De brief van Jakobus

1974-03-01
  • Jaargang 18
  • nummer 9
Tweeërlei begeerte
(3 : 13-4 : 10)

Wie dit stuk van de brief van Jakobus aandachtig doorleest, wordt getroffen door de tegenstelling: Gij begeert (vers 2) en God begeert (vers 5).
Dat lag bij de lezers van deze brief kennelijk niet in één lijn: wat zij begeren en wat God begeert.
Hun begeerten leiden tot naijver, strijd, elkaar het licht in de ogen niet gunnen, vriendschap met de wereld. Ze begeren n.l. wat de wereld ook begeert.
God begeert ook. En ook met jaloersheid. Maar met heilige jaloersheid.
Hij begeert "de geest, die Hij in ons doet wonen". Daar heeft Hij recht op. En Hij wil niet, dat die geest, die Hij in ons doet wonen, uitgaat naar de wereld, die zich van Hem afkeert.
Als 6nze begeerten en Gods begeerte zo vierkant tegenover elkaar komen te staan, kunnen we ook niet meer bidden, zoals het behoort. (2 en 3) Is dat niet een grote kwaal van onze tijd? Dat we niet meer kunnen bidden! Geen wonder: vriendschap met de wereld = vijandschap tegen God.
Onderwerpt u dan weer aan Hem". En weersta de duivel. En doe het niet andersom.
Nader tot God en Hij zal weer tot u naderen.
Reinig uw handen en zuivert uw harten, zodat ge niet meer innerlijk gespleten leeft, maar met ps. 27 : 4 kunt zeggen: één ding heb ik begeerd en dát zal ik zoeken ...
(Verg. Luk. 10 : 42.) Dan leren we weer bidden. Niet: HERE, die en dat begeren wij ...
Maar: HERE, wat begeert Gij?
Vernedert u voor de Heer, en Hij zal u verhoren en verhogen, door u te schenken "des te grotere genade".
(6a) Na deze grote lijn nu de details.
Let op het kontrast tussen 3 : 18 en 4 : 1. Tweemaal "vrede" tegenover tweemaal "strijd". 3: 18 is als volgt weer te geven: "Waar vrede heerst worden recht en gerechtigheid gezaaid, en de vredestichters zullen die oogsten". (Vergelijk Matth. 5 : 9a) Zo mag en kan het zijn in de gemeente.
Maar 4 : 1 geeft het beeld van de werkelijkheid. Vanwaar?
Niet van boven (3 : 15), maar van binnenuit. Eigen begeerten en hartstochten, (1: 14,.1 Petr.2 :11) Als ge niet hebt wat je begeert, wordt ge moorddadig en naijverig op de ander, die het wèl heeft, maar ge verkrijgt er niets mee.
Dan gaat ge vechten en strijden, maar ge wint er niets mee, ... omdat ge niet bidt. Nu ja, ge bidt misschien wel, maar ge ontvangt niet ... omdat ge verkeerd bidt, want ge bidt alleen maar om uw begeerten te bevredigen. (2 en 3) Dat is het gebed der overspeligen. (4) Huiveringwekkende aanduiding van een bepaalde gebedspraktijk: het gebed der overspeligen.
(De grondtekst heeft hier de vrouwelijke vorm: overspeelster; Israël heet in het verbond de vrouw van Jahwe, en de gemeente is de bruid van Christus). Wie een vriend van de wereld wordt verloochent zijn (haar) band aan de HERE en aan Christus, en maakt zich schuldig aan trouweloosheid. (4) Vers 5 is een moeilijk vers. "Niemand komt er uit", zegt prof. Jager ervan. Jakobus verwijst naar een Schriftwoord, dat we naar de letter niet terug kunnen vinden.
Verder is het de vraag of God het verzwegen onderwerp is van de zin of de geest (of de Geest); en in verband daarmee: gaat het hier om Zijn jaloersheid (in goede zin) of om de onze (in verkeerde zin)? In aansluiting aan de St.Vert. en de Kanttekeningen gaf Holwerda de vertaling: “Maar heeft de Geest, die Hij in ons wonen deed, lust tot afgunst? Integendeel, Hij bewerkt een grotere mate van welwillendheid.”
Maar Jager sluit zich bij de N.V. aan als hij als volgt weergeeft: “De Here is een jaloers God (zie 2e gebod), die verlangt naar de geest, die Hij in ons deed wonen”.
Ons inziens past deze weergave ook het beste in het verband van Jak. 4.
Het citaat uit vers 6b is wèl terug te vinden: Spr. 3 : 34. Verg. ook 1 Petr. 5 : 5, Luk. 1 : 52; 14 : 14; 18 : 14; Matth. 23 : 12.
Vers 8: nadert tot God en Hij zal tot u naderen. Moet het niet andersom zijn: dat wij pas tot Hem naderen als Hij tot ons nadert?
Verg. echter 2 Kron. 15 : 2; Zach. 1 : 3; Mal. 3 : 7. De HERE is en blijft toch de éérste in zijn roépen: nadert tot Mij!
Zie voor "rein van handen": Job 17: 9, 22 : 30; 1 Tim. 2 : 8. Cultische uitdrukking, maar gezien het “zuiver van hart” geen vormendienst. Ook zal de zuiverheid van hart uitkomen in reinheid van handen.
Zie voor dezelfde combinatie: Ps. 24: 4.
Het staat tegenover het “innerlijk verdeeld zijn”. Zie 1:8; 2 : 18, 19; 3 : 9-12. De gespletenheid van “innerlijk”—“uiterlijk”, geloof – daad, belijden – beleven… ontbreekt in een “rein hart”, zie Matth. 5 : 8. Zalig de reinen van hart, niet omdat ze zondeloos zouden zijn, maar vanwege “de overeenstemming tussen innerlijke beleving en uiterlijke openbaring” (H. N. Ridderbos, K.V.) Met de kracht van een o.t. profeet roept Jakobus op tot verootmoediging. (9) Ook hier klinkt ,het geluid door van de Zaligsprekingen: zalig die treuren. Matth. 5 : 4. (Stel uzelf de opgave eens om door heel deze brief heen het geluid van de Zaligsprekingen op te vangen !) Verg. ook Luk. 6 : 25; Jes. 61 : 3.
Met vers 10 keert Jakobus weer terug tot vers 6, en sluit zich de ring van zijn bewogen, profetisch vermaan.
" Vernedert u voor de Here" zie Jes. 66 : 2; Matth. 5 : 3.
"En Hij zal u verhogen" - zie Ps. 75: 7, 8. De "verhoging"
schuilt nú reeds in de "des te grotere genade" van vers 6e, in de "kroon des levens" van 1: 12 straks, als de Here komt,5: 8.
Boven dit stuk uit de brief schreven we: "Tweeërlei begeerte". Het is niet goed als onze begeerten strijden met Gods begeerte. (vers 2 en 5) Het wordt pas goed, als onze begeerten in één lijn komen te liggen met Gods begeerte.
Laat ons dan ook voor óns begeren léren van de wijze waarop God begeert. Vers 5-6 spreken n.l. van Hem die niet alleen begeert maar ook geeft. Wij kunnen Gods begeerten pas vervullen als we leven van Zijn geven. Dan zal ons leven, met God en met onze naaste, niet opgaan in "begeerten", maar dan zullen we van God ook leren om te geven. Zoals dat in elk goed huwelijk samengaat: het wederzijds geven en begeren, begeren en geven, - zo ook in het verbondsleven met de HERE. De "trouweloze overspeelster" (4) weet alleen maar van uitleven van eigen begeerten. De trouwe echt- en bondgenoot weet ook en vooral van geven. Zo worden de verhoudingen gesaneerd in het leven van de bruid van Christus, en het bondsvolk des HEREN. (Zie S. Wouters, Louter Vreugde, p. 188-190).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief