De kerkelijke examens
1974-03-01
* Wat de bedoeling niet is - Jaargang 18
- nummer 9
Wat is de zin van de kerkelijke examens?
Waarom moet een candidaat in de theologie na aan een hogeschool of universiteit een examen te hebben afgelegd, opnieuw een onderzoek ondergaan voor de classis of regionale vergadering, aleer hij preekverlof krijgt, en zich beroepbaar mag stellen, en waarom nogmaals zulk een examen, nadat een beroep is aangenomen?
Het is niet te ontkennen, dat kerkelijke examens soms wel eens leken op een herhaling van de wetenschappelijke examina; griekse en hebreeuwse teksten werden gelezen, de dogmatiek werd wel eens op zulk een manier behandeld, dat het ver af stond van het leven des geloofs.
Laten we dadelijk zeggen, zo mag het niet. Men heeft, door op dergelijke wijze te werk te gaan, ook veel vreemde situaties gekregen. Daarover worden talrijke anecdoten verteld. Het is voorgevallen, dat een candidaat eerst afstudeerde en de doctorsbul haalde, en pas daarna zich beroepbaar wilde stellen. Dus moest hij eerst voor de classis verschijnen.
Maar de examinatoren wisten van de theologie minder af dan de candidaat, die ondervraagd moest worden. Men zegt, dat de candidaat tevoren met zijn ondervragers afsprak: U vraagt dit, en dan antwoord ik dat. Het werd geheel tevoren uitgestippeld. En zo kwam het kwartier of het half uur vol.
Men zegt ook wel: het kerkelijke examen is praktisch van aard. We moeten zien of de jongeman die zich aandient, preken kan, en wat hij . bestudeerd heeft, aan de gemeente kan verkopen. Weet hij een tekst op de juiste manier te verklaren en toe te passen? Kan hij de catechismus preken en catechisatie geven?
Er zit een groot waarheidselement in zulk een redenering. Maar dit na te gaan is toch niet het allereerste doel van het classicaal examen.
Preken, evenals catechiseren en pastoraal werk doen, moet ieder nog leren wanneer hij van de hogeschool komt, al krijgt men daar ook in de colleges over de ambtelijke vakken enige oefening. Maar in de praktijk léért men zulke dingen. Gelukkig de jonge predikant, die begint in een gemeente met flinke ouderlingen met ervaring en wijsheid, en nog gelukkiger is hij als hij zich laat adviseren. Het is ook een goede zaak, dacht ik, als men een candidaat voor hij het ambt aanvaardt, eerst een half jaar of langer "stage" laat lopen onder leiding van een ervaren predikant.
Lang geleden, in de dertiger jaren, met een overvloed van candidaten die soms jaren op een beroep wachtten, leerde men veel tijdens het rondpreken, of in een periode van hulppredikerschap, dat men uitoefende, totdat er een vurig begeerd beroep kwam.
Nu volgen de beroepen in de regel vrij snel, en dan kan een oefenperiode wenselijk zijn.
Maar het kerkelijk examen gaat niet uitsluitend en niet allereerst over deze dingen.
* Waarover dan wel?
Wat de bedoeling is, staat duidelijk in artikel 4 van de Dordtse kerkenorde.
De examinatie zal gaan over leer en leven. De classis (of wil men: regio) moet weten dat zij die staan naar de Dienst des Woords de Here en Zijn Woord hartelijk liefhebben, en dat hun leven in overeenstemming is met de heiligheid van het ambt.
Ook artikel 5 van het concept kerkenorde van onze kerken spreekt van een onderzoek aangaande leer en leven.
Het onderzoek over de leer is belangrijk. Toen de D.K.O. werd opgesteld, werden de kerken geteisterd door de arminiaanse twisten. Nu moesten de kerkelijke vergaderingen zich vergewissen of men bij de examens niet met een hele of halve remonstrant te doen had. Dit klemde te meer, omdat de niet gereformeerd denkende candidaten op de universiteit wel geleerd hadden hun dwaling handig te "verpakken" en alles zo mooi mogelijk voor te stellen.
Er is een bepaling van een synode te Barneveld waarin wij lezen: "Dewijl men bevindt, dat er bijzondere doortraptheid bevonden wordt bij sommigen, die zich tot de kerkedienst aanbieden, en in het examen de rechtzinnigen met dubbelzinnige woorden zoeken te verkloeken (er in te laten lopen) om hetwelk te keren en te weren alle voorzichtigheid van node is, komt de vergadering overeen, dat de classen van nu voortaan in het examineren en aannemen van nieuw aankomende predikanten de respectieve gedeputeerden van deze synode daarbij verzoeken zullen." .
Hier zien we dus, hoe men ertoe gekomen is bij peremptoire examens deputaten van de particuliere synoden op de classisvergadering uit te nodigen om bij het examen te adviseren. Het ging om de leer, om het weren van de dwaling.
Men heeft leerbeslissingen genomen over afgeleide punten van het belijden en candidaten tot de H. dienst daaraan gebonden. In de veertiger jaren hebben sommige hoogleraren, o.a. Prof. Nauta en Prof. Polman zich zeer beijverd en met vuur verdedigd, dat men deze leer beslissingen zou handhaven en op de kerkelijke examens daarop zou toezien. De situatie werd nog verergerd, doordat officieel werd verklaard, dat men deze leerbesluiten moest lezen in het licht van een stuk, dat een zeer eenzijdige opvatting had over de verhouding van verbond en verkiezing.
Op deze wijze zijn predikanten die in hart en nieren gereformeerd waren, geschorst en onverdacht gereformeerde candidaten afgewezen op kerkelijke examens.
Het kan verkeren.
De hoogleraren die zo sterk, met een Jehu's ijver, de schorsingen en weringen verdedigden, verheffen nu in het geheel hun stem niet om hen te weren die op cardinale punten van het gereformeerd belijden afwijken.
Zij hebben wel bezwaren tegen hen, soms ernstige bezwaren, maar over schorsing hoort men nu niet reppen.
* Iets uit de geschiedenis
Maar men kan ook op een goede manier bij de kerkelijke examens waken tegen het indringen van allerlei dwaling. Zo deed men het in de tijd van de Dordtse synode. Maar ook daarna in de 17e en 18e eeuw hebben de gereformeerde kerken een zware strijd moeten voeren tegen allerlei vervlakking en vooral tegen het rationalisme, de leer, die de rede stelde boven. de Schrift. Niet altijd heeft men de dwaling kunnen weren. Vaak hielden overheden de ketters de hand boven het hoofd, Maar af en toe gaven de kerken toch blijk van grote vasthoudendheid aan de belijdenis.
Zo heeft de classis Middelburg in 1693 de z.g. Walcherse artikelen aanvaard.
Het ging in die tijd o.a. over de verhouding van openbaring en rede; over de vraag: moeten wij alleen geloven, wat wij met ons verstand kunnen begrijpen? De cartesiaanse wijsbegeerte had veel invloed op de hogescholen en had ook veel studenten geïnfecteerd.
Daarom spreken de Walcherse artikelen in deze een duidelijke taal en men wilde ook dat de candidaten over deze dingen aan de tand zouden worden gevoeld. Ook in Zuid-Holland was men, in navolging van de Zeeuwen, waakzaam. Zo werd door de particuliere synode van Zuid-Holland bepaald dat de candidaten tot de H. dienst gevraagd zou worden of het mogelijk is te zeggen, dat we alleen geloven wat we begrijpen, zonder de H. Schrift eindeloos te verdraaien.
De classis Walcheren en de synode van Zuid-Holland hielden zich bezig met vragen die ook nu brandend actueel zijn. Ook nu gaat het er om, wat de moderne mens van de H. Schrift nog kan aanvaarden. Ook nu wil men de bijbelse boodschap, voor we die aannemen, eerst verifiëren d.w.z. op haar waarheidsgehalte en bruikbaarheid toetsen, zodat b.v. alleen aannemelijk is wat in dienst staat van allerlei evolutionistisch geloof. Men zegt nu wel niet zo duidelijk, dat het verstand de bijbel eerst moet kunnen aannemen, maar er worden toch zeer menselijke maatstaven aangelegd. Dat een mens van nature vijandig staat tegenover Gods Woord en pas door wedergeboorte het koninkrijk van God kan zien, was men toen, evenals nu, blijkbaar vergeten.
Ook was toentertijd in het geding de vraag hoe het stond met de eeuwige generatie. Bracht de Vader van eeuwigheid tot eeuwigheid de Zoon voort of heeft dit alles alleen betrekking op de voorbestemming van Christus als Middelaar? Ook dit is een gewichtige vraag, die later in verband met de barthiaanse theologie weer actueel werd.
Ook ging het in de Walcherse artikelen over de toerekening van Adam's zonden en van Christus' gerechtigheid.
En is ook nu niet het plaatsbekledend lijden van Christus "in discussie"?
Wij zouden er stellig niet voor willen pleiten opnieuw die artikelen van 1693 bindend te verklaren, al blijkt. uit de lezing, dat veel wat nu als nieuw wordt aangediend in feite helemaal niet zo nieuw is.
Maar het is zaak, candidaten die op de universiteit wellicht veel vreemde theorieën hebben aangehoord over de onfeilbaarheid van de bijbel, over de realiteit van de wonderen in de H.S., over het plaatsvervangend lijden van de Here Jezus en over het werkelijk geschied zijn van de heilsfeiten, ernstig te onderzoeken. Ook andere vragen moeten aan de orde komen.
Het zou zeker geen kwaad kunnen, de candidaten te vragen naar hun denkbeelden over allerlei ethische vragen, en ook over hun gevoe1ens ten aanzien van de eis van een christelijke politiek, een christelijke vakbeweging en een christelijke pers. We hoeven zeker niet de eis te stellen op een bepaalde partij te stemmen, een bepaalde krant alleen aan te bevelen, maar men mag wel vragen, dat men de huidige afbraak en verwereldlijking bij veel christelijke verenigingen en partijen ten sterkste afwijst. Zo zijn we toch wel duidelijk genoeg. We hoeven toch geen verdere namen te noemen?
Onze predikanten moeten op dit gebied geen onzeker geluid laten horen, en bij de examens mag men daar zeker op toezien.
In een volgend artikel nog iets meer over de kerkelijke examens met het oog op de vragen van deze tijd.