"Het Evangelie"
1974-03-01
De Groeniaanse leus: "tegen de Revolutie het Evangelie" is bekend.- Jaargang 18
- nummer 9
Maar wat betekent die?
Verleden week hebben we iets gezegd over Groen's visie op de Revolutie - de Revolutie met een hoofdletter. Nu wil ik iets memoreren van wat hij zegt over het Evangelie, hét Evangelie zoals hij dat in alle facetten van zijn veelomvattend werkleven beleed.
Wat Groen over het Evangelie zegt, wat hij daar omtrent beleed, is weer zeer aktueel.
Het is immers onder de hedendaagse christenen bijna mode geworden te spreken over het Evangelie in plaats van. over het Woord van God. Waarom?
In de politiek doet al een paar jaar de term "evangelische inspiratie" opgeld. Maar wat verstaat men in concreto daaronder?
Zoals van zelf spreekt krijgt de idee "evangelische inspiratie" alleen inhoud en betekenis als duidelijk is wat men onder het Evangelie verstaat.
Om Groen's beschouwing omtrent het Evangelie zo concreet mogelijk weer te geven zal ik een moment uit zijn parlementaire strijd releveren.
Een hoogtepunt.
Voor mijn besef heeft Groen nooit zo duidelijk gezegd wat hij onder Evangelie, het christendom, het geloof verstond als toen.
Er' was ook alle aanleiding toe.
Ieder weet dat de strijd voor christelijk volksonderwijs een van de belangrijkste facetten van Groen's levensarbeid is geweest.
Hij werd tot die strijd gedwongen.
In 1806 had ons volk een nieuwe schoolwet gekregen. Daarin werd bepaald dat het onderwijs moest strekken ter bevordering van "maatschappelijke en christelijke deugden". De bijbel bleef als leesboek op de openbare school toegelaten.
Maar "leerstellig" onderwijs was verboden. De school moest toegankelijk zijn voor kinderen van alle gezindten. Ze moest een "gemengde" school zijn.
Alleen voor Joden waren er afzonderlijke openbare scholen. In 1820 in Amsterdam al 20!
Na de bevrijding van 1813, toen de wet van 1806 opnieuw van kracht werd, was men aanvankelijk zeer ingenomen met de "openbare school". Ook Groen was dat.
Maar ten gevolge van de steeds toenemende sekularisatie kreeg ook het onderwijs steeds meer een humanistisch, een liberaal karakter.
Dit proces van de de-christianisering der school werd in de hand gewerkt door de roomskatholieke geestelijkheid die zich verzette tegen het lezen van de bijbel op de volksschool. Ook van die zijde eiste men "neutraal" onderwijs.
Na de grondswetherziening van 1848, die de vrijheid van onderwijs bracht, moest er, als een organieke wet, ook een nieuwe onderwijswet komen. Groen van Prinsterer gaat dan ijveren voor de "facultatieve splitsing van de staatsschool". Waar dat gewenst en mogelijk was moesten, zo betoogde hij, protestantse, roomskatholieke en joodse scholen worden opgericht.
Groen wilde van de "gemengde" school af. Die werd, zoals hij duidelijk zag, al meer een exponent van het liberalisme, een "sekteschool van de modernen". De conservatieve liberalen verzetten zich heftig tegen Groen's opvattingen.
Zij behielden globaal genomen een, vaak louter sentimentele, gehechtheid aan het algemeen-christelijk karakter van de volksschool. Thorbecke was evenwel, ook wat deze kwestie betreft, Groen's felste tegenstander.
Hij koos principiëel voor in godsdienstig opzicht "neutraal" onderwijs.
Als Thorbecke minister is geworden, durft hij evenwel geen nieuwe onderwijswet naar eigen ideeën indienen. Hij maakt daarvoor wel een ontwerp. Maar hij weet dat het volk in zijn brede lagen nog zeer gehecht is aan het christelijk karakter van de volksschool, hoe verzwakt dat ook was.
En daarom komt hij met zijn ontwerp niet in de Tweede Kamer.
Een volgend ministerie waagt het een wet in te dienen die ronduit "neutraal" onderwijs voorschrijft.
Daartegen breekt zoals te verwachten was een storm van protest los. Zelfs de "ethisch-irenischen" doen daaraan mee. De overgrote meerderheid van de Kamer is evenwel vóór de wet.
Maar dan grijpt de Koning in. Hij verklaart dat hij aan deze wet nooit zijn sanktie zal verlenen.
Het ministerie treedt daarop af.
Een onoplosbare regeringscrisis dreigt.
Een ogenblik schijnt er gedacht te zijn aan een ministerie waarin aan Groen de portefeuille van onderwijs zou worden toevertrouwd.
Maar Willem III wil uiteindelijk toch niet met Groen in zee. En dan redt Groen's vroegere vriend Van Rappard de situatie!
Hij schuift de bekende Reveilman Van der Brugghen als kabinetsformateur naar voren. Ondertussen houdt hij zelf de leiding van de gang van zaken in handen!
Het kabinet-Van der Brugghen-Van Rappard verklaart bij zijn optreden dat het vasthoudt aan de "gemengde overheidsschool", de school "waaraan de natie gehecht is". En het dient kort daarop een wet in waarin bepaald werd dat het onderwijs "neutraal" zal zijn, voor niemand "aanstotelijk".
Maar de oude doelstellingsformule werd daarin vastgehouden!
Die werd zelfs positiever!
Het onderwijs zal namelijk moeten dienen "ter bevordering van alle christelijke en maatschappelijke deugden". Het woord "christelijke" staat nu voorop!
Groen is verbijsterd!
Het gebruik van het woord "christelijke" in dit verband is naar zijn overtuiging "heiligschennis".
Het is ook rondweg boerenbedrog!
De behandeling van de onderwijswet van 1857 in de Tweede Kamer vormt één van de hoogtepunten uit onze parlementaire geschiedenis.
De- in die dagen veruit dominerende figuren in het parlement, Thorbecke en Groen van Prinsterer, staan dan in volle wapenrusting vierkant tegenover elkaar.
En dat in een strijd over wat in beider leven het meest essentiële, het allesbeheersende is.
Thorbecke is de geniale, autocratische, hooghartige staatsman in wie het liberalisme van zijn dagen vlees en bloed is geworden. Hij is de man die èn als minister èn als leider van de oppositie door bekwaamheid en karakter de nederlandse politiek gedurende een kwart-eeuw volkomen beheerst.
Groen is, ook als volksvertegenwoordiger, - minister werd hij nooit! - in de eerste plaats belijder van het Evangelie en daarom ook de principiële bestrijder van het destijds oppermachtige liberalisme.
In zijn strijd tegen de onderwijswet van zijn vriend en broeder Van der Brugghen rijst Groen als parlementariër tot ongekende hoogte. Het ging daarin naar zijn innige overtuiging om wat voor het Nederlandse volk van beslissende betekenis was. In geding was immers niet alleen de reeds uiterst belangrijke!
vraag of de nederlandse jeugd ook in de volksschool een christelijke opvoeding zou ontvangen, maar ook en bovenal om de vraag of de Staat der Nederlanden een christelijke staat zou blijven dan wel zou verworden tot een godsdienstloze, een a-christelijke, zo niet een anti-christelijke.
In ziin felle bewogen oppositie tegen Van Brugghen's wetsontwerp, schittert Groen in al zijn talenten. Zijn kennis van de historie is fenomenaal, verbluffend is zijn meesterschap over de taal, prikkelend zijn vlijmscherpe ironie.
Hij wordt gevreesd zowel vanwege zijn nooit kamp gevende debatteerkunst, als om zijn ontzagwekkende geleerdheid. En in en .met dat alles betoont hij zich een staatsman in de eminente betekenis van het woord en tegelijk een politicus van grootse stijl.
In de debatten over de onderwijswet ging het vóór alles over de term "christelijke deugden".
Wat is daarvan de inhoud, de strekking? Hoe wordt dat begrip "christelijke deugden" gevuld?
Thorbecke kan deze woorden in de omschrijving van het doel van het volksonderwijs aanvaarden.
Want hij is van oordeel dat er van "christendom" in het openbare volksonderwijs wel sprake mag, ja, zelfs moet zijn! Maar alleen van een bepaald soort Christendom!
Van een Christendom dat hij omschreef als een "Christendom-boven-geloofsverdeeldheid' .
Als daarom in de wet van "christelijke" deugden gesproken wordt kan hij dat alleen aanvaarden als die woorden in overeenstemming met zijn idee van het "Christendom" worden geïnterpreteerd.
Hoe deze interpretatie moet zijn heeft Thorbecke in het debat over de onderwijswet, op de bondige en kernachtige wijze waarop hij steeds zijn gedachten formuleerde, zo omschreven: "Opleiding tot christelijke deugden op de gemengde school mag in geen andere zin worden opgevat, dan dat alle leerstellige en dogmatische bestanddelen, alles met één woord wat tot het begrip des Christendoms, van zijn waarheden, van zijn feiten, van zijn geschiedenis behoort, van de gemengde school verwijderd moet blijven." 1) Groen kant zich fel tegen deze opvatting van "Christendom" en "christelijke deugden". Die betekent naar zijn overtuiging een radikale misduiding, ja, een vernietiging van het authentieke Christendom, van de christelijke religie, van het Evangelie. En hij is ontzet, ja verpletterd, als hij hoort dat zijn geestverwant, de antirevolutionair Van der Brugghen Thorbecke's interpretatie van de term "christelijke deugden"
tot de zijne maakt! Van der Brugghen verklaarde letterlijk: Ik meen dat die verklaring (die van Thorbecke – C.V.) juist en dat zij duidelijk is. Dat het alzo zij, vordert de Grondwet en dit vordert de rechtvaardigheid. Allen, Protestanten, Rooms-katholieken en Israëlieten, kunnen met recht vorderen dat aan hun kinderen niets wordt meegedeeld, dat -kwetsend, dat strijdig is met ieders (iemands?) godsdienstige overtuigingen, en daartoe behoort alles wat tot het begrip van het Christendom, van het begin tof het einde behoort." 2)
In een grote en briljante redevoering, gehouden op 7 juli 1857, bestreed Groen de ideeën van Thorbecke over Christendom en christelijke deugden. Daarin zette hij voor een ademloos luisterende Kamer uiteen wat het Christendom volgens het Evangelie der Schriften is.
Evenals Thorbecke, zo sprak hij, vraag ook ik: "Wat is het christendom?"
Die vraag beantwoordend wil Groen het niet hebben over een "individuele" beschouwing. Hij zal niet vervallen in het euvel dat Thorbecke in zijn rede signaleerde, namelijk dat men het Christendom verwart met het eigen kerkgenootschap. Groen wil daarbij óók spreken van een Christendom boven alle kerkelijke gemeenschappen. Maar dan zo dat het in iedere kerkelijke gemeenschap afdaalt, zich daarin belichaamt, en in alle verscheidenheid zijn identiteit, zijn authenticiteit, zijn "eenzelvigheid" behoudt en vertoont. Ik bedoel, aldus Groen, "het positieve, historische Christendom, niet aan enig kerkgenootschap eigen, maar aan alle christelijke kerkgenootschappen gemeen; een leerstellig Christendom in de onafscheidelijkheid van dogma, historie, en moraal, zodat elk feit een leerstuk in zich bevat en elk leerstuk in een voorschrift zich ontwikkelt, en ieder leerstuk wijst op het grote feit, waaruit dogma en zedeleer ontspruit; het zaligmakende feit; het feit ener zaligmakende genade die onderwijst"." 3) Groen zal geen theologische kwesties in de Tweede Kamer behandelen.
Maar omdat tweeërlei opvatting omtrent het Christendom ter sprake gekomen is, is het noodzakelijk dat hij enkele bijbelse uitdrukkingen gebruikt. Er is met name één uitdrukking die beslist dient genoemd te worden omdat daarin de sleutel moet worden gezocht ter beoordeling van de gehele strijd over de nieuwe onderwijswet, over de tweeërlei opvatting van het Christendom en over het gehalte van een christelijke volksopvoeding. En dat woord is HET KRUIS! "Het leerstellige, historische, positieve Christendom", - zo houdt Groen de Kamer voor - "het licht waarvan elke kerkelijke belijdenis, voor zo ver een Kerk christelijke Kerk mag worden genoemd, een straal is, het Christendom dat aan alle kerkgenootschappen gemeen is, heeft tot middenpunt: het Kruis. In dat éne woord is de ganse leer, die de Christen beide in leven en sterven rust geeft, de leer van zonde, verlossing en dankbaarheid vervat.
Neem het Kruis weg, gelijk dat geschiedt in een school voor Israëliet en Christen, dan valt, naar mijn beschouwing (zo exclusief ben ik) het Christendom weg."
En als dat Kruis wegvalt, valt niet alleen het Christendom als verzoening, vergeving, bevrijding van schuld weg, neen ook de christelijke ethiek, het christelijke leven en dus ook de "christelijke deugden", worden dan een onmogelijkheid. Met algehele instemming citeert Groen in dit verband het woord van Vinet: "De kiem van de gehele moraal, van de gehele ethiek, ligt in het schulduitdelgend offer van het vlekkeloos Lam; het middelpunt waaruit voor het leven van de mens een richtsnoer ontleend wordt is het Kruis, waar aan de eisen van recht en barmhartigheid over en weer voldaan is. In de overdenking en analyse van dit feit is de gehele ethiek begrepen."
Groen besluit zijn uiteenzettingen over deze levenskwestie van Kerk, Staat en school aldus: "Zo is het, wij prediken Christus, de Gekruisigde, de Joden een ergernis en de Grieken een dwaasheid; Christus, de kracht Gods en de wijsheid Gods; voor de Israëliet en de Griek de rots der ergernis en de steen des aanstoots; voor de Christen het fundament en de steen die ten hoofd des hoeks gelegd is. Hier ligt een onoverkomelijke kloof. En waarom zijn wij, in dit opzicht exclusief? Omdat, zodra wij ophouden exclusief te zijn, wij worden geabsorbeerd; omdat hier een vraag is, in de meest verheven zin van het woord, over leven en dood; omdat, waar het Kruis ontvalt het Christendom zich oplost in een algemene godsdienst, die, ook met de naam van Christendom versierd, de naam verdient van een dor en droog deïsme ... Neem dit éne woord het Kruis weg, en wat blijft er, in onze schatting?
Rationalisme, neologie, ongeloof." 4)
Zo beleed Groen het evangelie van het Kruis als de essentie van "het Christendom", Toen ondanks zijn verzet de onderwijswet van Van der Brugghen toch werd aangenomen, stond Groen onmiddellijk -van zijn plaats op en verliet hij de zaal, een brief aan de Voorzitter der Tweede Kamer achterlatend waarin hij bedankte als lid van de Volksvertegenwoordiging.
"Een rilling gaat door de Kamer, gaat ook door het land."
"Wat wij hier op het ogenblik meemaken", zegt Groen over wat door de aanneming van de wet geschiedde, "is het meest beslissende moment in ons staatkundig bestaan sinds eeuwen, ingrijpender dan wat in 1795 of in 1848 is voorgevallen, De christelijke staat wordt verlaten, de geseculariseerde, straks de humanistische staat ingevoerd. De gevolgen daarvan zullen ernstig zijn, misschien niet aanstonds, maar zeker op de duur.
Het Nederlandse volk wordt aan verderfelijke invloeden prijs gegeven." 5) Was Groen toen hij deze woorden neerschreef niet ten volle een profeet?
Zo beleed Groen zijn geloof, zijn geloof in het Evangelie van het kruis van Jezus Christus!
Hij deed dat als volksvertegenwoordiger, als vertegenwoordiger van het gehele volk - wie besefte dieper dan hij dat een lid van de Tweede Kamer vertegenwoordiger van heel het volk is en wat als zodanig zijn roeping is? - ten overstaan van de Regering.
Hij deed dat vooral ook als "leader" van de antirevolutionaire of christelijk -historische partij. In die kwaliteit verkondigde hij zo wat van die partij het fundament, het hart, kortom het één en het al is en móet zijn.
En daarom moet met alle nadruk gezegd worden dat men bij het spreken van "evangelische inspiratie" déze belijdenis van Groen van Prinsterer elimineert of vervaagt de antirevolutionaire of christelijk-historische richting is ondergegaan en het opheffen van deze term heiligschennis en boerenbedrog is.
Groen's belijdenis van het Evangelie is misschien veel meer dan ooit aktueel!
1) Adviezen in de Tweede Kamer der staten-Generaal van Mr. Groen van Prinsterer, Tweede deel, Utrecht 1857, 276*. Ook de Jood Godefroi verklaarde in de Tweede Kamer in de formule "christelijke deugden" te berusten, met dien verstande evenwel dat hij zich daarbij wilde losmaken "van al die benamingen, waarmede zo in als buiten de Kamer de zaak anders is uitgedrukt dan de wet meebrengt. Dan zie ik niet in het artikel geschreven christelijke zin, christelijke beginsel, christelijk element, christelijk onderwijs.
maar dan lees ik daar alleen en niet anders dan opleiding tot christelijke DEUGDEN."Idem. 275*.
Is Godefroi een voorbeeld van "laterut christendom"?
2) Idem, 276.
3) Bavinck sprak van Christendom in de geloofsverdeeldheid, Kuyper van Christendom onder de geloofsverdeeldheid.
Zie mijn Volk van God, 155/6.
4) Idem, 268/9 *.
5) Voor de strijd over de onderwijswet van 1857 zie men: Groen van Prinsterer, Hoe de onderwijswet van 1857 tot stand kwam; A. Goslinga, Het conflict Groen-Van der Brugghen, in: Christendom en Historie, Amsterdam 1925, en H. W. J. Mulder, Groen van Prinsterer, staatsman en profeet, 83-91.