 31, maar ook zij zelf: De HERE uw God is in de hemel daarboven en op de aarde beneden.
Jozua 2: 11. Ook geloofde ze in de toekomst voor Israël, Joz. 2 : 9 en in de wondermacht van Jahwe, Joz. 2: 10. Dit zet ze maar niet alleen, maar overeenkomstig haar geloof hándelde ze ook. Ze nam risiko. Trotseerde de wraak van haar stadgenoten. Verborg de verspieders, vijanden van haar volk, en liet ze ontsnappen.
Daarin bleek de echtheid van haar geloof, dat op dat kritieke moment tot een toppunt uitgroeide, Wat is een menselijk lichaam, waar de geest uit geweken is?
Dood.
Zo ook het geloof zonder werken.
Het is dood. Er gaat niets van uit. (vers 26)

"Uit het geloof, naar Gods wil en tot Zijn eer"
(2: 21 en 25)

U herkent in dit kopje de omschrijving, die onze Catechismus geeft van de "goede werken".
Merkwaardig, dat in deze omschrijving "de medemens" helemaal niet voorkomt. Hij zit er natuurlijk wel in, nl. in de wet Gods: God liefhebben boven alles en onze naaste als onszelf. Maar het antwoord op de vraag, wat goede werken zijn, staat toch wel helemaal in het licht van het eerste en grote gebod.
Hetzelfde valt ook op in de beide voorbeelden die Jakobus geeft van geloofswerken. Naar humanistische maatstaf waren dat natuurlijk helemaal geen "goede werken": een kind letterlijk willen offeren èn met de vijand van je land heulen. Dat zijn naar wereldse maatstaf heel sléchte daden.
Had Jakobus nu maar het voeden van hongerigen en kleden van naakten en onderdak geven aan onbehuisden als voorbeeld genoemd, dan had hij kunnen rekenen op ieders instemming. Maar dat noemt hij in vers 15, 16 alleen maar als vergelijking, en niet als voorbeeld. Natuurlijk zijn dat goede daden en natuurlijk zijn we dat ook tegenover onze medemens in nood verplicht. Maar Jezus zou zeggen: deze dingen doen de heidenen (lees: de humanisten) ook.
De gerechtigheid van de Koninkrijk der hemelen is "overvloediger" (Matth. 5 : 20). Ze is niet ingesteld en afgestemd op de instemming van "iedereen", maar op de goedkeuring van God. Ze gaat van het geloof uit, gaat voor Gods wil uit de weg (ook als de HERE dingen vraagt die voor "iedereen" ergerlijk en dwaas zijn), en zoekt daarin Zijn eer.
Als we in Hebr. 11 lezen wat de gelovigen van voorheen in geloof gedaan hebben, dan is daar niet veel bij van wat wij vandaag "medemenselijkheid" noemen.
Het staat veel meer in het teken van het lied van Jan wit: "Door de wereld gaat een woord, en het drijft de mensen voort: breek uw tent op, ga op reis naar het Land, dat Ik u wijs".
Zelfs als de gelovige vanuit zijn geloof hetzelfde doet als de nietgelovige, dan is het (voor God) nog niet hetzelfde. Zie Matth. 25 : 31-46. En dan niet heen lezen over dat "de minste Mijner broeders" en "dat hebt gij aan Mij gedaan".
We worden in het laatste oordeel toch niet "gerechtvaardigd" op grond van humanistische goede daden? Maar toch alleen door het geloof, maar dan geen dood geloof, maar een geloof, dat lééft in de werken!

De wijsheid van boven beheerse uw tong
(3: 1-18)

Als Jakobus in hfdst. 2 Abraham en Rachab ten voorbeeld stelt als "daders des Woords" (waarbij het accent eerst op het Woord en dan op daders dient te vallen), - dan achten wij dat hoogtepunten van geloof, waar we, in de laagvlakte van ons dagelijks bestaan, niet aan toe komen. Maar in hfdst. 3 daalt Jakobus tot ons niveau af: wat we allemaal kunnen en moeten doen met onze tong. We moeten met ons levend geloof, dat zich in daden openbaart, maar dicht bij huis beginnen. En dichter bij huis dan de tong in onze mond kan al niet.
Rusteloos en tomeloos roert zich de tong. Een woordenstroom gaat door de samenleving heen, die er in Gods oog waarschijnlijk nog veel vuiler uitziet, dan de vervuilde Rijn. Wie meent godsdienstig te zijn, maar zijn tong niet in toom houdt, is verre van de zuivere en onbevlekte godsdienst. (1 : 26, 27) Je tong niet in toom houden betekent dus: meedoén aan de geestelijke milieuvervuiling. En deze kan slechts bestreden worden door de H. Geest en door het geloof.
Op de Pinksterdag gaf de Geest ándere tongen, niet van het vuur, dat de wereld in vuur en vlam zet en verteert, maar van het vuur, dat harten verlicht en verwarmt en aanvuurt in liefde, tot God en elkaar. In plaats van de laster, die als een lopend vuurtje door het dorp gaat, gaat het GROTE NIEUWS als een lopend vuur door de wereld! De H. Geest grijpt in, in "het rad der geboorten" (3: 6), dat in vlam gezet wordt vanuit de hemel, en het wentelt nu van verbondsgeslacht tot verbondsgeslacht door de nieuwe geschiedenis heen, die begónnen is op de Pinksterdag en door gaat tot de voleinding der wereld.
Wie is wijs en verstandig? (13) Wijsheid is in de Bijbel nooit geleerdheid, "koppie-koppie", maar inzicht, praktische levenswijsheid, weten wat:" je op het juiste moment hoort te zeggen en te doen. Weten wanneer je spreken moet en wanneer zwijgen.
Deze wijsheid bouwt de gemeente en de gemeenschap, en ze is dan ook van BOVEN. Alle eigenwijsheid, die van "beneden" is, vleselijk, verscheurt de gemeenten en de gemeenschap. Laat niet zovelen leraars zijn (1), die het altijd beter menen te weten dan een andere en het hoogste woord hebben.
Leer luisteren. Het Duits heeft 2 verschillende woorden voor "leren", nl. "lehren" en "lernen".
Lehren is het leren, het onderwijzen, van de leraar. Lemen is het leren, zich laten onderwijzen, door de leerling. Er is wijsheid van boven voor nodig om ten alle tijde óók leerling te willen blijven en zich niet te hoog te achten om te blijven "lemen".
Wie er zo op voorstaat, dat hij zo wijs en verstandig is, die moet dat dan maar eens waarmaken door een optreden, dat getulgt van wijsheid en zachtmoedigheid. De wijsheid-van-boven is vóór alles zuiver, rein (tegen de geestelijke milieuvervuiling) en voorts: vredelievend, verdraagzaam, inschikkelijk, vol medelijden en medeleven (belangstelling voor de ander), onpartijdig en eerlijk.
Dit hfdst. behoeft verder weinig toelichting. Het is, zoals we dat van Jakobus gewend zijn, "leer zeer beeldrijk. Als voor-beeld van het onberekenbare kwaad dat die kleine tong kan aanstichten: Hitler zette een wereld in brand met zijn opzwepende redevoeringen.
Een moeilijk verstaanbare uitdrukking is: het rad der geboorte (6).
Willibrordvert.: levensrad. "Groot Nieuws": het rad van ons bestaan.
We komen het beeld van een rad ook bij de Rabbijnen tegen: "Een rad is er in de wereld; niet wie vandaag rijk is, is ook morgen rijk, en wie vandaag arm is, is niet ook morgen arm; maar de ene brengt het (nl. het rad) omlaag en de andere omhoog". Stel u maar voor: zo'n reuze-rad op de kermis. Wie zoëven nog helemaal boven zat zit straks helemaal onderaan of andersom.
We zijn met dit beeld dicht bij de verklaring van de Kanttekenaren van de Staten Vertaling: "De loop van ons leven, van de geboorte af, welke is als een rad, dat altijd omloopt, van de morgen tot de avond, van de jeugd tot de ouderdom, van de geboorte tot de dood".
"Heel het wentelend bestaan. ja de voortwenteling der geslachten, kan door een enkel woord worden aangestoken. Hele stukken van het individuele leven, hele perioden der geschiedenis, kunnen lijden aan de vergiftiging en verhitting, door een enkel verkeerd, vervalst, verbitterd woord teweeggebracht." (Smelik) Jakobus waarschuwt in vers 9-12 vooral voor het dubbelleven, een gespleten bestaan. Als uit dezélfde mond zegening èn vervloeking voortkomt. Gespleten tongen, gespleten levens, dubbele boekhouding, dubbelhartigheid, - het is allemaal in strijd met de joodschristelijke belijdenis: God is één (2 : 19). Nu moet ons geloofsleven ook een leven uit één stuk zijn. We kunnen niet zondags zo zijn en 's maandags zus. In de kerk zo spreken en op ons werk zus. Dan zijn we, milieuvervuilend, nog beneden het peil van de eerlijke natuur gezonken. (vers 11 en 12)


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief