Boekbesprekingen

1974-02-22
  • Jaargang 18
  • nummer 8



Dr G. Puchinger over theologische persoonlijkheid en onderwijsvernieuwing.

Wij beginnen met het tweede onderwerp.
In december 1973 verscheen welgeteld de negende bundel interviews van dr Puchinger.
Dit keer over onderwijsvernieuwing.
De geïnterviewden zijn de oud-ministers van onderwijs en wetenschappen Diepenhorst, Veringa, De Brauwen de huidige minister Van Kemenade. Verder Mgr dr Gij sen, bisschop van Roermond en de hoogleraren Firet, De Rijk, Van Stegeren en De Groot.
Het is niet mogelijk de interviews te bespreken, in die zin dat wij ingaan op hetgeen de geïnterviewden vertellen. De bundel in haar geheel genomen, is zeer geslaagd te noemen.
Jammer, dat de rij geïnterviewden begint met prof. I. A. Diepenhorst.
Dit interview is als gesprek mislukt, maar dat ligt bslist niet aan Puchinger. Hij is een kundig interviewer. Uit alle andere interviews (ook in de andere bundels) blijkt dat hij zich goed in de onderwerpen inwerkt en zich goed op de hoogte stelt van de mensen, die hij wil spreken.
Maar meneer Diepenhorst zei het zo druk te hebben, dat hij voor een gesprek geen tijd had. Een bandrecorder moest worden ingeschakeld en aan de hand van de hem ter inzage gegeven vragen, steekt hij voor de microfoon zijn monoloog af. In gebeeldhouwde volzinnen geeft hij zijn mening.
Overigens alleszins de moeite waard om kennis van te nemen, maar tot een echt gesprek kon hij niet komen ... Hij eindigt met de woorden: "Mij dunkt, ik dacht dat ik naar waarheid de vragen beantwoord heb."
Me dunkt, ik dacht ... het geeft te denken.
Geheel anders, maar dan ook volkomen anders, is het interview met prof. dr J. Firet, hoogleraar praktische theologie aan de V.U.
Hij eindigt met de opmerking, dat hetgeen hij gezegd heeft "niet méér kon zijn dan een bijdrage tot een gesprek". Het gesprek met Firet beschouw ik als een van de meest waardevolle in deze bundel.
Wat hij over de praktische theologie en over het werken van theologiestudenten in het VU-ziekenhuis zegt, is de moeite van het lezen waard!
Zeer geslaagd zijn ook de gesprekken met bisschop Gijsen en met prof. dr A. D. de Groot van de Gemeente Universiteit te Amsterdam.
Het lijkt mij, dat vooral de gesprekken met Firet, Gijsen, De Groot en Van Aemennade deze bundel van Puchinger blijvende waarde geven.
In de interviewbundels geeft de interviewer ons een tijdbeeld (van verschillende onderwerpen), dat voor vandaag belangrijk en interessant is en voor de toekomst waarschijnlijk van grote historische betekenis zal blijken te zijn.
Wij zouden Puchinger een futurologisch historicus kunnen nemen.

N.a.v. G. Puchinger,
Onderwijsvernieuwing (interviews)
Uitg. Meinema, Delft 1973. 312 blz.
Prijs f 17,90.


Theologische Persoonlijkheden Behalve een bundel met interviews met levenden, verscheen er in december 1973 van de hand van dr Puchinger een bundel met opstellen over overledenen. Deze laatstgenoemde bundel begint met enkele citaten uit het literair dagboek van Dr C. Rijnsdorp: "Als er geen liefde is tot den naaste, hoe kan er dan belangstelling zijn voor de gestorvene?" Dit typeert Puchinger als historicus. Hij verzamelt materiaal over overledenen en gaat er dan over vertellen.
Maar hij is niet alleen maar verdiept in het verleden. In zijn interviews verzamelt hij nu reeds materiaal over de historici van de toekomst. Daarom noemde ik hem een futurologisch historicus.
Maar nu gaat het over "theologische persoonlijkheden". Het is een bundel opstellen, die in de loop der tijd in verschillende bladen gepubliceerd zijn. Puchingers vertellingen gaan over de volgende persoonlijkheden: de in 1170 in Canterbury vermoorde Thomas Becket, vervolgens Erasmus, Kuyper, Bavinck, de Kamper theoloog Lucas Lindeboom, kardinaal De Jong, Mgr. Poeis, De Hartog, Barth, Joh. de Groot, Van Rhijn, Van de Pol, Schilder, Noordmans, Berkouwer, Hampe, Bultmann, Van Ruler.
Deze bundel is al even moeilijk te bespreken als een bundel interviews.
Of men het met de schrijver eens is of niet, een ding staat vast: hij is een briljant verteller.
Hij is niet alleen veelzijdig en artisiek, er gaan vele personen in hem schuil: theoloog en literator, filosoof en historicus, polemist en zoeker van contacten. Hij probeert z'n mensen zo goed mogelijk te begrijpen en dan gaat hij ze al schrijvend uittekenen. Hij typeert ze, steeds weer anders - afhankelijk van de persoon, die hij onder handen heeft -, maar nooit vervelend.
De beschrijvingen over Erasmus (eerder verschenen in "Opbouw", 1961) en Van Ruler hebben mij het meest geboeid. Plezier beleeft de lezer aan het verhaal van mevrouw Kuyper en de roomse dienstbode. En voor mensen die zich druk maken over hun testamentaire beschikking, is het tenminste noodzakelijk kennis te nemen vim het fragment uit een gesprek tussen Puchinger en prof. Brom, op blz. 62 ... ! ! (Ik zal het niet verklappen; daar is het boek voor.) Ik heb me wel eens afgevraagd: waarom schrijft dr Puchinger over en interviewt hij zo veel persoonlijkheden?
Waarom is zijn belangstelling zo sterk op mensen gericht? Wie zijn vertellingen en interviews aandachtig leest, komt er spoedig achter. Puchinger is een christen-historicus. Hij ziet de mensen als geschapen naar het beeld van God. Wat is er in de wereld mooier dan het kroonstuk van de schepping?
Daar komt bij, dat de mensen kultuurvormers zijn. Zij geven "gestalte aan de toekomst". Nu kan men natuurlijk zeggen, dat de mens niet alleen de kultuur, de toekomst "maakt", maar dat hij ook door de kultuur en het verleden "gemaakt", gevormd wordt.
Inderdaad, de mensen, ook de door Puchinger voor het voetlicht geplaatste persoonlijkheden, hebben deze twee kanten. Onder de genoemde theologische persoonlijkhden bevinden zich roomskatholieken, gereformeerden, hervormden en anderen. Zij hebben als zodanig allemaal hun eigen typische achtergrond en geschiedenis, die hun natuurlijk ook in belangrijke mate heeft bepaald.
Maar Puchinger doet deze mensen nooit zonder meer af door ze in hun verschillende sociologische "hokjes" te plaatsen. Hij erkent en beschrijft hen in hun individualiteit en alszodanig kan de lezer hen herkennen.
Puchinger beschrijft de mens als mèns, op het grensgebied van door de kultuur gevormd èn zelf de kultuur vormend, tussen kerkelijke twisten en scheuringen èn eucumenisch streven, met zijn soms grootse karaktertrekken èn zijn typische 'gebreken, gesierd met de adel der genade èn besmet met de zonde.
Wanneer je hier over nadenkt, besef je ineens hoe moeilijk het soms kan zijn de juiste houding aan te nemen t.o.v. mensen in je omgeving, Ook t.o.v. kerken. Je bent vaak geneigd etiketterend en verwijtend te spreken over de slappe "synodalen", geborneerde "binnenverbanders", conservatieve christelijke gereformeerden enzovoort, enzovoort.

Mijmerend over deze verhoudingen, valt het op hoe geheel anders iemand als de engelse theoloog Newman was. Puchinger schrijft over deze, van de anglicaanse naar de r.k.-kerk overgegane theoloog, in zijn "Persoonlijkheden" (deel I) dat in 1956 verscheen.
Hoewel wij de keus van Newman voor de r.k.-kerk niet volgen, kunnen wij hem eren in de wijze waarop hij de anglicaanse kerk aanklaagt. Zonder bitterheid, met bewogenheid en diepe ernst klaagt hij haar als een nalatige en ontluisterde Moeder aan. Het is een aanklacht van alle gekrenkte kinderen, juist omdat zij kinderen wensen te zijn, jegens de Moeder, de kerken die hen verstoten hebben.
Puchinger heeft de bewogen en tedere aanklacht van Newman als volgt vertaald: ,,0 mijn moeder, hoe is dit in U gekomen dat Ge goede gaven in U hebt uitgestort en Gij kunt ze niet bewaren; en Gij baart kinderen en Ge durft ze U niet toe te eigenen? Ja hoe is dit in U gekomen dat Ge de bekwaamheid niet meer bezit om haar diensten te gebruiken, noch een hart om u in hun liefde te verheugen? Hoe komt het dat wat edelmoedig in bedoeling is en teder en diep in toegewijde vroomheid, dat deze Uw bloem zo vol beloften valt van Uw borst en geen thuis meer vindt in Uw armen?
Wie heeft U aldus voorbeschikt om een "misdragen schoot en droge borsten" te bezitten, om een vreemde te zijn jegen eigen vlees en geen liefdevol oog meer te bezitten voor uw kleine kinderen?

Uw eigen kroost, de vrucht van uw schoot, dat U liefheeft en dat voor U zou willen zwoegen, staart Ge aan met vrees als ware het een slecht voorteken, of Ge verafschuwt het als een belediging op zijn best verdraagt Ge hen slechts alsof zij geen recht hadden op Uw geduld, Uw zelfbeheersing en waakzaamheid om maar van hen bevrijd te zijn zo gemakkelijk als Gij slechts kunt.
Gij doet ze "heel de dag ledig staan" met als enige bestaansconditie om ze te verdragen ofwel Gij smeekt hen heen te gaan naar waar ze meer welkom zijn en geeft ze prijs aan een voorbijgaande vreemdeling, zonder er iets voor terug te ontvangen. En wat zal van dit alles het einde wezen ... ?
Welnu, 0 mijn broeders, (... ) indien gij iemand kent, wiens roeping het is geweest, door geschreven en gesproken woord, u enigszins te helpen om aldus te handelen (... ), - denk dan nog eens in later tijden aan zo iemand, al hoort gij hem niet meer en bidt voor hem, opdat hij in alle dingen Gods wil moge weten en ten alle tij den bereid zij die te vervullen."
Zo nam Newman afscheid van de kerk, die hij aanklaagde.
Een theologische persoonlijkheid: Wat meer is: een integer christen.

N.a.v. G. Puchinger,
Theologische persoonlijkheden
Uitg. Kok, Kampen 197.
226 blz. Prijs f 19,90.


Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief