PSALM 130

1974-03-01
  • Jaargang 18
  • nummer 9
Deur der volken

Taal is ongemeen boeiend. Beeldende taal kan tot cliché verworden, maar geef de edelsteen een nieuwe zetting en hij fonkelt als nieuw. Maria was zwanger, maar Jozef wist van de prins geen kwaad, om een voorbeeld van Okke Jager te geven.
Zelfs de meest versleten cliché's verraden nog oude denkstructuren.
Spreekt de bijbel over volken en landen in dier-beelden (Dan. 7; Op. 11), ook de westerse wereld weet nog van een soortgelijke personificatie. Via de franse lelie, de duitse adelaar en de nederlandse leeuw belanden we bij de nederlandse maagd, Marianne, John Bull en Uncle Sam.
Een heel volk steeds in één woord gezegd.
Uit de talloze bijbelse voorbeelden kiezen wij er een van Ezechiël: Mensenkind, omdat Tyrus van Jeruzalem gezegd heeft: ha!
verbroken is zij, die deur der volken; naar mijn kant staat zij open; nu zij vernield is, krijg ik volop (Ez. 26 : 2). Toch is het niet aan Kanaäns (c.q. Jeruzalems) geografische ligging (deur der volken) te wijten, dat Israël van zijn jeugd af aan in het nauw is gedreven (Ps. 129). De HERE had deze omstandigheid juist gecreëerd om zijn volk met vaste hand te regeren.
Vanaf de bruidstijd (Jer. 2: 2) heeft Israël gespeeld met waarheid en trouw. Dat het in en na de ballingschap blijft bestaan, heeft het alleen aan zijn God te danken: de HERE, die rechtvaardig is, heeft doorgehouwen de touwen der goddelozen (Ps. 129 :4).

Uit de diepten

Hoe (een deel van) Israël op de ballingschap reageerde, blijkt uit Ps. 130. Het eerste vers (en evenzo vs. 5 en 6) kan met evenveel recht als in Ps. 120 : 1 in de voltooid verleden tijd vertaald worden.
Dan denkt het weergekeerde volk terug aan zijn noodlijdend bestaan in Babel: uit de diepten heb ik tot U geroepen, 0 HERE: Heer (Ps. 123 : 2), hoor naar mijn stem ...
Het woord "diepten" komt maar vijf keer voor. Gezien een nauw verwand woord, is het verleidelijk aan de lage landen van Mesopótamiê te denken of aan de dalen rondom de berg Sion. Zelfs dan is er nog een associatie met het dodenrijk (Jes. 7 : 11).
Juist dat extra gegeven haalt het woord weg uit zijn vlakke, alledaagse entourage. In Jes. 51: 10 worden letterlijk de diepten der zee bedoeld, waar de zeedraak Rahab (Egypte) huist - de Rode Zee (?) waar Israël dwars doorheen trok. In het klaaglied over Tyrus is het de Middellandse Zee, waarin deze koopstad der volken is verzwolgen (Ez. 27: 34). Als beeld van onpeilbare ellende en doodsnood komt het tenslotte voor in Ps. 69 : 1 en 15. De herinnering aan waterdiepten is gebleven, de associatie met het dodenrijk (de put) versterkt.
Zo wordt het gebruik in Ps, 130 doorzichtig: Israël was op sterven na dood. Uit een afgrond van ellende, ontzetting en benauwdheid, diep in de put schreeuwt Israël tot zijn Heer: bijna hebben de wateren zich boven zijn hoofd gesloten.
Uit de afgrond, waarin Israël als natie terecht is gekomen, roept het tot God. Van ergens heel uit de diepte ziet het omhoog en schreeuwt met luider stemde stem van een volk in doodsnood.

Op de hoogte

't Is trouwens wel te hóren ook.
Israël roept tot de HERE, tot Jahweh, zijn verbonds-God. Maar als het zijn stem verheft tot Hem die in de hemel troont (en niet meer op de berg Sion, Ps, 120 : 1), dan spreekt het Hem nederig aan, onderdanig en bewust van de afstand tussen de (lijdende) knecht en zijn verheven Heer: mijn Heer, wilt U alstublieft. Dat tekent het verschil met het vroegere, bevelende: Jahweh! van een volk, dat zich bezitter waande van een zeer exclusieve God, die op bevel en ten gerieve van zijn volk kunstjes vertoonde, bijv. aan het hof van Farao en bij de doortocht door de Rode Zee (vgl. Am. 9 : 7 v.v.).
Israël kent zijn plaats weer, het . is tot inzicht gekomen, Inzicht in de aard van het verbond en het wonder van het bestáán daarvan.
Het verstaat het woord genade-verbond weer en weet weer wat souvereine genade is. De ballingschap was een dieptepunt, letterlijk en figuurlijk (vgl. Ps. 120 en 121). Israël kon zich wel als afgeschreven beschouwen - geen mens stak een hand naar die ballingen uit. Dan kun je zeggen: maar God is er toch ook nog? Natuurlijk - maar, als Gij, Jahweh, de ongerechtigheden in gedachtenis houdt (bewaart, opspaart) ...
Is er dan enige aanwijsbare reden te hopen op hulp van Gods kant?
Oorzaak en gevolg komen weer in de juiste volgorde te staan. Kwam ooit een balling in Babel tot dit besef? Lees er Daniëls gebed maar eens op na (Dan. 9, vgl. Neh. 9).
Daarin proef je iets van die unieke saamhorigheid, die voor Gods volk 'kenmerkend dient te zijn.
Diezelfde Daniël, die zich als jongeman al voornam zich niet te verontreinigen met de Koninklijke spijze of drank (Dan. 1 : 8 v.v.), belijdt: wij (!) hebben gezondigd ... wij hebben Jahweh, onze God, niet vermurwd door ons te' bekeren van onze ongerechtigheden (7: 11-15). Het mode-woord "solidariteit in de schuld" zegt hier nog veel te weinig. Wat Daniël bedoelt, wordt pas goed duidelijk, als de Messias de woorden van Jes. 55 bijv. ten volle vervult, de volle waarheid ervan voor zijn rekening neemt.

Nooit meer het oude liedje

Israël zegt niet: wat zonde ... Het kiest niet het goedkoopste woord: Ongerechtigheid is een bewust, opzettelijk zich misgaan. Zo belijdt Israël zijn schuld (Dan. 9: 15 v.v.; vgl. Neh. 9: 16 v.v.). Het draait er niet omheen, het zoekt geen veront-schuld-iging, maar erkent ruiterlijk: wij hebben misdreven, opzettelijk, tegen beter weten in. Deze vorm van zondigen (met opgeheven hand) is wel de ergste, Valt er dan nog iets goeds voor Jeruzalem te hopen? Gelukkig, de dichter weet: maar bij U is (de) vergeving, de volstrekte tegenstelling van "bewaren". Het hier gebezigde woord (en het verwante werkwoord) wordt alleen van God gebruikt. Het werkwoord 'komt vaker voor, het zelfstandig naamwoord alleen bij Daniël (9: 9) en Nehemia (9: 17). De oude berijming is zakelijk juist: ... daar is vergeving, altijd bij U geweest.
Zo had God zich vanaf het begin geopenbaard (Ex. 34: 9; vgl. de recapitulatie in Deut. 29: 20).
Vergeving - dát is nu de glorie van Israëls God!
Maar deze vergeving is geen kussen, waarop het geweten rustig kan inslapen. Vergeving heeft als doel: opdat Gij gevreesd wordt.
Die vrees is respect voor God, geen angst; of het moest zijn: "bang zijn om God boos te maken" (iemand attendeerde ons op deze omschrijving van prof. Van Vollenhoven). Vergeving maakt het niet makkelijk om te zondigen, maar juist moeilijk (Rom. 6 : 1v.v.). Wanneer Israël in Jeruzalem, bij zijn God terug is, mag het nooit meer het oude liedje worden!

Het daghet ...

Met gespannen verwachting heeft Israël uitgezien naar het woord (signaal, sein, daad) van zijn Heer (zo weer in vs. 6). Het is alweer Daniël, die dat treffend onder woorden brengt: 0 Heer, hoor! 0 Heer, vergeef! 0 Heer, merk op!
Treed handelend op ... Woord en daad liggen in elkaars verlengde, zo goed als vergeving terugkeer en herstel impliceert: er gebeurt wat!
Meer dan wachters (Jes. 21 : 11 v.) Op de morgen ... : zij bewaken stad of wijngaard. Demorgen brengt licht, verjaagt de duisternis: de uren van uiterste kwetsbaarheid en onveiligheid. Nu, het daagde in het Oosten. Op Gods woord werd er een weg gebaand voor de HERE en zijn volk tot aan de voet van de berg Sion (Jes. 40 en 55). Terecht wakkert de dichter de hoop aan: Israël hope ook voor de toekomst - op de HERE. .. bij Hem is veel verlossing (een woord ook voor het loskopen van slaven). Wie helpt? Hij zelf zal Israël verlossen. Waarvan?
Van al zijn ongerechtigheden.
De ballingschap was maar een gevolg. De oorzaak was "ongerechtigheid".
Wie zo verlost wordt, mag opnieuw van geluk spreken!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief