PSALM 131
1974-03-08
De wijsheid van Dan(i)el - Jaargang 18
- nummer 10
Al op de lagere school - 0 nee, bij het basisonderwijs - maak je kennis met het vak (!) godsdienst.
Het leerboekje dat mij voor ogen staat, heeft overigens meer te maken met bijbelkennis. Het bevat puzzles voor pientere ouders, overmits de lieve jeugd op beminnelijke wijze u vraagt even te helpen bij het huiswerk. Weet wat u doet, want voor u het weet zit u tot over de oren in de problemen.
Wat denkt u van de argeloze vraag: "zet in de juiste volgorde Hizkia, Uzzia, Athalia"? En weet u meteen te plaatsen: Uz, Uzza en Uzzia? Waarmee we maar zeggen willen, dat behalve de luie stoel en het televisietoestel ook een concordantie en een kleine bijbelse encyclopaedie een vorm van doeltreffende geldbelegging kunnen zijn.
Iets eenvoudiger lijkt de vraag Noach, Daniël en Job in de goede volgorde te plaatsen. 't Is maar schijn: de volgorde is juist. Kijkt u maar in Ex. 14: 14 en 20. Hoe dat mogelijk is? De hier genoemde "Daniël" is hoogstwaarschijnlijk niemand anders dan de legendarische koning Dan-el, bekend uit teksten van Ugarit (zie artikel van J. P. Lettinga in De Godsdiensten der wereld, A'dam, 1956; dl Il, pag. 333 v.). Op diezelfde Dan-el wordt ook gezinspeeld in Ez. 28 : 3 - diens wijsheid was zelfs in Tyrus spreekwoordelijk.
En daarmee komen we tot Ps. 131.
Tyrus, Uzzia en Hizkia op één lijn
Ps. 131 begint met de nadrukkelijke verzekering: Jahweh, mijn hart is niet hovaardig... Dat klinkt nogal zelfverzekerd, nietwaar?
Maar wat is dat, een hovaardig hart?
De uitdrukking komt acht maal voor in het O.T., één maal in gunstige zin (2 Kron. 17: 6) en zeven maal in ongunstige zin.
Tot driemaal toe wordt aan de vorst van Tyrus trotse hoogmoed verweten (Ez. 28: 2, 5, 17). De context verraadt wat dat inhoudt: ik ben een god, een godenwoning bewoon ik midden in zee (de vestingstad Tyrus was vanwege haar vooruitgeschoven positie in zee vrijwel niet in te nemen). Hij bouwt deze waan op zijn wijsheid en inzicht (wijzer dan Dan-el), vermogen en luisterrijke schoonheid (vorst, volk en stad zijn als het ware één). We noteren: Tyrus' vorst kent zijn plaats niet meer, en hij grondt zijn hoogmoed op aanvechtbare en vergankelijke zaken.
In 2 Kron. 26 : 16 lezen we, hoe de voorspoed onder zijn regering koning Uzzia naar het hoofd stijgt.
Toen hij machtig geworden was, werd zijn hart zo hoogmoedig, dat hij de tempel van Jahweh binnenging om op het reukofferaltaar reukwerk te ontsteken. Dit was een recht, aan de priesters voorbehouden, en het tekent hoever Uzzia in zijn hoogmoed over de schreef ging: hij kent zijn plaats niet meer.
Datzelfde geldt van Hizkia, de man die zijn leven door een wonder met vijftien jaar verlengd zag, op zijn ootmoedig gebed.
Maar hij schoot tekort in dankbaarheid voor de weldaad, hem bewezen, want hij werd hoogmoedig (2 Kron. 2 : 35). Dat openbaarde zich bij het bezoek van Merodach-Baladan's gezanten (2 Kron. 32: 31; Jes. 39). Op het beslissen- ' de moment "vergeten" zowel Uzzia als Hizkia aan Wie ze hun voorspoed en rijkdom te danken hebben: ze kennen hun plaats niet meer.
Zo vormen ze mét Tyrus' vorst de bevestiging van het spreukenwoord: vóór de val is het hart van, de mens hoogmoedie. maar ootmoed gaat vooraf aan de eer (Spr. 18 : 12). Zowel "eer" als "val" suggereren een gradatie in positie, die niet straffeloos valt te negeren.
Verder valt te letten op de tegenstelling "hoogmoedig" (zich hoog maken, hoog opgeven van zichzelf) en "ootmoedig" (zich neerbuigen) in Spr. 18 : 12 en 2 Kron. 32: 25, 26.
Gids in Gods tuin
't Is de hoogmoedige aan te zien ook: zijn ogen zijn trots. De ogen zijn. de spiegels der ziel. De afgunstige heeft een boos oog (Spr. 23 : 6; 28 : 22), de weldadige heeft een goed oog (Spr. 22 : 9), de hoogmoedige heef hoge ogen (Spr. 10 : 12; Ps. 18: 28). Het oog kan zuiver zijn of slecht (Mt. 6 : 22). Wie hovaardig van hart is, wandelt in grootse dingen (als Nebukadnezar in Babel), in dingen die te wonderbaar zijn: hij droomt als de "zonnekoning" van Jes. 14, ten hemel op te stijgen (Jes. 14 : 13 v.).
Hij heeft geen oog voor de proporties.
Nog eens weer: wie hovaardig van hart is, kent zijn plaats niet meer en waant een nog hogere positie te kunnen bekleden op grond van vermeende kwaliteiten of verworvenheden. Zulke hoogmoed is dan ook onveranderlijk voorbode van de val.
Zo is ook Israëls verleden geweest.
Des HEREN tempel is dit (Jer. 7 : 4). Wij zijn het uitverkoren volk, ons heeft God uit Egypte verliest (Am. 9 : 7 v.v.). Deze houding trof Jezus ook bij een deel van zijn tijdgenoten aan: Heer, ik dank U dat ik niet ben als die tolenaar. Zij is ook karakteristiek voor de gemeente van Laodicea: ik ben rijk en ik heb mij verrijkt en heb aan niets gebrek (Op. 3 : 14-22). En daarbij is het niet gebleven: de kerkgeschiedenis loopt verder dan Laodicea!
Overal waar (kerk)mensen met zichzelf en hun positie, afkomst, verworvenheden zo bijzonder ingenomen zijn, tref je diezelfde verwaten zelfgenoegzaamheid. Je proeft de hoogmoed van de gearriveerde, die zich als "old-timer" opwerpt als gids 'Om de "new-comers" rond te leiden in de tuin van Gods grote daden. Zelf is hij blasé, kijkt hij verveeld rond hij weet 't allemaal al wel. Hij kent geen verbazing meer, zoals die anderen - de kerkgeschiedenis is voor hem "gesneden koek".
Is het voor niets, dat die stoere calvinistische kerken steeds opnieuw gedecimeerd werden? We hebben een verleden – met trotse leiders, partijen, organisaties.
Maar hebben we een verleden om trots op te zijn? Of hebben we een God, voor wiens grote daden we ons blijvend in verbazing neerbuigen?
Hoge ogen of verstild geluk?
Is trots ooit, waar dan ook, gepast?
Is de kerk misschien daarom aanstootgevend geworden?
Zijn daarom de deuren open komen te staan voor verdord dogmatisme of vermomde heterodoxie?
Spreken de "kerkvaders" ons aan of de Schriften? Is een belijdenisgeschrift voor ons wat het was voor een Guido de Brès (N.G.B. art. 37)?
't moet ons aan te zien zijn: mijn ogen zijn niet trots.. .
Israël ging een lange en zware weg, voor het zo kon spreken en zingen. Maar toen was de rust ook weergekeerd - de rust van de ootmoed. In plaats van te wandelen in grootse dingen wist het zich klein als een zuigeling bij zijn moeder (Jes. 66: 12, 13), als een gespeend kind. In dit geval gaat het niet om een kind dat oud, genoeg is om naar het mannenverblijf te verhuizen. In Ps 131 werkt de oorspronkelijke betekenis nog na: het kind heeft zich volgedronken, is verzadigd.
Verstild leeft Israël van de lafenis van Gods ongedachte troost. Het kent zijn plaats weer. Het weet weer aan Wie het zijn bevoorrechte positie te danken heeft. Dat weerspiegelt zich in de ogen, in het leven en samenleven.
Het slot van de psalm sluit hier prachtig bij aan, met een refrein (als in Ps 130 : 7, maar nu verkort) op Ps. 129 en wat daaraan voorafgaat.
Is dat niet de meest zinvolle aansporing voor de toekomst: Israël hope op de HERE, van nu aan en voorgoed? Dan blijft het kerk-geschiedenis.