GODS WIL

1974-03-01
  • Jaargang 18
  • nummer 9

.,Een gesloten deur ... een open venster.":
de zorg voor de geestelijk gehandicapte naaste.


Christenen gaan ervan uit, dat alles uit Gods hand komt.
Alles wordt in 's mensen hand gelegd.
Wanneer een geestelijk gehandicapte wordt geboren. moeten we daar dan ook Gods hand in zien?
Was het Zijn wil dit kind geboren te laten worden? "Geen ding gebeurt bij geval" staat er in de Bijbel. Alles is de wil van God, en gebeurt volgens Zijn wil. Is ook dit de wil van God?
Heeft God toen hij de schepping volmaakte, de bedoeling gehad in latere tijden geestelijk gehandicapten het licht te doen zien?
En wanneer men God niet aansprakelijk stelt of wil stellen voor de geboorte van dit kind, wie moet dàn aansprakelijk worden gesteld?
Het kind zelf, of de ouders?
Nadrukkelijk wordt in de Bijbel in Johannes 9: 3 gesteld door Jezus, naar aanleiding van de vraag wie of er schuldig was aan het feit dat een man "blindgeboren"
was. dat “noch deze, noch zijn ouders hebben gezondigd", maar "dat de werken Gods in hem enenbaar moesten worden".
Hieruit blijkt mijns inziens dat door niemand met de vinger naar de ander gewezen mag worden om bij de ander de schuld te kunnen ontdekken. maar dat ons slechts verootmoediging past, waardoor bevrijding en verzoening kan komen. Van de heerschapnij die wij op aarde mochten hebben, is door ons allen immers niets gemaakt.
Dat is al begonnen toen wij God niet gehoorzaamden; kort na de schepping. Die schuld drukt op ons allen. Maar gelukkig heeft God ons een nieuwe schepping beloofd.
Dat er een geestelijk gehandicapt kind is geboren, is wel iets dat van God komt, maar we mogen erbij bedenken dat God machtig genoeg is om alles ten goede te keren. Zonder Zijn wil gebeurt er niets; Hij kan echter nog maken, dat het leed van iemand tot zegen kan worden.
Dit kan ons tot troost zijn.
Wanneer de ouders accepteren dat van Gods hand hun deze opdracht, dit kind, werd toevertrouwd, dat weliswaar anders is dan anderen, waardoor ze een haast grotere verantwoordelijkheid op zich voelen rusten, dan kan er in hun hart een vrede dalen, die alle verstand maar ook alle gebrek aan verstand te boven gaat!
Het hoeft dan niet meer zo te zijn, dat ze zich vastklampen aan alle vage hoop die ze hebben, dat hun kind door medicijnen nog gezond kan worden, en waarvan ze in hun hart weten, dat er geen heil van te verwachten is.
Wanneer ze de vrede in hun hart voelen, weten ze ook, dat, als er hoop zou zijn, àls God iets anders met hun kind voor zou hebben, Hij dan ook maar een enkel woord nodig zou hebben om het kind weer gezond te maken. Daarbij mogen ze dan denken aan het voorbeeld van de knecht van de hoofdman te Kapernaüm: "Spreek slechts één woord, Heer, en mijn knecht zál genezen zijn!"

* Pastorale zorg in en vanuit de kerk

Behalve het feit, dat de pastor in gezinnen nog tè weinig naar deze woorden uit de Schrift verwijst, komt de vraag naar voren hoe de geestelijke gehandicapte met zijn ouders wordt opgevangen in de kerk; op welke manier krijgen zij hun rechtmatige plaats in de kerkelijke gemeenschap?
Het is waar, wat Dr. Okke Jager eens zei:

"In psalm 116 : 6 staat, dat "de Here de eenvoudigen bewaart."
Maar Hij doet dat niet buiten ons om. Wij weten wat ons te doen staat, als wij elk "zorgenkind" zien als een kind van die Vader wiens zorgenkinderen wij zelf zijn."

Wanneer deze woorden gehoord worden, is het mijns inziens plotseling of er een venster wordt opengedaan, dat uitzicht biedt op goede toekomstmogelijkheden!
Wanneer we immers zelf ook zorgenkinderen zijn, die onder de hoede van de Vader veilig geborgen zijn, dan wordt alles zo'n stuk gemakkelijker!
Dan kunnen de mensen in de kerkelijke gemeenschap hun handen openen naar de geestelijk gehandicapte toe, waardoor ze sámen verder kunnen gaan naar een gezamenlijke toekomst, die God alleen weet: Wat is er dán een mogelijkheid geschapen om uitzicht op een blijde toekomst te hebben!
Als er èrgens een plaats is, om gelijkwaardig te zijn, zou dat immers in de kerk moeten zijn!
Geestelijk gehandicapten kunnen ervan genieten als ze belangstelling van anderen voor hun leven ervaren.
Zij hebben, net als anderen, behoefte aan contacten, in de maatschappij, maar ook in de kerk.
De raakvlakken tussen hen en anderen zijn niet gecompliceerd, maar wel menselijk.
Wanneer het gebrek van de geestelijk gehandicapte de ander verdriet zal doen, moet degene die dit ervaart, proberen dit naast zich neer te leggen en zich indenken in wat voor een wereld de andere mens leeft.
De gezonde mens moet proberen de ander in die "andere" wereld te ontmoeten. Iedereen heeft in zijn eigen wereld een eigen identiteit.
De gezonde mens zou zich kunnen afvragen wat de ander interesseert, waar zijn belangstelling naar uit gaat.
Dàn is er een contactmogelijkheid geschapen, om elkaar als mènsen te ontmoeten, die samen in een zelfde wereld wonen, in een zelfde kerk zitten.
Elk mens heeft de vraag in zich: Wie ben jij, wie ben ik, waar zijn wij?
En in die ontmoeting komt iets van een antwoord, van zin en betekenis.
De geestelijk gehandicapte kan hierdoor het gevoel krijgen in de kerkelijke gemeenschap gelijkwaardig aan de anderen te zijn.

* Maar helaas... niet altijd nog, - al ben ik ontzaglijk verheugd over de huidige snelle ontwikkelingen in de kerken in verband met aangepaste kerkdiensten (waar ik op terug kom)komt de kerk klaar met deze opdracht van gelijkheid.
Niet alleen in de alledaagse situaties, maar ook in de verkondiging van het Woord.
Pastorale zorg heeft immers te maken met de verkondiging en het gehoorzamen van "God die bestaat". Die ons bij name kent, Die bij ons wonen wil, en Die is, waar er twee. vergaderd zijn in Zijn naam. Wordt de geestelijk gehandicapte dan nog niet als gelijkwaardige behandeld?
Sommige mensen en kerken zijn bang, dat het geloof van de geestelijk gehandicapte misschien niet voldoende is, waardoor ze op hem menen te moeten neerkijken, of hem niet de speciale, individuele zorg en 't vriendschapsbetoon geven, die door de geestelijk gehandicapte echter wèl wordt verwacht!
Vol vertrouwen opent hij zijn hand naar de ander... Zou iemand dat vertrouwen willen beschamen?
Eigenlijk zouden alle "gewone" kerkdiensten wat minder "gewoon" moeten worden; wat minder strak volgens de lijnen die al jaren zijn vastgehouden. Waarom kunnen de pastors niet regelmatig aandacht geven in hun diensten aan de kinderen, en aan hen, die "gelijk zijn aan de kinderen", namelijk de geestelijk gehandicapten?
Dan zouden ook zij het gevoel krijgen dat ze ècht bij de gemeenschap horen.
Laten wij hen toch niet in een isolement plaatsen, hen niet als een last beschouwen, maar hen onze liefde en zorg geven, die normaal, vanzelfsprekend zou moeten zijn. Zó vanzelfsprekend, dat de zorg voor de geestelijk gehandicapte geen last is, maar een opdracht.
omdat het ie broeder is, waarvoor gezorgd moet worden; de mede-metgezel op de reis door het leven:

"Ik draag mijn broeder"

Op 't steile pad ontmoett' ik een klein meisje
dat droeg haar broertje op haar smalle rug.
"Wel", zei ik, "kind, je draagt een zware last".
Maar met verwond'ring kijkt het meisje op
en zegt een simpel woord:
"Ik draag geen last, ik draag mijn kleine broer".
Een vlam, een opdracht;
diep hebben die woorden zich vastgezet in mijn herinnering.
En altijd als de nood van mensen mij bezwaart en als een last mijn moed wil roven,
vermaant het kleine meisje mij en troost:
"Je draagt peen last, je draagt je broeder".



Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief